Menu

Premium

Doop

Hebreeuwse tekst die wordt uitvergroot met een loep

Geloofstaal & cultuurtaal

Het woord ‘doop’ als aanduiding voor een kerkelijk sacrament maakt deel uit van een hoofdzakelijk binnenkerkelijk taalveld. Daarin markeert ze een centraal moment in het leven van de christen door de in de doop uitgebeelde afwassing van zonden en inlijving in Christus en zijn gemeente. De doop wordt bediend door onderdompeling in of besprenkeling met water, begeleid door een doopformulering. Dit gebeurt, afhankelijk van de kerkelijke gezindte, aan kinderen en/of volwassenen. Voor niet kerkelijk betrokkenen is de (kinder)doop soms het enige ritueel dat hen nog met het kerkelijk leven in contact brengt. Verder vindt het begrip ‘doop’ in sacramentele zin nauwelijks enige weerklank in onze geseculariseerde cultuurtaal. In het gewone taalgebruik is slechts in vlakkere zin sprake van het ‘dopen’ of ‘dompelen’ van een voorwerp in een vloeistof, variërend van de voorwas in een bak water tot een biscuitje in de thee.

Woorden

Verschillende vormen van het Griekse woord baptidzein worden gebruikt voor het spreken over ‘doop’ en ‘dopen’ in christelijke zin. In de Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuagint, werden voor ‘indopen, dompelen’ in seculiere of rituele zin zowel de woorden baptein als baptidzein gebruikt. De laatste vorm, onder meer gebruikt in degeschiedenis van de rituele wassing van de Aramese generaal Naäman (2 Kon. 5:10, 14), is in het Nieuwe Testament eenduidig het begrip voor de christelijke doop. Daarnaast functioneert het typisch christelijke zelfstandig naamwoord baptisma, ‘doop’. Het in het Grieks gebruikelijke zelfstandig naamwoord baptismos wordt gebruikt voor joodse reinigingswassingen (Mar. 7:4; Hebr. 9:10). Incidenteel komen het zelfstandig naamwoord loutron, ‘bad’ (Ef. 5:26; Tit. 3:5) en het werkwoord apolouein, ‘afwassen’ (1 Kor. 6:11) voor in de betekenis van doop/dopen.

Betekenis in context

Historische achtergronden van de doop

Rituele wassingen in het Oude Testament

Het Oude Testament bevat verschillende voorschriften ter wassing van zowel priesters als andere Israëlieten. Bij verontreiniging of met het oog op bijzondere rituele handelingen moesten handen en voeten (Ex. 30:17-21; 40:30-32), het hele lichaam en/of de kleding worden gewassen (Lev. 14-17; 22; Deut. 23:11). Numeri 19 beschrijft een oud ritueel van ‘water ter reiniging’ dat tot ‘ontzondiging’ dient. De zevenvoudige onderdompeling van Naäman in de Jordaan ter genezing van zijn melaatsheid kan ook als rituele wassing worden opgevat (2 Kon. 5:10, 14). Het ‘reinigen met water’ functioneert als metafoor voor innerlijke reiniging in Psalm 51:9; Jesaja 1:16; Ezechiël 36:25 en Zacharia 13:1. Water als levenskracht en beeld van Gods zegenende nabijheid komt voor in Psalm 46:5-6; Jesaja 44:3-4; Jeremia 2:13 en Ezechiël 47:1-12.

De doop van proselieten

Een belangrijke ceremonie ter toelating van bekeerlingen uit de heidenen tot het jodendom betreft de zogeheten proselietendoop. Deze doop symboliseerde zowel de reiniging van de bekeerling als diens toewijding aan de God van Israël.

Wassingen in de gemeenschap van Qumran

Vooral de dooppraktijk van Johannes de Doper is wel in verband gebracht met de joodse gemeenschap van Qumran, waar rituele baden een belangrijke plek innamen. Johannes’ doopplaatsen – aan de oostzijde van de Jordaan in Judea (Joh. 1:28; 3:22-23) – lagen niet al te ver van Qumran. Johannes was echter een volksprediker en zijn doopbediening vond niet plaats binnen een afgebakende groep zoals de gemeenschap van Qumran.

Wassingen in de hellenistische/Romeinse tijd

Reeds in de oudheid kenden vele religies, van Egypte tot India, rituele wassingen ter reiniging en/of initiatie. Een oorsprong van de christelijke doop is wel gezocht in de zogenaamde mysteriegodsdiensten die gedurende de eerste eeuwen van onze jaartelling in de Romeinse wereld opgang deden. Bij de wijding van gelovigen aan Isis of Mithras vonden reinigingswassingen plaats. Vanuit het Nieuwe Testament, waar de doop wordt beschreven als direct opkomend uit de joodse gemeenschap rond Jezus (Mat. 28:19; Mar. 16:16; Hand. 2:38, 41), zijn echter geen aanwijzingen voor een ontstaan uit of vergaande beïnvloeding van de christelijke doop door deze religies.

De doop bij Johannes en Jezus

De doopbediening vanJohannes de Doper

De doopbediening van Johannes de Doper maakte grote indruk. Hij werd zelfs vermeld door de joodse geschiedschrijver Flavius Jose-phus. Ook waren er tot decennia na zijn dood nog aanhangers van Johannes (Hand. 18:25;19:3).

In het Nieuwe Testament beschrijven alle vier Evangeliën Johannes’ doopbediening. Deze is nauw verbonden met zijn prediking van bekering in het licht van het komende oordeel van God. Het meest compact karakteriseert Marcus de doop van Johannes als ‘de doop der bekering tot vergeving van zonden’. Deze doop heeft derhalve zowel een reinigende als een ethische dimensie.

Een belangrijk facet van de doop van Johannes is de voorbereiding op de komst van Hem, die doopt met de Heilige Geest en met vuur (Mat. 3:11-12). Terwijl ‘vuur’ in dit kader verwijst naar het oordeel, hangt de gave van ‘de Heilige Geest’ volgens alle Evangeliën specifiek samen met de persoon en het werk van Jezus. Ook hierin is Hij de meerdere van Johannes (Mar. 1:8; Luc. 3:16; Joh. 1:26, 33).

Jezus en de doop

Alleen in Johannes 3:22 lezen we een dooppraktijk van Jezus. Deze vond gelijktijdig aan de dooparbeid van Johannes plaats (Joh. 3:2330). Blijkens Johannes 3:34 moet ze samen gezien worden met Jezus’ gave van de Geest (‘want Hij geeft de Geest niet met mate’). Derhalve sluit Jezus’ doopbediening nauw aan bij de woorden die hij kort tevoren gesproken had over de wedergeboorte ‘uit water en Geest’ (Joh. 3:5).

De Evangeliën naar Matteüs, Marcus en Lucas beschrijven elk de doop van Jezus door Johannes (Mat. 3:13-17; Mar. 1:9-11; Luc. 3:21-22). Deze functioneert niet alleen als voorbeeld van zijn nederigheid en geloofsgehoorzaamheid (Mat. 3:14-15), maar ook als aanleiding voor een bijzondere aanwijzing en initiatie van zijn werk als gezondene van God (vgl. ook Joh. 1:32-34). Tijdens deze doopbediening ontvangt Jezus Gods Geest.

Belangrijk zijn enkele teksten waarin Jezus de doop metaforisch betrekt op zijn lijden. In Lucas 12:50 spreekt Jezus over het ‘gedoopt worden met een doop’. In Marcus 10:38-39 staat hetzelfde beeld parallel aan dat van de lijdenskelk. Aan Jezus’ discipelen wordt eenzelfde ‘lijdensdoop’ in het vooruitzicht gesteld.

De instelling van de doop door Jezus als ritueel van reiniging en initiatie voor zijn gemeente staat in zowel Matteüs 28:19 als Marcus 16:16 in het licht van zijn opstanding en verhoging aan Gods rechterhand. In beide gedeelten functioneert ze bovendien in het missionaire perspectief van de eerste gemeente, waarbij ‘tot discipel gemaakt worden’ en ‘tot geloof komen’ worden bezegeld met de doop.

De doop in de eerste gemeente

De doopformules

Het bekendst is de trinitarische doopformule ‘in de naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest’ (Mat. 28:19), die de doop betrekt op het gehele heilshandelen van de drie-enige God. Daarnaast vinden we in het Nieuwe Testament echter formuleringen die de doop meer exclusief verbinden met de persoon van Jezus (Hand. 8:16; 10:48; 19:5; Rom. 6:3; Gal. 3:27). Een bijzondere variant is de doop ‘op (epi) de naam van Jezus’ (Hand. 2:38; vgl. 1 Kor. 1:13, 15). Deze formulering is wellicht ontleend aan een gebruikelijke eigendomsaanduiding in het toenmalige geldverkeer.

De doop in Handelingen

In het bijbelboek Handelingen lezen we hoe vanaf de pinksterprediking van Petrus de doop in de eerste gemeente wordt bediend. Evenals de doopbediening van Johannes wordt ze dikwijls verbonden met (de oproep tot) bekering en geloof (Hand. 2:41; 8:12, 3638; 16:14-15, 30-34; 18:8; 22:14-16). Ze hangt echter geheel samen met de persoon en hetwerk van Christus. Op de geloofsaanname volgt de doop als bekroning en belofte van de vergeving der zonden (vgl. ook Mar. 16:16). Spannend en veelbesproken in verband met de ouderdom van de kinderdoop zijn twee passages die spreken over de doop van huisgenoten zonder expliciete vermelding van hun persoonlijke geloofsovergang (Hand. 16:15, 33).

De doop markeert ook de opname van de dopeling in de gemeenschap van de gemeente van Christus. Handelingen 2:41 spreekt parallel aan het dopen van gelovigen over hun toegevoegd worden aan de gemeente, waarvan het leven vervolgens in detail beschreven wordt.

In Handelingen 8:38 vindt de doop evenals de doopbediening van Johannes door gehele onderdompeling plaats. De herinneringen aan de doopbediening van Johannes in Handelingen 1:5 en 11:16 verwoorden evenwel een belangrijk onderscheid. Terwijl Johannes doopte met water, worden de christenen met de Heilige Geest gedoopt. Blijkens Handelingen 9:17-18, 10:47 en 19:5-6 hangt deze doop met de Geest samen met de waterdoop, waaraan een handoplegging is toegevoegd. De volgorde van de verschillende elementen verschilt echter. Ook kunnen ze door een ruime tijdsduur van elkaar zijn gescheiden (Hand.8:15-17).

De doop in de brieven van Paulus

In het Nieuwe Testament heeft vooral de apostel Paulus de betekenis van de doop voor het christelijk geloof verder doordacht. In zijn brieven neemt ze een belangrijke plaats in. Daarbij valt op hoe sterk de apostel de doop verbindt met Christus en zijn weg van lijden, sterven en opstaan, alsook met de Heilige Geest en het nieuwe leven als lid van één gemeente.

In Romeinen 6:1-14 en Kolossenzen 2:11-3:4 beschrijft Paulus de doop als een machtswisseling. Door de doop is de gelovige ingelijfd in het sterven, begraven worden en opstaan van Christus (we vinden hier het oud-oosterse concept van ‘corporate personality’). Daarom markeert de doop een nieuw leven in toekomst en heden, waarin de zonde niet langer heerschappij over de gelovige voert. De ethische consequentie van de doop is derhalve: ‘Laat dan de zonde niet langer als koning heersen…’ (Rom. 6:12a). In Kolossenzen 2:11-12 stelt Paulus de doop bovendien parallel aan de besnijdenis. Doordat gelovigen in de doop met Christus zijn begraven, delen zij in een geestelijke besnijdenis, die de aflegging van het zondige leven inhoudt. Deze parallellie met de besnijdenis werd ten tijde van de Reformatie in het klassieke doopformulier zo uitgewerkt, dat de doop – evenals de besnijdenis – bij uitstek als een verbondsteken werd gekarakteriseerd.

Andere teksten in Paulus’ brieven verbinden de doop met de inlijving in en de eenheid van de gemeente. Volgens 1 Korintiërs 12:13 zijn de gelovigen door de Geest tot één lichaam gedoopt. In Efeziërs 4:4-5 besluit de doop de reeks ‘één lichaam en één Geest, . één Here, één geloof, één doop’. Volgens Galaten 3:2728 zijn gedoopten ‘met Christus bekleed’, hetgeen andere verschillen opheft. In 1 Korin-tiërs 10:1-2 schrijft de apostel, in een typologie die gericht is op de gemeente en de doop, over de Israëlieten die ‘zich allen in Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee’.

De gedachte van de doop als ‘afwassing’ ter reiniging en heiliging vinden we in 1 Korin-tiërs 6:11. Ook hier weet Paulus daarbij zowel Christus als de Heilige Geest nauw op de doop betrokken. Het thema van reiniging en heiliging beheerst ook Efeziërs 5:26, dat spreekt over de doop als ‘het waterbad met het woord’. De term ‘het woord’ duidt mogelijk de doopformule aan.

Een duistere tekst blijft 1 Korintiërs 15:29 over een mogelijk plaatsvervangend dopen ‘voor de doden’. We beperken ons tot de vaststelling dat Paulus hier in het kader van een polemiek spreekt over een verder nergens genoemd gebruik. Dat hier een positief te interpreteren ritueel in de vroege kerk zou worden aangeduid, is daarom zeer twijfelachtig.

De doop in de overige brieven en Openbaring

Een belangrijke passage, die het klassiek-reformatorische doopgebed vergaand heeft beïnvloed, is 1 Petrus 3:20-22. De doop wordt hier beschreven als ‘tegenbeeld’ (antitupos) van de zondvloed. Zoals Noach en de zijnen, slechts acht zielen, door het water heen werden gered, zo ‘redt u thans de doop’. De omschrijving ‘een bede van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus’ verbindt de doop met de noties bekering/geloof (het woord ‘bede’ herinnert mogelijk aan een liturgisch doopgebed) en Pasen.

Een verwijzing naar de doop bevat ook Hebreeën 10:22. In oudtestamentische offerterminologie spreekt de auteur over ‘een hart, dat door besprenging gezuiverd is van besef van kwaad’ en ‘een lichaam dat gewassen is met zuiver water’. Zoals Christus de oudtestamentische offerdienst vervulde, zo brengt de doop de priesterlijke besprenging met offerbloed en rituele waterwassingen tot hun hoogste doel.

In 1 Johannes 5:6-8 verwijst het ‘water’ in de trits ‘Geest-water-bloed’ mogelijk naar de doop. De verbinding van het water met het verzoenende bloed van Christus vinden we ook in de gedachte van het wassen en wit maken van de gewaden in het bloed van het Lam in Openbaring 7:14 (vgl. Op. 22:14). Ook hier klinkt wellicht de dooppraktijk van de eerste gemeente door.

Kern

Het spreken over de doop in de Bijbel is rijk en geschakeerd. Een consistente lijn in de geschriften van het Nieuwe Testament is de verbinding van de christelijke doop met Jezus Christus, de Heilige Geest en de gemeente. Reiniging, heiliging en inlijving in de gemeenschap der heiligen zijn daarbij kernthema’s. Derhalve symboliseert en initieert de doop de brede rijkdom van het leven van een christen in de navolging van zijn/haar Heiland.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: hart, Geest.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken