Door de Zoon, in de Geest: de trinitarische inzet van de kerkdienst
Tijdens kerkdiensten in met name de gereformeerde traditie is het een veel voorkomend gebruik dat de voorganger aan het begin van de dienst een groet uitspreekt waarvan de woorden zijn ontleend aan het begin van brieven uit het Nieuwe Testament: ‘Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus’ (bijv. Rom. 1,7; 1 Kor. 1,3). Ter onderscheiding van de groet die tussen voorganger en gemeente in wisselspraak plaatsvindt, wordt deze groet ook wel de apostolische groet genoemd.[1] Nu heeft het groeten in de kerkdienst een andere functie dan in het dagelijkse verkeer tussen mensen. De groet heeft vooral de functie gekregen van een oproep om aandacht.[2] Hij markeert de overgang tot belangrijke momenten in een dienst: het begin van de dienst, de lezing uit de Schriften, de viering van de Maaltijd van de Heer. De eerste groet, aan het begin van de dienst, zet de toon. De bewoording maakt direct duidelijk in welk kader de samenkomst die nu begint plaatsvindt.
De apostolische groet kan men als de tegenhanger van een votum beschouwen. In de Rooms-katholieke, de lutherse, de anglicaanse traditie begint de voorganger een eucharistieviering of hoofddienst met het uitspreken van een votum of toewijdingsspreuk: ‘In de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest. ’ Deze vieringen of diensten worden vanaf het begin in het kader van de Drie-ene God geplaatst. Dat lijkt ook de functie van de apostolische groet aan het begin van een kerkdienst te zijn. Zo verantwoordt Van der Velden bijvoorbeeld zijn voorkeur voor de apostolische groet onder andere met dat de kernwoorden waarom het in de ontmoeting tussen de drieënige God en zijn gemeente gaat – genade en vrede – meteen worden genoemd.[3] Degene die dan in de groet onbenoemd blijft, is de heilige Geest. Dat deze omissie wordt gevoeld, blijkt uit het feit dat veel voorgangers naar trinitarische verbreding zoeken door de apostolische groet te besluiten met ‘in de gemeenschap van de heilige Geest’. Desondanks hebben de samenstellers van het Dienstboek voor de Protestantse Kerk in Nederland, uitsluitend voor traditionele, dat wil zeggen: Bijbelse, bewoordingen gekozen[4], alhoewel er ook andere vormen van de apostolische groet voor handen waren.[5]
In dit artikel wil ik pleiten voor een apostolische groet die trinitarisch is verbreed, en wel in de volgende vorm: ‘ Genade zij u en vrede van God, onze Vader, door Jezus Christus, de Heer, in de heilige Geest. ’ Deze vorm van groeten zet de kerkdienst niet alleen in een trinitarisch kader maar plaatst de aanwezigen tegelijk in relatie tot de Drie-ene God. In het vervolg zal ik eerst ingaan op het op tweeërlei wijze ter sprake brengen van God om vervolgens terug te keren bij de apostolische groet.
Tweeërlei manier om over God te spreken
De apostolische groet heeft zijn achtergrond in de formulering van een zegenspreuk zoals die in het Jodendom ten tijde van Paulus gangbaar was.[6] Wellicht heeft Paulus zelf het ‘vrede zij u’ of ‘barmhartigheid zij u en vrede’ gewijzigd in ‘genade zij u en vrede’. ‘Genade’ sloot niet alleen nauwer aan bij het Griekse woord voor groeten (chairein), maar heeft vooral een diepere betekenis. Genade en vrede duiden namelijk beide op het heil dat God voor de mensen heeft bestemd. Als de bron van genade en vrede worden zowel God als Jezus Christus genoemd. Ten opzichte van joodse zegenspreuken is de apostolische groet binitarisch verbreed. Deze verbreding is waarschijnlijk van de hand van Paulus.[7]De heilige Geest wordt door Paulus niet genoemd omdat de Geest in het nieuwtestamentische tijdvak nog als een onpersoonlijke macht werd beschouwd. Dat verandert definitief tijdens de triniteitstheologische controverse van de vierde eeuw.
De triniteitstheologische controverse ging over de positie van de Zoon en de heilige Geest ten opzichte van God de Vader.[8] In 318 komt Arius (ca. 256-336), een presbyter in de kerk van Alexandrië, in conflict met zijn bisschop over de positie van de Zoon. Volgens hem is de Zoon vóór de tijd door de wil van God uit het niets voortgebracht. Uit deze opvatting laten zich ten minste twee conclusies trekken. De eerste is dat er vóór de schepping eens (een tijd) was waarin de Vader zonder de Zoon zou zijn geweest. De tweede is dat de Vader en de Zoon geen gemeenschappelijke natuur hebben. Met name deze tweede conclusie was voor de bisschop van Alexandrië onaanvaardbaar omdat het zo voor de Zoon onmogelijk zou zijn de Vader volledig te openbaren. De hieruit voortgekomen controverse beheerste de kerk in het Oosten bijna de hele vierde eeuw. In de laatste decennia ging het daarbij niet meer alleen over de positie van de Zoon maar ook over die van de heilige Geest. Behalve de vraag naar zijn natuur, speelde ook de vraag naar het persoon-zijn. De triniteitstheologische controverse kwam formeel ten einde tijdens het tweede oecumenische concilie te Constantinopel in 381. De daar aanwezige bisschoppen stelden een geloofsbelijdenis op – de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel – waarbij de achterliggende overtuiging was dat de Vader, de Zoon en de heilige Geest drie onderscheiden gestalten van God zijn. Zo wordt er van de heilige Geest gezegd dat hij samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt. Vader, Zoon en heilige Geest hebben een gemeenschappelijke natuur en moeten op grond daarvan op een gelijkwaardige wijze ter sprake worden gebracht.
Met de aanvaarding van de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel waren de theologische opvattingen van Arius niet verdwenen. Volgens Arius was de Zoon (en de heilige Geest) middelaar tussen enerzijds God en anderzijds de schepping. De Zoon was tevens het eerste schepsel. In de voorstelling van Arius waren God, de Zoon en de heilige Geest naar hun wezen hiërarchisch gerangschikt en dus moest het spreken over hen ook op zodanige wijze geschieden dat duidelijk wordt dat de Zoon en de heilige Geest ondergeschikt zijn aan God. Door de triniteitstheologische controverse kwam deze wijze van spreken in de loop van de vierde eeuw onder de verdenking te staan van het hebben van ariaanse sympathieën. De tot dan toe veel gebruikte doxologie Gloria patri, per filium, in spiritu sancto raakte bijgevolg in onbruik en werd vervangen door doxologieën waarin aan Vader, Zoon en heilige Geest op gelijke wijze eer wordt gebracht. Het bekendste voorbeeld daarvan is de zogenaamde kleine doxologie: Gloria patri, et filio, et spiritui sancto. Sicut erat in principio, et nunc, et semper, et in sæcula sæculorum.
Een van de voormannen in de triniteitstheologische controverse van wat later de orthodoxie zou worden, is Basilius van Ceasarea (ca. 300-379). In 375 verschijnt van zijn hand een verhandeling over de heilige Geest: De spiritu sancto. Directe aanleiding tot het schrijven van deze verhandeling is de ontstane verwarring met betrekking tot de door hem gebruikte doxologieën waarmee hij zijn gebeden in de kerk beëindigt. De ene keer brengt Basilius God de Vader namelijk eer ‘met (meta) de Zoon samen met (sun) de heilige Geest’ en een andere keer ‘door (dia) de Zoon in (en) de heilige Geest.’ Dit zijn in de ogen van sommige aanwezigen vreemde en met elkaar in tegenspraak zijnde woorden.[9][10] Volgens hem zijn het echter twee manieren om God onder een verschillend gezichtspunt eer te brengen. Bij de eerste doxologie ligt de nadruk op de gelijkwaardigheid van Vader, Zoon en heilige Geest, terwijl bij de tweede doxologie de nadruk ligt op de genade die ons van Godswege wordt geschonken.[11]
De door Basilius gebruikte doxologieën corresponderen met twee manieren van spreken over God die in de systematische theologie bekend staan als theologia en oikonomia. Deze twee manieren sluiten elkaar geenszins uit, maar geven elk een ander gezichtspunt waaronder God ter sprake kan worden gebracht. In de theologia gaat het over de Drie-ene God zoals Hij naar zijn wezen is. Vader, Zoon en heilige Geest zijn dan op grond van hun gemeenschappelijke goddelijke natuur drie gelijkwaardige personen. Voor het spreken betekent dit dat zij gecoördineerd ter sprake moeten worden gebracht, dat wil zeggen: Vader, Zoon en heilige Geest zijn in rang aan elkaar gelijk. In de oikonomia gaat het over de Drie-ene God zoals Hij zich openbaart in zijn handelen in de tijd. Voor het spreken betekent dit dat de Zoon en de heilige Geest gesubordineerd aan de Vader ter sprake moeten worden gebracht, dat wil zeggen: in Gods handelen zijn de Zoon en de heilige Geest ondergeschikt aan de (wil van de) Vader. Deze wijze van spreken doet overigens niets af van hun gelijkwaardigheid naar hun wezen.
Hoewel Basilius in De spiritu sancto vooral een pleidooi houdt om over Vader, Zoon en heilige Geest te spreken als drie gelijkwaardige personen binnen de godheid, vinden we in zijn verhandeling ook uitspraken waarin de Zoon en de Geest ondergeschikt zijn aan de Vader. Al deze uitspraken gaan over Gods handelen waarbij de Vader ‘de eerste oorzaak van wat bestaat’ is, de Zoon ‘de scheppende oorzaak’ en de heilige Geest ‘de voltooiende oorzaak’.[12] Vader, Zoon en heilige Geest vertegenwoordigen als het ware drie ‘stadia’ die elke handeling van God uit omvat.[13][14] De Vader neemt daarbij het initiatief terwijl de Zoon en de heilige Geest belast zijn met de uitvoering. Deze opvatting was niet nieuw. Ook in het Nieuwe Testament zien we dat de Zoon namens God de Vader handelt, onder andere als middelaar bij de schepping (Joh. 1,3; 1 Kor. 8,6; Kol. 1,16v. ; Hebr. 1,2).
De opvatting dat de Zoon en de heilige Geest in opdracht van God de Vader handelen, heeft bij een andere kerkvader een mooi beeld opgeleverd. Irenaeus van Lyon (gestorven ca. 200) spreekt in dit verband over de handen van God. De Zoon en de Heilige Geest zijn de twee handen waarmee God de Vader de mens schiep.[15][16] Deze wijze van spreken is bij Irenaeus veeleer een geliefde trinitarische metafoor dan een antropomorfisme. Dat deze metafoor niet zuiver theoretisch is, werd mij duidelijk tijdens een training voor voorgangers in de eredienst. Een predikant die verbaal vastliep, werd uitgedaagd om het gezag op grond waarvan zij sprak te visualiseren. Op haar verzoek kwam een van de trainers achter haar staan en deed haar armen zodanig om de predikant heen dat de handen van de trainer de armen van de predikant aan de voorkant raakten. De predikant stelde zich zo God voor die achter haar stond en haar op die manier steunde tijdens het voorgaan in de kerkdienst. Het beeld is veelzeggend. De persoon van de trainer bleef buiten het gezichtsveld van de predikant, maar de handen van de trainer kon zij wel zien én voelen. Het ging dus ook over de ervaring van het aangeraakt worden, en wel door twee handen van dezelfde persoon. De predikant had immers ook voor een hand op haar schouder kunnen kiezen, maar dat deed ze (onbewust) niet. De visualisatie vertelt ons iets over haar Godsbeeld. Ik vul in: de persoon van God de Vader is transcendent. Hij valt buiten haar gezichtsveld maar ze weet dat Hij er is vanwege de twee handen die zij ziet én voelt. De twee handen zijn de Zoon en de heilige Geest. Zij vertegenwoordigen de immanente aspecten van God omdat ze ervaarbaar zijn. Het beeld dat de predikant met behulp van de trainer neerzette, legt ons het trinitarisch dogma uit: God is één, en zijn wezen omvat zowel transcendente als immanente aspecten. Beide aspecten zijn essentieel voor het christelijke godsbeeld. Enerzijds overstijgt God ons begrip zonder daarbij louter een abstractie te worden omdat Hij zich anderzijds ook laat kennen in de geschapen werkelijkheid: door de Zoon, in de Geest.
De apostolische groet trinitarisch verbreed
Zoals gezegd, stelt de groet aan het begin van de kerkdienst het kader waarbinnen deze plaatsvindt. De gemeente komt bijeen in naam van God die zich laat kennen als Vader, Zoon en heilige Geest. Dit betekent mijns inziens dat de groet aan het begin van de kerkdienst dan ook een trinitarische structuur moet hebben.
Naast het aanbrengen van een kader, plaatst de groet de aanwezige gelovigen ook in een specifieke relatie tot God doordat hun genade en vrede namens God wordt toegezegd. De gemeente is niet alleen toehoorder als de voorganger de groet uitspreekt, maar ook object van de groet van genade en vrede. Evenals de zegen is de groet in de liturgie uitdrukking van het komen van God tot de mensen. Uit het voorgaande mag duidelijk zijn geworden dat hier een gesubordineerde wijze van spreken over God gepast is. Genade en vrede komen immers van God door Christus in de heilige Geest tot de gelovigen. De gemeente kan deze groet beamen. Dat verdient mijn voorkeur omdat zij daarmee bevestigt in een relatie van genade en vrede tot God te staan. Met de trinitarisch verbrede apostolische groet is gelijk de toon gezet voor het verdere verloop van de kerkdienst.