Door de tijd heen
1e zondag na Epifanie (Jesaja 55,1-11 en Marcus 1,1-11(13))
Goed nieuws! Dat is zowel het opschrift van het Marcusevangelie als de kern van de zondagslezingen. Het vreugdevolle nieuws bevat een uitnodiging van Godswege, die perspectief en nieuw leven biedt, maar ook uitdaagt om andere wegen te gaan.
Waar begin je een verhaal met een eeuwenlange voorgeschiedenis, dat bovendien ook nog verder gaat dan het vertelde? Marcus start zijn Jezusverhaal met: ‘Begin van het goede nieuws van Jezus Christus’. De kern van het evangelie staat zo vast: al wat volgt is een vreugdevolle boodschap die betrekking heeft op Jezus, de Gezalfde, de Messias. En dat is nog maar het begin. Het evangelie zelf vangt aan met een duiding vanuit de joodse geschriften: ‘zoals geschreven staat…’ trad Johannes op. De toon is hiermee gezet: het verhaal over Jezus begint tegelijk ook veel vroeger, het heeft wortels in Gods weg met het volk Israël door de tijd heen.
Keer u om!
Voorafgaand aan de eerste verschijning van Jezus, staat de oproep tot bekering door Johannes de Doper. Ook Jezus zelf zal daartoe oproepen bij zijn aankondiging van het Rijk Gods (Marc. 1,15). Dit gebeuren wordt geduid door een verwijzing naar de joodse profetische literatuur, waarbij twee citaten vermengd worden: Maleachi 3,1: ‘Zie, Ik zend mijn bode die de weg voor Mij zal banen… in wie jullie welbehagen hebben’, en Jesaja 40,3: ‘Een stem van iemand die roept in de wildernis “bereid de weg van JHWH. Maak recht een heirweg in de woestenij voor onze God”.’ In de visie van Maleachi zal de bode (en ook God zelf) het volk uitzuiveren, zoals het vuur van een smid het zilver uitzuivert. God zal rechtspreken, en daarbij niet aarzelen om te getuigen tegen wie onrecht pleegt, zoals bij het uitbuiten van dagloners en het verdrukken van weduwen en wezen (Mal. 3,2-5).
Het uiteindelijke doel is echter niet de bestraffing, maar de bekering. God zal zich naar het volk toekeren als het volk naar God omkeert (Mal. 3,7). Ook Jesaja 55,7 verklaart dat God zich zal ontfermen over de onrechtvaardige die naar Hem terugkeert, God zal hem vergeven. In de duiding door Marcus worden de bekering en het inslaan van nieuwe wegen samen uitgedrukt in het beeld van het banen van een brede, rechte weg waardoor God ruim baan krijgt.
Mijn bode gaat voor je uit
De bode gaat aan iemand vooraf. Bij Maleachi gaat hij duidelijk aan God zelf vooraf. Ook bij Jesaja is God degene die na de bode zal komen. Maar in de manier waarop Marcus het formuleert, vindt een verschuiving plaats: de voorbode gaat voor ‘jou’ uit om ‘jouw’ weg te banen, om de weg voor de Heer voor te bereiden. Wie is die ‘jou’? En is de ‘jou’ en ‘de Heer’ in Marcus’ ogen dezelfde persoon (namelijk Jezus)? Of is Jezus de tussenpersoon tussen de eerste bode (Johannes) en de komst van God (de Heer)? Ik neig naar de laatste interpretatie, omdat de prediking van Jezus verwijst naar het naderende koningschap
van God.
In Maleachi heeft het volk welbehagen in de aangekondigde bode (Mal. 3,1). Hoewel het volk verlangend uitkijkt naar bevrijding, laat Marcus het in het midden of het volk welbehagen heeft in Jezus. Dat zal uit het vervolg moeten blijken. Maar hij laat er geen twijfel over bestaan: God heeft welbehagen in zijn geliefde Zoon (Marc. 1,11; zie ook Jes. 42,1).
De doop van de gedoopte
Bij monde van Johannes verduidelijkt de evangelist wie hij met ‘jou’ bedoelt zonder hem bij name te noemen (1,6-7): iemand die sterker is dan hijzelf, die met Geest zal dopen. Het beeld dat hijzelf niet waardig is om zijn schoeisel los te maken, geeft aan hoeveel hoger hij degene acht die na hem komt (de uitdrukking kan wijzen op een volgeling van Johannes). De gevolgtrekking dat het hierbij om Jezus gaat, moeten de lezers zelf trekken op basis van de gebeurtenissen.
Volgens het Marcusevangelie doopt Jezus ook niet zelf, niet met water en niet met de Geest. Marcus alludeert hiermee op het vervolg van zijn goede nieuws over Jezus, dat verder reikt dan het verhaal dat hij opschrijft: de christelijke gewoonte van de doop. Gods Geest daalt bij zijn doop over Jezus neer (1,10). Deze Geest blaast Jezus uit bij zijn sterven (de enige vorm van ‘met Geest dopen’ in dit evangelie), waarbij de honderdman hem erkent als de Zoon van God. Impliciet verwijst Marcus zo naar de betekenis van de doop bij de christelijke gemeenschap waar hij deel van uitmaakt: wie zich tot christen laat dopen, ontvangt de Geest en erkent Jezus als Messias, de Zoon van God.
Het leven gevende water
Water is, als belangrijk element van het overleven, ook sterk symbolisch geladen. Zo speelt het een belangrijke rol in de joodse reinigingsgebruiken. ‘Door stromend water gaan’ herinnert bovendien aan belangrijke verhalen: de doortocht door de Zee bij de uittocht (Ex. 15) en de doortocht van de Jordaan als het volk het land binnentrekt (Joz. 3–4) – weg uit het slavenland, een nieuw leven in het Beloofde Land tegemoet. Voeg hieraan toe dat Johannes oproept tot bekering, en de symboliek van het afleggen van de oude levensweg om Gods weg te gaan is duidelijk.
Jesaja 55 roept de toehoorder op om naar het water te komen, en gratis te genieten van water, voedsel, melk en honing. De profeet roept op om te investeren in wat echt leven biedt: Gods betrouwbare woord. Onder invloed van onder meer de Johannesproloog herkent men in de christelijke traditie Jezus in het Woord dat neerdaalt als regenwater dat in de aarde alles tot vruchtbaarheid laat ontkiemen, en slechts als het zijn doel heeft bereikt naar God terugkeert. Aan die beweging neemt ook de gedoopte deel.
Deze exegese is opgesteld door Ine Van Den Eynde.