Menu

Premium

Doorlezen tot het eind

Leeswijzer bij de brief aan de Romeinen

Het oecumenisch leesrooster van de Raad van Kerken geeft voor de eerste vijf zondagen van de zomer, bij wijze van alternatief lezingenspoor, een serie perikopen uit de brief aan de Romeinen in combinatie met lezingen uit de deuterocanonieke boeken Jezus Sirach en Wijsheid. Omdat de Romeinenbrief van Paulus bekendstaat als een zwaar verteerbaar geschrift, wil ik in onderstaand artikel pleiten voor een andere blik op de tekst. Een ondoorzichtig bijbelboek dan zomaar transparant blijken te zijn.

In 2009 publiceerde Gerard Koolschijn zijn vertaling van de brief van Paulus aan de Romeinen. Deze classicus is een gelauwerd vertaler van antieke Griekse en Romeinse literatuur. Paulus kent hij op een bepaalde manier van huis uit, want zijn vader was de rechterhand van de ultraorthodoxe predikant J.P. Paauwe, wiens stichtelijke oefeningen in de Haagse woning van de familie Koolschijn plachten plaats te vinden. Koolschijn draagt zijn vertaling op aan zijn vader en aan Paauwe, maar besluit de opdracht met de woorden: ‘… hoewel beiden toen zij leefden een onbekeerde vertaler het vertalen van een bijbelboek zouden hebben ontraden’. Koolschijn wilde met zijn vertaling de ware Paulus laten klinken, de Paulus van wie elk zinnig mens zien dat hij een religieuze extremist is, dat hij abjecte dingen zegt, dat hij zichzelf tegenspreekt. Kerkelijke vertalingen dekken dat min of meer toe met confessioneel taalgebruik, bijvoorbeeld door Paulus zichzelf een ‘dienaar’ van Christus te laten noemen, terwijl er natuurlijk ‘slaaf’ staat. Zoals kerkelijke vertalingen ook de zinnen waarin Paulus zich vastwerkt, de niet-lopende zinnen, netjes ombuigen tot een goedlopend betoog. Ik de vertaling van Koolschijn van harte aanbevelen. De vertaling leest goed, en bemiddelt een heel goed contact met de tekst van Paulus. En het is een voordeel dat anakoloeten en andere onregelmatigheden van de tekst eruit springen: die horen bij een brieftekst waarin een auteur niet wil oreren, maar vooral wil communiceren. Het was niet Koolschijns bedoeling, maar ik vind dat hij Paulus een heel goede dienst heeft bewezen. Maar zonder het zelf te beseffen zit ook Koolschijn blijkbaar nog verstrikt in een al te kerkelijke lezing van de tekst.

Brieven lezen

Wie een brief leest, moet doorlezen. Ik heb weleens meegemaakt dat ik aan iemand een brief schreef over een delicate kwestie, en dat die brief door de ontvanger in mijn bijzijn werd gelezen, omdat ik hem persoonlijk overhandigde. Als de lezer dan halverwege de brief al begint te reageren, hoor ik mezelf zeggen: ‘Lees hem nou eerst eens uit voordat je wat zegt.’ Want een brief heeft zijn eigen wetmatigheden, ook als je die niet bewust zo construeert. Je moet eerst bij je lezer binnenkomen, met complimenten of een liefdesverklaring of goede herinneringen. Dan ga je behoedzaam je thema ontvouwen. Al schrijvend probeer je elk mogelijk afhaakmoment te ondervangen, bijvoorbeeld door pijnlijke vermaningen te compenseren met eigen bekentenissen, totdat je hele punt is gemaakt. Het is absoluut niet de bedoeling dat een lezer al conclusies uit je verhaal trekt als hij pas halverwege is. Daar gaat het bij de kerkelijke lezing al eeuwenlang mis: wij trekken al vanaf het eerste hoofdstuk onze conclusies, uit elke regel afzonderlijk. Per vers, waarmee we naar mijn vaste overtuiging een letterlijk perverse Pauluslezing krijgen. Terwijl Paulus met zijn hele, lange betoog eigenlijk maar één overtuiging wil overbrengen, schrijven wij hem in vuistdikke commentaren een lijst van honderden leerstellige beweringen toe.

Retorische exegese

Ik wil hier graag reclame maken voor een manier van brief-lezen die ik mij – ook voor de Bijbel – al lang geleden heb eigen gemaakt. Elke keer als ik een perikoop uit een nieuw-testamentische brief moet bespreken, lees ik de hele brief door. Liefst hardop. Dat kost in het geval van Romeinen een uur, maar het geeft je een hoeveelheid context die je nooit met een uur lezen in handboeken kunt vergaren. Het meest effectief is het wanneer je je probeert voor te stellen dat je zelf die brief hebt geschreven, en dat je daarmee een publiek aan het masseren bent – zoals het schrijven van een brief over delicate zaken vrijwel altijd masseren is. Veel uitspraken zijn niet een zelfstandige inhoudelijke bewering, soms worden ze als bewering een stukje later ingetrokken of gerelativeerd – het zijn bewegingen waarmee de lezer een kant op geduwd, getrokken of gewrikt wordt.

Dat is een belangrijk inzicht dat we te danken hebben aan de retorische exegese, een leeswijze die in de late jaren zeventig in Nederland werd geïntroduceerd, met name door rooms-katholieke exegeten die tegemoetkwamen aan de nieuwe belangstelling voor de Bijbel onder katholieke gelovigen. In 1980 publiceerde Gijs Bouwman zijn boekje Paulus aan de Romeinen, met daarin een uitgebreide verantwoording van de retorische leesmethode.

In de jaren daarna gaf ik een tijd lang exegeselessen aan theologiestudenten in Polen, waar toen nog niet vrijelijk gekopieerd mocht worden. Ik kalligrafeerde toen menige perikoop, en soms schreef ik een hele Paulusbrief over – eerst uit armoe, maar het bracht me zo veel inzicht dat ik die methode daarna altijd trouw ben gebleven. Per saldo bespaart het veel tijd!

Lange lijnen

Als ik de brief aan de Romeinen in een uur hardop aan mezelf voorlees, zoals hij ooit, toen de inkt nog vers was, ook in samenkomsten integraal moet zijn voorgelezen, vallen me vooral de lange lijnen op. Paulus is vooral met één groot thema bezig dat erg belangrijk voor hem is. Er zijn onderweg soms argumenten of betoogstappen waarmee ik het niet eens ben of die ik ongelukkig gekozen vind, maar los van de vraag of ik dan gelijk heb: ik wil wel de grote lijn blijven volgen om de centrale boodschap te beluisteren, dus datgene waarom het Paulus vooral te doen is. Want dat kennen we ook uit ons eigen leven, bijvoorbeeld bij vergaderingen, dat je in een gloedvol betoog betrapt wordt op een ongelukkig voorbeeld, en dat een ander zich daar zó in vastbijt dat je eigenlijke intentie niet meer tot zijn recht komen. Op een voorbeeld uit Romeinen kom ik verderop nog terug.

Geloof en rechtvaardiging

Als ik de brief als geheel overzie, valt me op dat het geen ‘basisboek christelijk geloof’ is: het verhaal over Jezus (wie hij was, de betekenis van zijn woorden en daden) wordt bekend verondersteld, zoals ook de joodse traditie waaruit Jezus stamt, bekend wordt geacht. Het verhaal wordt niet verteld; dat leeft blijkbaar voldoende bij de lezers.

De impliciete vraag waarop Paulus met deze brief ingaat, is die naar het leven met dit verhaal: hoe kwalificeert jouw verbinding met Jezus Messias jouw eigen bestaan? Dat moet voortdurend in twee richtingen afgepaald worden – tegenover de ‘heidense’ wereld en tegenover het mozaïsche jodendom. De christelijke gemeente stamt uit het jodendom, maar het aantal toetreders ‘uit de heidenen’ neemt gestaag toe. Het instap-perspectief is dan onderling heel verschillend, en oordelen of vooroordelen over de andere groep liggen voor het oprapen. Hoe houd je zo’n ‘niet-joodse joodse beweging’ op een sterk gemeenschappelijk spoor? Dat alleen door heel direct terug te koppelen naar de kern: de verbinding met Jezus Messias. Die verbinding wordt aangeduid met de term ‘geloof’.

Als Paulus het over geloof heeft, gaat het dus niet zozeer om een theorie (geloofsleer). Het gaat om een gekwalificeerde relatie: het is geleefde verbondenheid met Jezus, die zich realiseert in je denken, spreken en handelen – ook in de manier waarop je oordeelt over anderen binnen en buiten de gemeente. Jezus kwalificeert ons allen als mensen die het van Gods vergeving moeten hebben. Wie leeft in verbondenheid met hem (dus ‘in geloof’), niet buiten die kwalificatie gaan staan en zich niet boven een ander verheffen vanuit een groot eigen gelijk.

Daarom komt in plaats van het eigen gelijk van deze of gene partij voor Paulus het begrip ‘rechtvaardiging’. De verbondenheid met Jezus (‘geloof’) brengt je binnen een ruimte van vergeving en aanvaarding – maar dat werkt dan wel alle kanten op: je kunt niet vergeving incasseren en vervolgens weigeren om zelf in die modus te leven. Zo sticht Jezus een milieu van wederzijdse aanvaarding waarin niemand het moet hebben van zijn of haar eigen gelijk. Wie binnen dat milieu (in de gemeente) leeft, zal dat ook voortdurend moeten vertalen in de eigen houding ten opzichte van medemensen die anders zijn dan hij- of zijzelf.

Geloof en werken

In de geleefde praktijk kunnen ‘geloof’ en ‘werken’ dus, ook volgens Paulus, nooit tegen elkaar worden uitgespeeld. Geloof uit zich in daden en oordelen, en dat is precies waarom Paulus met zo veel klem betuigt dat je niet tegelijkertijd kunt geloven en je kunt verheffen boven medegelovigen of boven Israël. Wie neerkijkt op de ander en onbarmhartig leeft, tast niet alleen de ander aan, maar ook de integriteit van zijn eigen geleefde verbondenheid met Jezus. Wat Paulus wél tegenover elkaar zet, is ‘geloof als rechtvaardigingsgrond’ en ‘werken als rechtvaardigingsgrond’. Niet je prestaties of je scores brengen je binnen in de ruimte van Gods heil. Maar betreed je die ruimte, dan heeft dat wel consequenties voor hoe je in het leven staat.

Die consequenties betreffen ook de manier waarop de gemeente over Israël spreekt, de manier waarop joden naar heidenen kijken, en de manier waarop christenen van verschillende afkomst elkaar beoordelen. De Romeinenbrief is een staaltje van ‘groepenmanagement’ vanuit de fundamentele inhoud van het geloof. Hier vallen ‘principieel’ en ‘praktisch’ volledig samen.

Retorisch spel

Omdat een brief gewoonlijk ‘overtuigingsliteratuur’ is, spelen retorische strategieën er een belangrijke rol. Een mooi voorbeeld is de eerste helft van Romeinen 14. Daar worden mensen die zich strikt aan voedselregels houden, of die heilige dagen strikt in acht nemen, getypeerd als ‘mensen met een zwak geloof’. Aan mensen die zich vrij voelen om alles te eten, vraagt Paulus om vooral begrip te hebben voor die zwakke broeders en zusters en hen niet te schofferen.

Paulus speelt hier, als ik het goed zie, een mooi spel met de bestaande verhoudingen. Want die zwakke mensen die volgens Paulus ‘alleen groenten eten’, zijn natuurlijk de gelovigen die zich aan de Tora houden en dus geen vlees van de niet-joodse markt kunnen eten. En met het in acht nemen van bijzondere dagen wordt, neem ik aan, de sabbatsheiliging bedoeld. Het valt te verwachten dat de joodse gelovigen die trouw bleven aan de mozaïsche leefregels zichzelf daarmee als het meer solide deel van de gemeenschap zagen. We kennen dat in veel religieuze gemeenschappen: de mensen die zich meer vrijheden veroorloven, moeten zich verdedigen omdat zij zich immers op een hellend vlak bevinden.

Maar Paulus keert de rollen om: hij definieert de gelovigen die zich vrij weten van de oude leefregels als de sterken, en degenen die eraan vasthouden als de zwakken – maar zegt dan wel dat de sterken de zwakken respectvol en met alle begrip tegemoet moeten treden. Zo schept hij ruimte en roept hij beide stromingen uit hun eigen gelijk vandaan. Het is vergelijkbaar met de manier waarop hij in het eerste hoofdstuk een poosje met de jood oploopt die over de heiden oordeelt, om dan plotseling te zeggen: maar je bent zelf precies zoals die heiden, dus als een boemerang treft je oordeel jouzelf. Dan gaat het er Paulus niet om zijn denkbeeldige gesprekspartner gevloerd te hebben, maar om tegenover alle oordeel en zelfrechtvaardiging het ‘geloof’, dus de verbondenheid met Jezus en het leven uit Gods vergeving, te verkondigen.

Ongelukkig voorbeeld?

Ten slotte nog het eerder beloofde voorbeeld van een opmerking van Paulus waarop hedendaagse lezers gemakkelijk kunnen afknappen, waardoor ze de lange lijn van het betoog uit het oog verliezen.

In Romeinen 1 maakt Paulus een opmerking over het ‘onnatuurlijke’ seksuele verkeer tussen mensen van gelijk geslacht. Het is voor de auteur een voorbeeld van menselijk handelen dat indruist tegen een door God gegeven orde – een orde die ieder mens ook wel kent zonder bijzondere openbaring, gewoon door naar zijn of haar innerlijk te luisteren. In 2014 zou Paulus daar beter een ander voorbeeld bij kunnen zoeken, bijvoorbeeld over mensen die elkaar de hersens inslaan in naam van een geloof dat liefde predikt. Tegelijkertijd is zijn voorbeeld, in de Romeinse context van destijds gezien, zo gek nog niet. In zijn andere brieven houdt seksueel verkeer tussen mensen van gelijk geslacht Paulus hoegenaamd niet bezig: het was bepaald niet een stokpaardje van hem. Maar laat nu juist Rome de plek zijn waar het zo ongeveer de norm was dat mannen, ongeacht hun geaardheid, het in de eerste etappe van hun volwassen bestaan met jongens deden om pas later een vrouw te trouwen. Dat was zozeer de norm dat er soms wetgeving en premies bij kwamen kijken om mannen eerder te laten trouwen, zodat de Romeinse bevolking getalsmatig op peil bleef. Naar seksuele geaardheid werd in die maatschappelijke praktijk niet gevraagd, al was het maar omdat het hele begrip daarvan nog niet bestond. Dus geaardheid is ook niet wat Paulus op de korrel neemt – eerder een toegeven aan een sociale dwang waarvan Paulus meende dat iedereen diep van binnen drommels goed wist dat die niet deugde. De betoogstap waarin het voorbeeld valt, is niet tegen homo’s gericht, maar tegen joden die zich beroemen op het bezit van Gods wet. Ieder mens draagt tot op zekere hoogte Gods wet in zijn innerlijk, beweert Paulus.

Dat is de kunst van het brieflezen: niet elk zinnetje willen oogsten en zodoende bewering op bewering stapelen, maar in de lange betooglijn beluisteren waar de schrijver met zijn lezers heen wil. Waarna het altijd boeiend is om ook de tussenstapjes van dichtbij te bekijken.

Literatuur

Paulus. Aan de Romeinen, vertaald door Gerard Koolschijn, : Athenaeum, Polak & Van Gennep 2009.

P.J.E. Chatelion Counet, Genie of misgeboorte. Zeven vooroordelen over de apostel Paulus, Heerenveen: Jongbloed 2009.

G. Bouwman, Paulus aan de Romeinen. Een retorische analyse van Romeinen 1-8 (Cahiers voor levensverdieping 32), Averbode: Abdij Averbode 1980.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken