Door de zee liep uw weg
6e zondag van de zomer (Jesaja 63,7-14, Psalm 114 en Marcus 6,45-52)
In drie van de teksten die vandaag op het leesrooster staan, speelt de uittocht uit Egypte een sleutelrol in het besef van wie God is, in Jesaja 63 staat Gods luisterrijke leiding uit Mozes’ tijd in schril contrast met de opstandigheid en verlatenheid die het volk nu ervaart, in Psalm 114 wordt op gestructureerde wijze de reactie van de wateren en hoogten bezongen wanneer het volk wegtrekt uit Egypte. In Marcus 6 lijkt de doortocht door de Rode Zee te fungeren als subtekst bij Jezus’ waterwandeling.
Waar is Hij die zijn volk door de zee voerde?
De Jesajalezing is onderdeel van een klaaglied van het volk (Jes. 63,7–64,12). Deze tekst is waarschijnlijk geschreven rond 560-550 v.Chr. als reactie op de verwoesting van de tempel (587 v.Chr., zie 64,9-10) en de wegvoering van Joden binnen het Babylonische Rijk. De achterblijvers gingen door een tijd van gemis en teleurstelling in God. Het metrum, een langere eerste en een kortere tweede versregel, is kenmerkend voor een klaaglied (qina). Dit klaaglied is vergelijkbaar met andere gemeenschappelijke klaagpsalmen zoals Psalm 44, 74 en 77.
Het klaaglied begint met een terugblik op Gods vroegere daden, waarin Hij wordt beschreven als krachtige Redder en liefhebbende Ontfermer. Opmerkelijk is hierin de zinsnede ‘in hun nood was ook Hijzelf in nood’ (63,9). De Septuaginta plaatst vers 9a bij vers 8, en neemt zo op harmoniserende wijze de theologische spanning uit de tekst weg. In sterk contrast met Gods trouw staat de opstandigheid van het volk. Ze erkennen hun zonde. Er staat zelfs dat ze zijn heilige Geest hebben bedroefd of gekrenkt (63,10b). Het contrast van Gods luisterrijke leiding in de tijd van Mozes en de Godverlatenheid van nu heeft hiermee te maken (cf. 63,14).
Het was namelijk de geest van de HEER die rust gaf. In de tekst die volgt (63,15–64,12) komt op verschillende manieren de volgende tendens terug: het volk pleit op Gods vaderhart om zijn aangezicht weer naar het volk toe te wenden, het volk klaagt God aan dat Hij heeft toegestaan dat Israël is afgedwaald en het volk erkent schuld.
De zee zag en vluchtte
Psalm 114 heeft een consistente poëtische structuur. Het lied bestaat uit vier strofes die volgens een ABB’A’-structuur verband met elkaar houden. Elke strofe bestaat uit twee verzen. De verzen bestaan elk uit vier versregels. Vers 1a is parallel aan vers 1b, heel vers 1 is parallel aan vers 2, en binnen vers 2 is 2a parallel aan 2b. Deze sterke, consistente structuur is doorgevoerd in de hele psalm.
Inhoudelijk verbindt de psalm scheppingsmotieven (goddelijke kracht over chaotisch water) en de exodustraditie met elkaar. Israël trekt weg uit Egypte naar hun nieuwe koninkrijk (vs. 1), wat een reden is dat de aarde danst voor God (vs. 7). De psalm geeft de reactie van de kosmische wereld op Gods bevrijdende handelen. Het water trekt zich terug (vs. 3) en hoogten springen op (vs. 4). Door middel van personificatie en wisseling naar de tweede persoon en naar de tegenwoordige tijd wordt aan hen gevraagd waarvoor het water dat doet (vs. 5) en waarom de hoogten dat doen (vs. 6). De omlijsting van de psalm (vs. 1-2, 7-8) is aanleiding en antwoord daarop. Het water refereert specifiek aan de doortocht door de Rode Zee en de Jordaan.
Naar de overkant
In Marcus 6,45-52 (parallel: Mat. 14,22-33; let op de verschillen) gebiedt Jezus de leerlingen om naar de overkant van het meer te varen, naar Betsaïda. Ondertussen trekt Jezus zich terug om te bidden op een berg (cf. 1,35). Bas van Iersel geeft een goede vertaling van hoe Jezus de leerlingen ziet zwoegen over zee: ‘Hij ziet hoe ze zich afbeulen bij het roeien – want ze kampten met tegenwind’ (6,48).1
Het gaat hier niet zozeer om het levensgevaar van de discipelen en Jezus’ reddende kracht over de storm zoals in Marcus 4,35-41. Dat het hier om iets anders gaat, blijkt ook uit Jezus’ voornemen om de boot voorbij te lopen. Deze geheimzinnige daad past goed bij hoe Marcus over Jezus vertelt.
Jezus openbaart zich als de Zoon van God, maar er ligt altijd een zweem van mysterie omheen. In hardleerse harten landt dit niet zomaar (cf. 6,52, 8,17). Jezus’ waterwandeling vindt plaats tijdens de vierde nachtwake (6,48), wat volgens de Romeinse telling betekent dat het rond drie uur in de ochtend was. De discipelen raken in paniek van de buitengewone verschijning (Gr.: fantasma) die ze denken te zien. Hun reactie laat een geestelijke achteruitgang zien ten opzichte van Marcus 4,41. Toen vroegen ze: ‘Wie is Hij?’ Nu denken ze dat Jezus een spook is. Jezus’ reactie is een stuk bemoedigender dan in hoofdstuk 4. Toen verweet Jezus hun gebrek aan vertrouwen, nu spreekt Jezus ze moed in met twee complementaire en parallelle imperatieven (6,49).
Het is opvallend dat het schip aankomt in Gennesaret, ongeveer 15 km ten westen van Betsaïda, met Jezus aan boord. Jezus’ aanwezigheid is nodig om hen door het water heen te leiden. Uitleggers brengen deze thematiek in verband met de exodus en in het bijzonder de doortocht door de Rode Zee. Een parallel tussen het teken van de broden (6,30-44) en het geschenk van manna is gauw gelegd. In dit licht is het goed mogelijk dat ‘Ik ben het’ (6,51) verwijst naar de Godsnaam in Exodus 3. Het is een discussiepunt of deze nauwe verbinding met de exodus in Marcus zelf aanwezig is. Sommige uitleggers verbinden dit motief aan een eerdere traditie die vooral terug te vinden is in Matteüs.
Deze exegese is opgesteld door Lydia de Kok-Meeuse.
- Iersel, Bas van. Marcus: uitgelegd aan andere lezers. Baarn: Gooi en Sticht, 1997, 214 ↩︎