Menu

Premium

Draagt en verdraagt elkaar

Bij Numeri 11,24-29, Psalm 19,8-15, Jakobus 4,11-17 en Marcus 9,38-50

Rondom het heiligdom in de woestijn horen we regelmatig over de wolk, teken van Gods zich verbergende aanwezigheid in deze tent van getuigenis en ontmoeting. Die wolk gaat ook met de Israëlieten mee als teken van Gods bescherming onderweg, overdag voor hen uit en ’s nachts als beschutting achter hen. God gaat mee onderweg, daarvan zijn de verhalen overtuigd.

Het is moeilijk, bijna onmogelijk, te leven in de woestijn. Wanneer er enkel het strikt onbestaanbare ‘niks’ is, waar is dan drinken en eten? Die vragen van het radeloze volk kwellen Mozes. Hij kan niet meer. Het wordt hem te zwaar. Hoe kan hij de last van dit om voedsel huilende volk alleen dragen? Voor die vraag heeft Mozes een adres (Num. 11,1-15). En God nodigt hem uit om met zeventig mannen uit de oudsten van het volk naar de tent van samenkomst te komen. Daar zal Hij met Mozes spreken en een deel van zijn Geest van Mozes afnemen en op de oudsten leggen (11,16-17). De last van het gezag over en de zorg voor het volk zullen de zeventig daardoor met Mozes delen.

En zo gebeurt het. De Heer daalt neer in de wolk, spreekt tot Mozes en legt een deel van de Geest die op hem is op de zeventig mannen (11,24-25). Zij profeteren. Eldad en Medad waren wel aangeschreven, maar waren er niet bij. Maar in de legerplaats geven zij toch stem aan de Tora door te profeteren. Dat zou niet mogen, dat zou niet kunnen. Maar Mozes laat hun dat niet afnemen. Hij zou het liefst heel het volk van de Heer door de Geest van de Heer als profeet welkom willen heten (11,29). Alsof ons spreken meer kan zijn dan enkel praten en de stem kan vertolken van Hem die ons het woord geeft en de taal een religieus vermogen kan zijn om de lasten van de dag te delen en te dragen.

Gods eer in de Tora

Psalm 19 begint als een lied over de schepping die Gods eer verkondigt (19,1-7). Het tweede deel, dat vandaag op het rooster staat, bezingt de grootsheid van de Tora, het onderricht van JHWH: ‘Wie zich de weg wijzen laat, vindt gaandeweg de aangewezen weg.’

K. Waayman, Psalmen bij het zoeken van de weg, Kampen z.j., 24.

Laat je leren door de getuigenissen van anderen aangaande de Heer. Die maken je wijs. De psalm geeft woorden om te wegen, tot en met de laatste regel: ‘Mogen de woorden van mijn mond en de overleggingen van mijn hart U welgevallig zijn, o Heer, mijn rots en mijn bevrijder.’ (19,15 – NBG ’51).

Oordeel je broeder niet

Van Martin Buber is de uitspraak: ‘Het religieuze is de richting, het sociale is de gang.’

M. Buber, Werke II. Schriften zur Bibel, München 1964, Die Schrift und ihre Verdeutschung, Die Sprache der Botschaft, 1101.

Ook voor Jakobus blijken beide oriëntaties samen te gaan. Tot God naderen, je reinigen, inkeren in de eenvoud van jezelf tegenover de Eeuwige (Jak. 4,8) betekent: niet kwaadspreken. Je broeder oordelen en veroordelen is de Tora oordelen en veroordelen, alsof jij de rechter van de Tora bent (4,11). Jakobus zegt: besef hoe terloops je aanwezig bent, dan besef je steeds meer dat je leeft in Gods genegenheid.

‘Tora’ voor de weg naar Jeruzalem

‘Wie een van zulke kinderen ontvangt in mijn naam, die ontvangt Mij’ is de laatste regel vóór de tekst van vandaag (Marc. 9,37) en na die tekst begint de reis naar Judea (10,1) en Jeruzalem (10,32). We horen hier dus voorlaatste woorden. Het lijkt erop dat het gaat over wie meegaat en wat dat meegaan inhoudt. Johannes is, met Petrus en Jakobus, een van de drie die dicht bij Jezus staan (5,37; 9,2; 13,3; 14,33). Hij is er vrijwel vanaf het begin bij, achter Jezus aan (1,19-20.29). Johannes zegt tot Hem: ‘wij hebben iemand, die ons niet volgt, in jouw naam demonen zien uitdrijven en wilden het hem verbieden omdat hij ons niet volgt’ (9,38). Blijkbaar moet ‘ons’ nog iets geleerd worden voordat Jezus definitief op weg gaat naar Jeruzalem. De leerlingen hangen aan het doen en laten van Jezus. Wanneer zij een ander zien doen wat Jezus doet, willen zij die persoon uitsluiten. Maar Jezus ziet dat volstrekt anders: ‘Wie niet tegen ons is, is voor ons’ (9,40). – Wonderlijk dat wij dit in het officiële oecumenische overleg toch niet toepassen en meer waarde blijken te hechten aan onze spoken op het behang. – Deze anderen noemt Jezus zelfs ‘deze kleinen’. Dat zijn zij die geloven. Daar moet je als leerling van Jezus blijkbaar voorzichtig mee omgaan – alsof ergernis op de loer ligt. Alleen een molensteen is dan goed genoeg (9,42). Het Rijk der Hemelen wekt niet de indruk een Disneyland te zijn.

‘Houdt vrede onder elkaar’

Tegenover de kleine gelovigen staan de snelle kwaadsprekers, degenen die de kleine gelovigen ergernis geven en achter eigen goden aanlopen. Jezus heeft in het evangelie geen goed woord voor hen over. Al blijkt hij hen toch niet opgegeven te hebben.

De laatste regels van de tekst wijzen op vuur, zout en vrede (9,49-50). Vuur en zout horen bijeen. Als de bedoeïenen een vuur aansteken, strooien ze eerst zout op de grond. Het vuur wordt dan warmer en zal meer licht geven (vgl. Mat. 5,13-16). Het Latijnse sal (zout) kan ook herinneren aan sjalom (vrede). Zout dat niet meer zout, wordt kalk. Zie Ezechiël 13,10: wanneer er geen vrede is, pleisteren ze met kalk. Als Jezus de weg naar Jeroesjalajim aanvangt, zegt Hij volgens Marcus tot zijn leerlingen: ‘houdt vrede onder elkaar’ (9,50).

Bij Numeri 11:24-29, Psalm 19:8-15, Jakobus 4:11-17 en Marcus 9:38-50

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken