Ds. Roel Bijlsma en het Lemeler Convent
Aspecten van het kerkelijke verzet nader belicht
Dit artikel gaat over ds. (later: prof.dr.) Roel Bijlsma[1], één van mijn voorgangers als predikant van de hervormde (inmiddels: protestantse) gemeente te Hellendoorn. Hij was niet alleen lid van de Lunterse Kring, die veel voor het kerkelijke verzet tegen de Duitse bezetter betekend heeft. Hij behoorde ook tot het Lemeler Convent, in welk verband eveneens over de houding van de kerken ten opzichte van het nationaal-socialisme nagedacht werd. De laatstgenoemde groep predikanten kan daarnaast beschouwd worden als een soort voorloper van ‘de Achttien’, die in 1961 op eenwording van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland aandrongen. Uiteindelijk leidde dat in 2004 tot de vorming van de Protestantse Kerk in Nederland. Om op Bijlsma terug te komen: (niet dr. K.H. Miskotte, maar) hij was de auteur van het concept van het tweede herderlijk schrijven van de Nederlandse Hervormde Kerk over het nationaal-socialisme (1943).
Bijlsma in aanraking met het nationaal-socialisme
In 1932 kwam Bijlsma, die toen student theologie in Groningen was, in aanraking met het nationaal-socialisme.[2] In 1980 vertelde hij daarover in de diesrede van ‘Redbad’, de Friese studentenvereniging in Utrecht.
Bijlsma was in Groningen lid van de Friese studentenvereniging ‘Bernlef’. Hij is er ook voorzitter van geweest. Daar komt nog iets bij: hij stond in 1930 aan de wieg van de federatie van Friese studentenverenigingen. De Friese studenten wilden een krachtige impuls aan de Friese strijd geven. Daarbij was ook sprake van een zoeken naar politieke en nationale vernieuwing. Maar de liefde voor het Fries-eigene werd niet overdreven. Bijlsma is dan ook kritisch over het proefschrift van dr. G.R. Zondergeld, De Friese Beweging in het tijdvak der beide Wereldoorlogen[3]. Volgens hem wordt daarin ten onrechte over ‘fascistische dra
In 1932 maakten Bijlsma en J.P. Winsemius een reis naar een Europees studentencongres in Rostock, en wel op uitnodiging van de Duitse student Heino Altona, die in Groningen Nederlands en Fries studeerde en hoog opgaf van de Friese cultuur. Altona haalde hen in Bremen van de trein. Anders dan het plan was, nam hij zijn gasten meteen mee naar een verkiezingstoespraak van Hitler, die hun toen nog niet bekend was. Bijlsma en Winsemius waren verbijsterd. Op het congres in Rostock werd hun humeur er niet beter op. Er waren studenten overal vandaan, maar die van de Engelse eilanden waren niet vertegenwoordigd. Daar waren Bijlsma en Winsemius het niet mee eens. Op de laatste dag, toen ze zich over aansluiting bij de Europese studentenfederatie moesten uitspreken, heeft Bijlsma namens de Friese delegatie gezegd, dat daarvan geen sprake kon zijn, zolang de Engelsen er niet bij hoorden. Omdat hij applaus kreeg, werd de bijeenkomst onderbroken. Bijlsma werd apart genomen door een medewerker van Hermann Göring, die hem op andere gedachten probeerde te brengen. Maar Bijlsma hield voet bij stuk. Daarmee werd voorkomen, dat er een nationaalsocialistisch georiënteerde Europese studentenfederatie werd opgericht. Van der Schaaf merkt op: ‘Het effect is anders geweest dan Altona naar alle waarschijnlijkheid bedoeld had.’
Ds. Bijlsma en de Lunterse Kring
In 1933 werd Bijlsma hulpprediker van de hervormde gemeente te Drachten, in 1934 predikant van de hervormde gemeente te Eexta, van 1938 tot 1944 diende hij de hervormde gemeente te Hellendoorn. In die tijd maakte hij deel uit van de Lunterse Kring, die nog vóór 1940 gevormd werd, alsook van het Lemeler Convent, dat in de begintijd van de Tweede Wereldoorlog tot stand kwam.
J.J. Buskes vertelt over de oorsprong van de Lunterse Kring: ‘Het begin van de historie van den Lunterschen Kring ligt in de vooroorlogsche jaren. In die jaren verstond kerkelijk Nederland weinig van het Nationaal-Socialisme als bedreiging van het christelijk geloof en de menschelijkheid. Voor de beteekenis van den Duitschen kerkstrijd had het toen al evenmin veel begrip. Een uitzondering vormde een kleine groep predikanten, die, onder invloed van de theologie en den persoon van Karl Barth, met den strijd en den arbeid van de Belijdende Kerk in Duitschland intens meeleefden.’[5]
Bijlsma was dus een van die predikanten. Wat de invloed van de theologie en de persoon van Karl Barth betreft: in zijn eerste gemeenten (Drachten en Eexta) voelde Bijlsma verwantschap met de confessionele stroming in de Nederlandse Hervormde Kerk, maar geïnspireerd door de theologie van Barth nam hij vanaf de late jaren ’30 een kerkelijke middenpositie in.[6]
Over Bijlsma’s meeleven met de strijd en de arbeid van de Bekennende Kirche in Duitsland valt het volgende te melden. Volgens H.C. Touw was hij een van de predikanten die contacten onderhielden met collega’s van die kerk.[7] De auteur noemt ook dr. H. Berkhof te Lemele, ds. PJ. Mackaay te Westerhaar en ds. H.J. Drost te Aalten. Hij laat weten: ‘Men bezocht elkaar over de grens en besprak de theologische en politieke vragen. Men gaf berichten door en hield kleine conferenties.’ Ger van Roon vermeldt, dat Bijlsma een van de predikanten in het grensgebied tussen Nederland en Duitsland was, die in preken, lezingen en artikelen op het belang van de kerkstrijd gewezen hebben.[8] Zo vroeg hij op een jeugddag van het Nederlandsch Hervormd Verbond tot Kerkherstel aandacht voor Martin Niemöller, die velen weer de betekenis van kerk-zijn duidelijk gemaakt had.[9] In 1938 was hij een van de deelnemers aan een ontmoeting van Nederlandse met Duitse predikanten.[10] Aanleiding daartoe was een voorstel van ds. J.B.Th. Hugenholtz, secretaris van Kerk en Vrede, om direct na de Jodenprogrom samen met enkele Nederlandse predikanten te spreken met Duitse collega’s over het antwoord op de vraag hoe de reactie van de kerk in Duitsland hierop zou moeten zijn. Hugenholtz zocht contact met zijn collega Berkhof, die onder anderen de collega’s Mackaay en Bijlsma vroeg om mee te gaan. Van Duitse zijde zouden enkele predikanten bijeenkomen in de pastorie van ds. A. Rosenboom in Neuenhaus in de graafschap Bentheim, middelpunt van mensen die met de Bekennende Kirche sympathiseerden. De Nederlanders gingen op 10 november naar Neuenhaus en kwamen daar langs de gedeeltelijk afgebroken en nog in brand staande synagoge. Tijdens de ontmoeting in de pastorie kwamen er nog geregeld nieuwe berichten binnen over verdere gewelddaden. De Nederlandse dominees troffen behalve Rosenboom enkele collega’s uit de omgeving van Neuenhaus aan, die allen diep onder de indruk waren van het gebeurde. Een van hen zei: ‘Nu raken ze Gods oogappel aan, Hij zal het wreken aan ons volk.’ Afgesproken werd, dat de Duitse predikanten de eerstvolgende zondag in de kerk openlijk voor de Joden zouden bidden.
Van Roon maakt gewag van ‘een lijn van de grenscontacten met Bentheim via Lunteren naar het Lemeler Convent, dat uit Hervormde en Gereformeerde predikanten in Overijssel bestond en waarvoor R. Bijlsma in plaats van de net gearresteerde H. Berkhof op 28 okt. 1940 sprak over de gevaren van het nationaal-socialisme (tekst in het bezit van prof.dr. R. Bijlsma).’[11]
De Lunterse Kring en de Nederlandse Hervormde Kerk
Terug naar de Lunterse Kring. E.D.J. de Jongh vertelt, dat die vooral op twee sporen werkte.[12] Het eerste was de verspreiding van eigen geschriften[13], die samen met andere berichten de kerkbladen moesten aanvullen. Het andere spoor was het fungeren als pressiegroep, met name in de richting van de hervormde synode. De Jongh stelt: ‘Enkele malen heeft het weinig gescheeld of de Lunterse Kring was tegenover de synode komen te staan. Later kwam dit niet meer voor. Toen de kerk eenmaal een krachtiger houding tegenover de bezettende macht had aangenomen verbeterde de verhouding.’
In dit verband kan gewezen worden op de ‘Brief van den “Lunterschen Kring”’[14] van 22 augustus 1940 aan de kort daarvoor door de synode ingestelde commissie Kerkelijk Overleg. Daarin pleiten de ondertekenaars, onder wie Bijlsma, ervoor, ‘dat een officieele kerkelijke instantie zoo beslist, zoo helder en zoo snel mogelijk ter voorlichting van de gemeente en, hetzij direct of indirect, ook van ons volk in zijn geheel, zich uitspreekt over de moeiten, zorgen en verzoekingen, waarin wij en onze landgenooten verkeeren.’
In 1941 verschenen vanuit de Lunterse Kring de Amersfoortse Thesen, die naar vorm en inhoud geïnspireerd waren door de Barmer Thesen van de Bekennende Kirche.[15] Als illegaal getuigenisgeschrift kwamen ze uit onder de titel Wat wij wel en wat wij niet gelooven[16]. De opstellers hoopten, dat het stuk door de synode zou worden overgenomen en zo het karakter van een confessie zou krijgen, als getuigenis zowel voor de gemeenten als voor overheid en volk. Dit is niet gebeurd; ‘men was daar in de leiding van de kerk nog niet aan toe.’[17], aldus A.J. Rasker. Wel verscheen spoedig hierna het eerste officiële herderlijk schrijven van de synode. Voorbereid door de werkgroep Kerk en Overheid, waarvan prof.mr. P Scholten voorzitter was, werd het in juli 1941 door de synode besproken en met op één na algemene stemmen aangenomen. In september werd het ‘tot principiële voorlichting en herderlijke leiding’ naar de kerkenraden gezonden. Rasker stelt: ‘Het was nog bedekt en voorzichtig geformuleerd, de gedachtengang was ongeveer dezelfde als die van de Amersfoortse thesen, maar thetisch, niet antithetisch, geen anathema’s maar vriendelijk vermaan. Niettemin gaf het velen moed, dat de kerk het waagde actuele onderwijzing te geven. Ofschoon het geschrift niet zo heel krachtig was, heeft het inzake de kern van het belijden, de roeping van de overheid, de betekenis van het volk, de betekenis van Israël, de verantwoordelijkheid ten aanzien van gezin en jeugd, duidelijke richtlijnen getrokken die later zouden functioneren en velen de weg wijzen.’
De Lunterse Kring en de Gereformeerde Kerken in Nederland
Over de relatie tussen de Lunterse Kring en de Gereformeerde Kerken is het volgende te vertellen.[18][19] Op 11 december 1940 besloot het moderamen van de synode om geen synodevergadering bijeen te roepen. Binnen de Lunterse Kring bestond daar zorg over. Dit leidde tot een bezoek van een delegatie van de groep aan theologische hoogleraren, in Kampen. De ontmoeting vond plaats op 24 januari 1941, de dag waarop het moderamen alsnog besloot om de voltallige synode bijeen te roepen. Als datum werd 3 maart 1941 vastgesteld. Onder de voor die vergadering bestemde ingekomen stukken was een brief van de Lunterse Kring, ondertekend door onder anderen Bijlsma. Aan de synode werd gevraagd om, liefst met andere kerken samen, een getuigenis te doen uitgaan. De bespreking van de brief gaf direct aanleiding tot onenigheid. Prof.dr. K. Dijk noemde het kerkrechtelijke bezwaar dat de brief niet afkomstig was van een kerkelijke vergadering. Prof.dr. V. Hepp verdacht de ondertekenaars ervan, dat zij de zaak aan zich wilden trekken. Hij vond prof.dr. K. Schilder, die destijds met de delegatie van de Lunterse Kring gesproken had, tegenover zich. Schilder zou juist dankbaar zijn, als de kerken zich samen duidelijk zouden uitspreken. De bespreking van de brief nam meer tijd in beslag dan er die avond beschikbaar was. Daarom werd de behandeling de volgende dag voortgezet. Uiteindelijk besloot de synode om een commissie in te stellen. Van interkerkelijke samenwerking moest de kerkelijke leiding niet veel hebben. Er kon in geen geval sprake zijn van officieel contact tussen kerkelijke vergaderingen. J. Ridderbos laat weten: ‘(…) het klimaat was niet gunstig voor de inwilliging van verzoeken uit de “Lunterse Kring”. Schilder nam een uitzonderingspositie in, door een enkele keer op voorzichtige wijze te pleiten voor een samenwerken met andere kerkgenootschappen.’[20]
Voordat de op 4 maart ingestelde commissie voor een synodaal getuigenis met haar werkzaamheden kon beginnen, legde ze het resultaat van haar arbeid aan de synode voor, op 6 maart.[21] Het concept werd door prof.dr. G.C. Berkouwer voorgelezen. Nadat een bespreking aan het stuk gewijd was, kreeg hij de opdracht om de gemaakte op- en aanmerkingen van de synodeleden te overwegen en zo mogelijk in het ontwerp te verwerken.[22] Het herderlijk schrijven werd op 7 maart vastgesteld.[23] Op de dag waarop de synodeleden naar huis gingen, gaf adviseur mr.dr. J. Donner niet alleen het besluit over het getuigenis, maar ook dat over een biddag door aan de deelnemers van het zogenaamde Convent van Kerken, een samenwerkingsverband van protestantse kerkgenootschappen.[24] Op 8 maart besloot het Convent, dat zo veel mogelijk kerken de ‘nooden en gevaaren van dezen tijd’ in een bijzondere dienst op 23 maart zouden gedenken.[25][26] Op 19 maart verzond het gereformeerde synodale moderamen het herderlijk schrijven, waarin tegen de Jodenvervolging geprotesteerd werd, naar de plaatselijke kerken.[27] In een begeleidende brief werd de noodzaak tot geheimhouding onderstreept. Vóór de biddag mocht geen ruchtbaarheid gegeven worden aan het feit dat een schrijven voorgelezen zou worden, naderhand mocht het zelfs niet gedeeltelijk gepubliceerd worden.
J.M. Snoek vertelt in 1990: ‘Op zondagmorgen 23 maart 1941 was ik aanwezig in de Gereformeerde kerk te Renkum/Heelsum. Ik was toen bijna 21 jaar oud, een jongeman die weinig of geen heil zag in het christelijk geloof, laat staan in de kerk. Maar ja, als je wegbleef uit de kerkdienst, kreeg je heisa in gezin en familie. Dus je zat er, zij het zonder interesse. (…) Die ochtend werd het herderlijk schrijven voorgelezen (…) Ik luisterde ademloos, de hele gemeente trouwens. – Het was kort na de februari-staking. Er waren al doden gevallen. Mijn dagboek (…) vermeldt: “Gisteren is van de kansel een schrijven afgelezen dat uitmuntte door mannentaal.” En dat gebeurde overal, door het hele land, in meer dan 800 kerkgebouwen. (…) De afkondiging van een protest of herderlijk schrijven in de kerkdiensten is in de Gereformeerde Kerken praktisch overal geschied.’[28] Snoek laat weten, dat Th. Delleman twee afwijkende gevallen vermeldt. Hij voegt er aan toe, dat de protesten ook in de Nederlandse Hervormde Kerk door de overgrote meerderheid van de predikanten publiekelijk voorgelezen werden, al waren daar meer uitzonderingen die de regel bevestigden.
In 2010 vertelt Snoek nog een keer wat hij op 23 maart 1941 meemaakte.[29] Hij voegt er dan aan toe: ‘Het is nu moeilijk na te voelen – ofschoon er vanuit de optiek van nu op de inhoud hier en daar kritiek te leveren valt – hoezeer zo’n getuigenis de mensen toen een hart onder de riem stak in een tijd waarin radio en krant onder Duitse censuur stonden. De conspiracy of silence ten opzichte van de joden en hun lot werd doorbroken.’[30]
Het Lemeler Convent
In een brief van 5 juli 1982[31] laat Bijlsma aan Ridderbos, die toen bezig was met onderzoek voor zijn proefschrift Strijd op twee fronten. Schilder en de gereformeerde ‘elite’ in de jaren 1933-1945 tussen aanpassing, collaboratie en verzet op kerkelijk en politiek terrein[32], weten dat gereformeerde en hervormde predikanten elkaar sinds de zomer van 1940 ontmoetten in het Lemeler Convent. Hij voegt er aan toe, dat hij de bijeenkomsten zelf tot zijn vertrek naar Rotterdam-Charlois, in april 1944, bijwoonde. Hier zij vermeld wat Bijlsma in november 1979 over de verwisseling van ‘het betrekkelijk veilige Hellendoorn’ voor ‘een bovenhuisje aan de Waalhaven in Rotterdam’ aan H.W. Poorterman vertelde: ‘Mijn vrouw en ik zeiden, toen we van Rotterdam naar Hellendoorn terugkeerden tegen elkaar: als we niet gaan, blijven we in Hellendoorn in ons eigen belang.’[33] Poorterman stelt: ‘Het was dus wel een kwestie van roeping.’
Over de doelstelling van het Lemeler Convent vertelt Bijlsma: ‘Het ging ons om een gezamenlijke bezinning op de prediking en het pastoraat in het verweer tegen de gevaarlijke ideologie en de gruwelijke praktijk van het nationaal-socialisme. Daardoor werden wij op de brandende vraag gedrukt, hoe wij elkaar rondom de bijbel moesten ontmoeten en vinden.’
Wat het eerste doel betreft, merkt Bijlsma op, dat er – om begrijpelijke redenen – geen schriftelijke aantekeningen uit de oorlogsjaren te vinden zijn. Hij vervolgt: ‘Ook Schilder die eens voor ons sprak (in 1941 of 1942) liet niet na, voordat hij de bespreking verliet, eerst zijn korte notities in het asbakje te verbranden!’ Bijlsma kan zich de exacte titel van het referaat van de gereformeerde voorman niet meer herinneren. Wel weet hij nog, dat het over de verhouding van ‘Kerk en Volk’ en de noodzakelijke samenwerking en eenheid van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland ging. Bijlsma vertelt: ‘Schilder ging natuurlijk uit van zijn bekende grondstelling, dat het wezen van de Kerk bestaat uit het kerkvergaderende werk van Christus zelf. Hij verwierp het uitgangspunt van de “wedergeboren mensen”. De bijbelse verbondsgedachte kreeg daardoor voor ons een kerkvormende waarde, die samenbindend was en losgepeld werd uit een onbevredigend geloofssubjectivisme.’ Bijlsma voegt er aan toe: ‘Maar de moeilijkheid bleef, hoe het tot een kerkelijke eenheid kon komen. Schilder, die in het persoonlijk contact zeer mild was, al waren zijn publicaties vlijmscherp, was van mening, dat het kerkvergaderende werk van Christus door Woord en Geest een zaak van de plaatselijke gelovigen bleef. Maar er kon maar één ware Kerk van Christus zijn in elke plaats. Daar moesten alle Schriftgelovigen elkaar in vinden en dan ook samengaan. Wie dat niet wilde, was ongehoorzaam.’ Volgens Bijlsma had daar een punt van veel vragen gelegen. Het gesprek was dan ook voornamelijk daar over gegaan. Bijlsma: ‘Schilder wees erop, dat alleen in deze plicht tot Schriftuurlijke eenheid de plaatselijke kerken de goddeloze afgoderij van het nazisme konden bestrijden.’ Ten slotte merkt Bijlsma op: ‘Wij genoten van zijn sprankelende opmerkingen, die ons inderdaad nader tot elkaar brachten, maar tegelijk ons met levensgrote praktische problemen achterlieten.’
In een brief van 12 oktober 1982 aan Ridderbos komt Bijlsma met een nadere datering van het optreden van Schilder, waarvoor hij een lange aanloop neemt: ‘Dezer dagen kreeg ik van de “vrijgemaakte” ds. Veldman, die een beneden-buurman van mij is, ter lezing het boekje van dr. W.G. de Vries over diens schoonvader (meen ik): K. Schilder als gevangene en onderduiker[34]. Wat werpt dat, hoewel het inhoudelijk weinig betekent, een verbijsterend licht op de kerkelijke troebelen van 1944 èn op de mono-manie van de gedreven en eigenzinnige figuur, die Schilder geweest is! Maar het boekje heeft mij onomstotelijk duidelijk gemaakt, dat Schilder vóór april 1941 vanuit Kampen zijn referaat gehouden heeft op het Lemeler Convent.’
Tussen lijdelijkheid en verzet
In deze paragraaf staan we nader stil bij de spreekbeurt van Schilder begin 1941 voor het Lemeler Convent over het kerkvergaderend werk van Christus. Vooraf: de gereformeerde voorman was in de eerste oorlogsmaanden gevangen gezet.[35] In zijn weekblad De Reformatie had hij als een van de weinigen de juiste woorden tegen de bezetter gevonden. Na zijn vrijlating op 6 december 1940 werd hem een vrijheidsbeperking opgelegd.
In een artikel stelt George Harinck naar aanleiding van de spreekbeurt van Schilder drie vragen.[36] In de eerste plaats wil hij weten hoe het optreden zich tot de beperkingen die de spreker inzake zijn publieke optreden opgelegd gekregen had, verhield. Met andere woorden: hoe dacht hij over legaliteit en illegaliteit? In de tweede plaats vraagt Harinck zich af: wat bewoog deze uitgesproken kerkelijk-gereformeerde man en antibarthiaanse theoloog tot een spreekbeurt voor dit in theologisch en kerkelijk opzicht zo gemengde gezelschap? Anders gevraagd: welke vormen van samenwerking achtte hij in het licht van de omstandigheden anno 1941 geoorloofd? In de derde plaats zoekt Harinck naar het antwoord op de vraag waarom Schilder over het kerkvergaderend werk van Christus sprak. Oftewel: waar kwam het volgens hem tijdens de bezetting op aan?
Harinck laat weten, dat Schilder na zijn vrijlating niet publiceerde en geen toespraken tegen het nationaal-socialisme hield. Wel zocht hij steeds de grenzen van zijn mogelijkheden op. Maar men kan volgens de auteur niet zeggen, dat hij geleidelijk aan de illegaliteit in schoof. Harinck: ‘(..) Schilder heeft nooit de overstap gemaakt van de verdediging van het recht op een eigen overtuiging naar het illegale verzet tegen de rechtsverkrachting.’[37]
Hier zij vermeld, dat niet iedereen de conclusie van Harinck onderschrijft.
H. Veldman is een van degenen die zich tegen de visie van Harinck gekeerd heeft.[38] Ik kom daar nog op terug.
Bij de beantwoording van de tweede vraag roept Harinck het optreden van Schilder in de synode van maart herinnering. Verder attendeert de auteur op diens betrokkenheid bij de totstandkoming van Wat wij wel en wat wij niet gelooven. Hij vermeldt, dat het bezoek van de delegatie van de Lunterse Kring aan de gereformeerde hoogleraren, op 24 januari 1941, aanleiding tot die betrokkenheid was. Schilder las de concepttekst met het oog op de vraag of de gereformeerde synode die als getuigenis zou kunnen aanvaarden. Volgens hem zou het stuk geen kans hebben. Zijn bezwaren hadden voornamelijk betrekking op de barthiaanse geest van de tekst. Zoals in de paragraaf ‘De Lunterse Kring en de Gereformeerde Kerken in Nederland’ naar voren kwam, gaf Schilder de voorkeur aan een gezamenlijk getuigenis, maar koos de synode voor een eigen stuk.
Harinck vertelt: ‘In de zomer van 1941 verscheen alsnog de definitieve versie van de tekst die Schilder had becommentarieerd, en wel als de illegale brochure Wat wij wel en wat wij niet gelooven. Het is pikant dat Schilder mede heeft geredigeerd aan deze op grote schaal verspreide brochure. Maar in verband met onze vraagstelling is het vooral interessant dat Schilder na mei 1940 bereid was samen te werken met barthianen tegen de Duitse anarchistische tirannie.’[39] De auteur voegt er aan toe: ‘De theologie van Karl Barth was toen voor Schilder nog steeds onaanvaardbaar.’
Harinck attendeert nog op het feit dat het Barth was, die in augustus 1942 de over hun illegaliteit in onzekerheid verkerende christenen in het Nederlandse verzet bemoedigde en hen van argumenten voorzag.[40] Hij achtte de steun aan het verzet geboden in bewoordingen die van Schilder afkomstig hadden kunnen zijn. Nadat de auteur een gedeelte uit Barths ‘Aan de Nederlandse christenen’[41] geciteerd heeft, stelt hij de retorische vraag: ‘Is het verwonderlijk dat de Utrechtse student George Puchinger na kennisname van deze brief aan Schilder schreef: waarom moesten wij vanuit Zwitserland geïnstrueerd worden en schreef u ons niet zo’n brief?’[42]
Dynamisch kerkbegrip
Ten slotte probeert Harinck de vraag waarom Schilder begin 1941 voor het Lemeler Convent over het kerkvergaderend werk van Christus sprak, te beantwoorden. Hij licht toe: ’Was dat thema de impuls die het Nederlandse volk nodig had om tot een verzetshouding te worden aangezet? Het lijkt alsof Schilder een kerkelijk stokpaardje bereed in plaats van concreet in te gaan op de nationale situatie van onderdrukking en verzet anno De auteur vervolgt: ‘Maar schijn bedriegt. Schilder beschouwde de kerkelijke verdeeldheid namelijk als een concrete belemmering in de geestelijke strijd tegen het nazisme.’
Op basis van publicaties van ver voor de Tweede Wereldoorlog stelt Harinck, dat de kerk in de optiek van Schilder een exclusieve en onmisbare taak in de samenleving heeft. In de snel seculariserende en voor antichristelijke ideologieën vatbare cultuur mag ze niet sluimeren, maar dient ze als cultuurvormende macht in te grijpen op het maatschappelijk leven. Welnu: in 1941 bereikte de confrontatie tussen de kerk en de totalitaire staat een hoogtepunt. Harinck: ‘(…) daarom accentueerde Schilder in de lezing voor het Lemeler convent niet de feitelijke verschillen tussen hervormd en gereformeerd. Hij bepleitte de onverkorte verkondiging van het Evangelie. Waar dat gebeurde, werd zijns inziens een gemeenschap gesticht die de muren tussen kerken doorbrak, een gemeenschap die het enige antwoord was op de gemeenschap van bloed en bodem die aan het Nederlandse volk werd opgedrongen. Wie het Nederlandse volk een dienst wilde bewijzen in de strijd tegen het nazisme moest de eenheid van de kerk nastreven.’[43]
Harinck betoogt verder, dat Schilder met zijn dynamische kerkbegrip weliswaar een antwoord trachtte te geven op de claim van het totalitaire Duitse regime, maar ook dat hij binnen de in gereformeerde kring gangbare legalistische beschouwingswijze opereerde. Volgens de auteur bood die visie geen adequaat antwoord op de claim en de dynamiek van een totalitaire staat, waardoor het gereformeerde verzet een theologische rechtvaardiging en ondersteuning in zijn keuze voor de illegaliteit ontbeerde. Harinck besluit zijn artikel als volgt: ‘Schilder heeft in 1940 met het Landoorlogreglement in de hand wel duidelijk het recht van de Nederlandse overheid verdedigd en dat van de collaborateurs afgewezen, maar toen de Duitsers het recht aan hun laars bleken te lappen en het nihilistische karakter van het nationaal-socialisme in Nederland zich openbaarde, heeft Schilder niet een volgende stap gezet. De oproep tot en steun aan het illegaal verzet is tijdens de Duitse bezetting van deze gereformeerde theoloog niet uitgegaan.’[44]
Veldman merkt op, dat de notities van Ridderbos, die hij op zijn beurt van Bijlsma gekregen had, onvoldoende stof bieden om te stellen dat Schilder op het Lemeler Convent een dynamisch kerkbegrip huldigde, waarmee de Kamper dogmaticus een ferm antwoord op de eisen van de totalitaire dwangstaat van Hitler wilde aanreiken.[45][46] Zelf wijst Veldman op Schilders lezing ‘De structuur van het kerkelijk verband’, die hij op 14 maart Schiedam gehouden heeft. Daarin benadrukt hij, dat de kerk uit alle rassen wordt vergaderd. Over de kerk zegt hij: ‘(.) zij heeft de middenmuren van afscheiding, die verdeling brengen door de zonde, tussen ras en ras, klasse en klasse, voor haar eigen kerkelijke samenleving duidelijk verbroken en dat is herstel geworden van de oorspronkelijke menselijke eenheid.’[47] Voorzichtiger dan Harinck zich uitlaat, stelt hij: ‘We mogen aannemen dat Schilder in zijn lezing (voor het Lemeler Convent, JDThW) in dezelfde trant heeft gesproken. Maar zeker weten we dat niet.’
Veldman vindt dus, dat Harinck zijn conclusie te vlot getrokken heeft. Hij stelt: ‘Ze lijkt logisch, maar is ze wel met voldoende zekerheden onderbouwd? We weten maar nauwelijks wat Schilder in het Overijsselse bij Lemele heeft geponeerd. We kunnen daaruit eigenlijk niet eens vaste conclusies trekken. Maar hier wordt de conclusielijn in één pennenstreek doorgetrokken naar het ontbreken van een gereformeerde legitimering van het verzet (door Schilder). Dat lijkt mij – èn inhoudelijk èn methodisch – echt een grote stap te ver.’
Samen op Weg
Ik herhaal wat Bijlsma in de brief van 5 juli 1982 aan Ridderbos over de doelstelling van het Lemeler Convent vertelt: ‘Het ging ons om een gezamenlijke bezinning op de prediking en het pastoraat in het verweer tegen de gevaarlijke ideologie en de gruwelijke praktijk van het nationaal-socialisme. Daardoor werden wij op de brandende vraag gedrukt, hoe wij elkaar rondom de bijbel moesten ontmoeten en vinden.’ Wat de tweede doelstelling van het Lemeler Convent betreft, attendeert Bijlsma op een reeks artikelen van zijn hand in het Hervormd Weekblad ‘De Gereformeerde Kerk’ van 18 maart, 16 september, 14 oktober en 11 november 1943 onder de titel ‘Het interkerkelijk gesprek op het Lemeler Convent’. Daarin vat hij samen wat in die kring besproken was. Bijlsma laat verder weten: ‘De naam van (prof.) K. Schilder treft u daarin wel aan. Een goede verstaander kon tussen de regels door begrijpen, hoezeer het gezamenlijke verzet tegen het nazisme ons ter harte ging.’ Vervolgens wijst Bijlsma op het door hem opgestelde herderlijk schrijven over het nationaal-socialisme, waarover zo dadelijk meer.
In een op 16 maart 1987 geschreven brief aan Ridderbos komt Bijlsma op de verhouding tussen de eerste en de tweede doelstelling van het Lemeler Convent terug. Dat doet hij naar aanleiding van door Ridderbos ontdekte stukken uit de Schilder-correspondentie, waarop hij commentaar van Bijlsma vraagt. Voor ons is van belang wat Bijlsma over het Lemeler Convent vertelt: ‘Toen wij met elkaar onmiddellijk na het uitbreken van de oorlog met onze samenkomsten van Hervormde en Gereform. predikanten begonnen, ging het vooral over onze houding tegenover de bezettende macht: wat en wie is “overheid”, waar liggen de grenzen van gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid, het afleggen van een eed enz., alles toegespitst op de praktijk in pastoraat en prediking. Het moet ook in die éérste jaren geweest zijn, dat Schilder voor ons heeft gesproken. Berkhof viel uit van eind okt. 1940 –
Bijlsma vervolgt: ‘In de zomer (voorjaar) 1942 wist Henk Berkhof de duitsers, die hem kwamen ophalen, nog te ontvluchten. Hij is toen enkele maanden (of een aantal weken?) ondergedoken geweest. Tot juli, volgens mijn herinnering. Maar dit kunt u hem zelf exact vragen. Zelf ben ik wegens ziekte uitgeschakeld geweest van eind januari tot begin mei 1941 en van midden maart tot eind augustus 1943.
Het goede contact tussen Hervormde en Gereformeerde predikanten in het Lemeler Convent leidde als vanzelf tot de vraag: moeten wij niet doorgaan met ons kontakt in de richting van een toenadering in breder verband met het perspectief van een kerkelijk samengaan? Dit begon al in 1942. Het zette zich voort tot het eind van de oorlog.’ Bijlsma voegt er aan toe: ’Maar daarvóór nam ik afscheid van Hellendoorn wegens vertrek naar Rotterdam-Charlois op 16 april 1944. Een week daarna (of was het op dezelfde datum?) nam Berkhof afscheid van Lemele naar Zeist. Hij deed intree in Zeist op 30 april 1944. Wij zijn dus gelijktijdig vertrokken. De stukken die U zond, liggen dus vóór midden april 1944. De opvolger van Berkhof in Lemele werd op 18 juni 1944 Ds. A.D. Bakker, die met de blijvende Vogelaar, geref. predikant van Lemelerveld, het Convent bleef stuwen. (…) Dat de gesprekken tenslotte zijn uitgemond in Samen-op-Weg-mogelijkheden na de oorlog, blijkt ook uit wat erover gepubliceerd werd. ’ Bijlsma attendeert dan nog een keer op zijn stukken over het Lemeler Convent in het Hervormd Weekblad ‘De Gereformeerde Kerk’. Hij voegt er aan toe, dat Schilder daarin niet of nauwelijks een rol gespeeld heeft. Overigens is Bijlsma wel van mening, dat de hem toegezonden stukken uit de Schilder-correspondentie duidelijk op de achtergrond van die artikelen staan. Ten slotte loopt hij die stukken nog even door en maakt hij enkele notities. Voor ons is de eerste van belang: ‘In antwoord op uw vraag in de brief: Schilders inbreng op het Lemeler Convent zal wel in de eerste periode zijn geweest, toen er een gemeenschappelijke houding tegenover de bezettende macht moest groeien.’
De voorlopers van ‘de Achttien’
Omstreeks Pinksteren 1961 zonden achttien hervormden en gereformeerden een oproep naar de leden van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland met de volgende tekst: ‘Ondergetekenden, een willekeurige groep van hervormden en gereformeerden, hebben op een bijeenkomst op 24 april 1961 unaniem als hun oordeel uitgesproken, dat de gescheidenheid van de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken niet langer geduld kan worden. Bewogen door de verwachting van het Rijk Gods en de opdracht der kerk in de wereld, zijn zij er gezamenlijk van overtuigd dat naar eenwording gestreefd moet worden. Zij hebben zich voorgenomen stappen te doen om deze eenwording krachtig te bevorderen. Daartoe benoemden zij uit hun midden een kleine werkgroep. Over enige tijd zullen verdere plannen bekendgemaakt worden. Reeds nu echter wordt toezending van adhesiebetuigingen van hervormden en gereformeerden op hoge prijs gesteld.’[50] Algemeen wordt het initiatief van ‘ de Achttien’ als de eerste stoot tot het Samen op Weg-proces, de hereniging van de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken in Nederland (later de vereniging van die kerken en de Evangelisch-Lutherse Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden), die in 2004 tot stand kwam, beschouwd.
Zonder overdrijving kan men stellen, dat het Lemeler Convent een voorloper van ‘de Achttien’ geweest is. Het duidelijkste bewijs daarvan is de brochure Kerkelijke toenadering[51]. Die begint met een ‘Getuigenis gezonden aan de kerkeraden’, ondertekend door zestien hervormde en twaalf gereformeerde predikanten. (Overigens: onder hen niet de gereformeerde ds. O. Bouwman van Nijverdal, die verantwoordelijk was voor de pastorale zorg aan de leden van de in 1940 ingestelde wijkgemeente Hellendoorn van de Gereformeerde Kerk van Nijverdal.[52])
Het ‘Getuigenis’ begint aldus: ‘Weleerwaarde en Eerwaarde Heeren, Een aantal Ned. Herv. en Geref. predikanten uit onze omgeving heeft reeds eenige malen samen vergaderd. In die vergaderingen is o.a. ook gesproken over onze kerkelijke roeping. Onze eenheid vonden we in de begeerte te willen buigen voor Gods Heilig Woord in overeenstemming met de belijdenisgeschriften onzer kerken. Deze eenheid moet echter ook uitkomen in het saamvergaderd worden der geloovigen tot één kerk. Ons vóór alles onderwerpende aan de waarheid moeten we steeds blijven jagen naar de eenheid. Veel te weinig wordt door ons leed gedragen over de gescheurdheid van Christus’ Kerk.’ Op het getuigenis volgt een ‘Openingswoord’ door ds. A. Hijmans, hervormd predikant te Nijverdal. Daarna zijn twee inleidingen met veelzeggende titels opgenomen: ‘Waarom de Ned. Hervormde Kerk geen valsche kerk is?’ door de gereformeerde ds. J.H. Meuleman te Den Ham, en ‘Waarom de Gereformeerde Kerken geen scheurkerken zijn?’ door de hervormde ds. J.J. Poldervaart.
In de artikelenreeks in Hervormd Weekblad ‘De Gereformeerde Kerk’ in 1943 noemt Bijlsma als een van de eerste resultaten van het interkerkelijk gesprek, ‘dat in het besef van gemeenschappelijke schuld het als roeping werd gevoeld om “het aangezicht weer naar elkaar toe te wenden en in openhartigheid en vertrouwen te spreken over wat ons gescheiden houdt”’[53], waarmee hij uit het ‘Getuigenis’ citeert. Vervolgens noemt hij een drietal probleemvelden: het historische, het praktische en het dogmatische. Met betrekking tot het eerste laat hij weten, dat de historie in het kerkelijk gesprek niet beslissend mag zijn. Ten aanzien van het tweede stelt hij, dat verschillen in levenshouding een blijvende kerkelijke scheiding niet noodzakelijk maken. De dogmatische kwesties zijn volgens Bijlsma de lastigste. Hij noemt onder meer de verhouding tussen waarheid en eenheid en die tussen algemene kerk en plaatselijke gemeente. In het laatste artikel in de reeks geeft hij zijn visie op de volkskerk. Volgens hem brengt toenadering tot andere kerken de volkskerk niet in gevaar, ze geeft die veeleer nieuwe kansen.
Overigens is in de pennenvruchten amper te merken, dat ze in de oorlogstijd geschreven zijn. Waar Schilder ter sprake komt, gaat het niet over zijn houding ten opzichte van het nationaal-socialisme, maar over zijn visie op het kerkvergaderend werk van Christus. In dit verband zij vermeld, dat Schilder zich na zijn vrijlating in december 1940 stipt aan het Duitse schrijfverbod gehouden heeft. Dat heeft veel vragen opgeroepen.[54] Er is wel gezegd, dat hij zich vanwege de kerkelijke strijd niet aan het verzet had kunnen wijden. Er is ook wel beweerd, dat bij hem sprake was van een ‘innere Emigration’: hij had weggekeken van de ontwikkelingen in bezet Nederland en zich geconcentreerd op binnenkerkelijke kwesties, waarmee een rem op het politieke verzet gezet zou zijn. Hoe dat ook zij, de conclusie van Harinck luidt: ‘Een oproep tot en steun aan het illegaal verzet is tijdens de Duitse bezetting van hem niet uitgegaan – en vooral dat feit heeft zich nu in de herinnering genesteld.’[55]
De ontstaansgeschiedenis van het tweede herderlijk schrijven
Dan nu het tweede herderlijk schrijven over het nationaal-socialisme van de Nederlandse Hervormde Kerk. Touw heeft ‘Ontstaan en voorgeschiedenis’ daarvan als eerste te boek gesteld, en wel in zijn Het verzet der Hervormde Kerk.[56] Overigens noemt Snoek de geschiedenis van de totstandkoming van het stuk ‘een voorbeeld van wel langzaam malende kerkelijke molens’[57].
Op 16 oktober 1942 besloot de synode tot het samenstellen van een geschriftje. Het belangrijkste doel was: de kerkenraden een uiteenzetting te geven van de tegenstelling tussen christelijk geloof en nationaal-socialisme, alsmede aan de orde te stellen waarom op bepaalde gebieden bijzondere waakzaamheid geboden was. De synode droeg de uitvoering van het werk op aan de Commissie voor Bijzondere Herderlijke Zorg. Deze commissie had als taak adviezen te geven overal waar moeilijkheden waren ontstaan met predikanten met nationaalsocialistische sympathieën. De samenstelling werd aan dr. K.H. Miskotte opgedragen. Prof.dr. Th.L. Haitjema voegde er een bespreking van opzicht en tucht ten aanzien van de belijders van het nationaal-socialisme in de gemeente aan toe.
De Algemene Synodale Commissie besprak het concept in haar vergadering van 30 mei 1943, maar liet de beslissing aan de synode over. Dat deed ze tegen het advies van de secretaris, die het herderlijk schrijven meteen wilde doen uitgaan, in. Die secretaris was ds. K.H.E. Gravemeijer, een belangrijk man in het kerkelijke verzet; H.J. Ponsteen stelt: ‘Door zijn toedoen heeft de kerk in de bezettingsjaren geleerd te getuigen tegenover overheid en volk.’[58]
In de vergadering van de synode van 19 juli 1943 lichtte Haitjema het opgestelde herderlijk schrijven namens de commissie toe. De kerk moest principieel leiding geven ten aanzien van het vormen van een oordeel over het nationaal-socialisme. Kerkenraden en gemeenten dienden voorgelicht te worden over de tegenstelling tussen evangelie en nationaal-socialisme. Overigens moest het onderhavige herderlijk schrijven gezien worden tegen de achtergrond van het eerste herderlijk schrijven. Bij de discussie in de synode werden bezwaren genoemd. Er werd aangeraden om nog eens af te wachten, want men stak zich maar in moeilijkheden. Het nationaal-socialisme was immers al aan het afbrokkelen. Daarnaast werd opgemerkt, dat een stuk over het communisme eigenlijk nodiger was. Ten slotte vroeg iemand om bewijsplaatsen uit de nationaalsocialistische literatuur. Daarentegen noemden anderen het stuk een geweldig getuigenis. Het nationaal-socialisme bleef bovendien vergiftigend en actueel. Bewijsplaatsen waren eigenlijk niet nodig, want het zwaartepunt lag juist daarin, dat het geleefd werd zoals in het geschrift gesteld werd. Uiteindelijk werd met algemene stemmen besloten om het stuk naar kerkenraden en predikanten te laten uitgaan. Touw laat verder nog weten, dat ook bij de verspreiding van het herderlijk schrijven veel moeilijkheden overwonnen moesten worden. Zoals in die tijd gebruikelijk was, moesten de exemplaren van het synodale stuk door koeriers in de gemeenten rondgebracht worden. Dat veroorzaakte wel eens oponthoud. In de vergadering van de synode van 25 oktober deelde de president mee, dat alle exemplaren verzonden waren.
Het is hier de plaats om te vermelden, dat de concepttekst van het tweede herderlijk schrijven niet van de hand van Miskotte, maar van die van Bijlsma was![59] Onmiddellijk na het verschijnen van Het verzet der Hervormde Kerk heeft Miskotte zijn zwager Touw er op geattendeerd, dat Bijlsma het stuk in eerste instantie had geschreven. In het najaar van 1942 had Miskotte als secretaris van de Commissie voor Bijzondere Herderlijke Zorg hem verzocht om een herderlijk schrijven te ontwerpen over het nationaal-socialisme als valse religie. Het zou overigens kunnen, dat Miskotte zijn collega bij gelegenheid van familiebezoek in het nabij Hellendoorn gelegen Den Ham bezocht heeft.[60] Uiteraard moest de auteur in die tijd van Duitse bezetting anoniem blijven. Via Miskotte zou het geschrift eveneens anoniem naar de commissie gaan. Zo is het ook gebeurd. Begin 1943 deed Bijlsma het manuscript aan Miskotte toekomen. Doordat alles in de persoonlijke sfeer via Miskotte was gegaan, dacht men na de bevrijding aanvankelijk, dat hij het stuk had opgesteld. Hij heeft evenwel alleen door de gehele pennenvrucht heen een aantal zinnen, alsmede het hoofdstukje ‘Een andere zedelijkheid’ toegevoegd, terwijl Haitjema het laatste gedeelte over opzicht en tucht ingrijpend heeft gewijzigd en aangevuld. In 1959 rectificeerde Touw: ‘Dr. R. Bijlsma was het die dit zeer belangrijke geschrift geheel samenstelde, terwijl dr. Miskotte het aanvulde met een paragraaf over: “Een andere zedelijkheid” en prof. Haitjema met een andere over “Opzicht en tucht”!’[61] Helaas heeft W. Nijenhuis de lezer van het uit 2006 daterende vierde deel van het Biografisch Lexicon voor de Geschiedenis van het Nederlandse Protestantisme de lezer weer op het verkeerde been gezet; hij schreef over Miskotte: ‘Voor de synode stelde hij het concept op voor het tweede herderlijke schrijven over chr. geloof en nationaal-socialisme (1943).’[62]
De inhoud van en de reacties op het herderlijk schrijven
De officiële tekst zoals die in oktober 1943 vanwege de synode van de Nederlandse Hervormde Kerk heimelijk is uitgegaan, is te vinden in deel II van Het verzet der Hervormde Kerk.[63] De oorspronkelijke versie van Bijlsma staat in de bundel Met de gemeente onderweg.[64]
Touw is van mening, dat het tweede herderlijk schrijven voor de innerlijke weerstand, de geestelijke bestrijding van het nationaal-socialisme van de grootste betekenis geweest is.[65] Hij noemt het zelfs ‘een hoogtepunt’ in de strijd van de kerk. Touw: ‘Zonder veel ruchtbaarheid naar buiten heeft het in alle stilte zijn uitwerking gehad, de oogen geopend, de geesten verhelderd, de gewetens gescherpt en de Kerk geroepen tot een onverzoenlijken strijd, zonder eenig compromis, zonder eenig voorbehoud.’ In dit verband zij vermeld wat J. van Slageren stelt: ‘Opmerkelijk genoeg bevat het geen oproep tot saamhorigheid met het joodse volk, hoewel Bijlsma zelf in Overijssel een netwerk opzette van onderduikadressen om joden te redden.’[66]
Is het tweede herderlijk schrijven volgens Touw een hoogtepunt in de strijd tegen het nationaal-socialisme geweest, hij geeft aan de andere kant toe: ‘Wel was de invloedsfeer soms beperkt. De risico’s, die aan de publicatie ervan verbonden waren, verhinderden een algemeene verspreiding. Het was trouwens bedoeld voor en gericht aan de Kerkeraden. Deze verstonden hun taak in dit opzicht vaak zeer verschillend. Er waren Kerkeraden, die uit vrees voor de risico’s, het Herderlijk Schrijven niet of bijna niet durfden bespreken. In één kerkeraad weigerde de voorzitter de bespreking, omdat het stuk “politiek karakter” had: het werd opgeborgen in een trommel, gesloten met een letterslot, en lag daar ter inzage voor kerkenraadsleden…’ Touw voegt er wel aan toe: ‘Er waren echter ook vele kerkeraden, die het Herderlijk Schrijven II ernstig in hun vergaderingen bespraken en bestudeerden, en daartoe een benoodigd aantal afdrukken lieten vervaardigen. Anderen zorgden dan wel voor verdere vermenigvuldiging. In bijbelkringen, cursussen, jeugdsamenkomsten werd het vaak besproken en de inhoud ervan doorgegeven. De prediking van vele predikanten droeg de sporen, dat het verstaan was.’
Snoek laat weten, dat het Algemeen Handelsblad het herderlijk schrijven op 30 maart 1944 besprak.[67] De scribent noemde het stuk ‘onschriftuurlijk, onwaardig en verblind’. Op 6 april 1944 wijdde het nationaalsocialistische weekblad Volk en Vaderland een lang artikel aan het synodale stuk.[68][69] De auteur spreekt over ‘een onwaardig, onwezenlijk en onnatuurlijk schrijven’ , waarin de algemene synode de eer en de traditie van de Nederlandse Hervormde Kerk te grabbel gooit, alsook over een laf standpunt tegenover nationaalsocialisten.
Overigens is van het herderlijk schrijven ook een Duitse vertaling gemaakt: in een brief van 2 september 1982 vertelt Ridderbos aan Bijlsma, dat hij die in het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie heeft gevonden. Ze was gedateerd ‘Leiden 1.3.1944’. Bijlsma reageert op 23 september: ‘Ik wist niet, dat in het RIOD een Duitse vertaling van het 2e herderlijke schrijven aanwezig was. Er moet toch iemand te vinden zijn, die weet van het vertalen, zowel Duits-Nederlands als Nederlands-Duits van stukken uit die tijd! Toch Hebelotte Kohlbrugge misschien?’
Kohlbrugge was betrokken bij de Lunterse Kring; ze vertelt erover: ‘Het was goed in Lunteren: goede lezingen en goede gesprekken. Je leerde elkaar kennen en je wist dat je op elkaar aan kon. Dat was gedurende alle oorlogsjaren van groot belang.’[70] Daarnaast was Kohlbrugge initiatiefneemster van een verbindingslijn om microfilms met door het verzet verzamelde informatie van Nederland naar Zwitserland te krijgen, de zogenaamde ‘Zwitserse Weg’.[71] Het eindpunt van die lijn was de in Genève wonende secretaris van de Wereldraad van Kerken, dr. W.A. Visser ’t Hooft. In 1944 werd Kohlbrugge gearresteerd en vanuit kamp Vught naar concentratiekamp Ravensbrück getransporteerd, waar ze onder erbarmelijke omstandigheden wist te overleven.
Navraag bij de inmiddels 96-jarige dr. Kohlbrugge leverde het gegeven op, dat zij toch niet degene was, die het tweede herderlijke schrijven in het Duits vertaald heeft. Zelf noemde ze dr. K.E.H. Oppenheimer als mogelijkheid.[72] Hij was een in 1934 uit Duitsland gevluchte zoon van een joodse Amerikaan, die voor zijn studie naar Europa gekomen was. Oppenheimer jr. studeerde van 1934 tot 1938 theologie in Groningen. In die tijd nam hij samen met ds. J.E. Uitman uit Groningen deel aan een studiegroep onder leiding van dr. J. Koopmans, van wiens hand het concept van de Amersfoortse Thesen was.[73] Toen die verschenen, was Oppenheimer al enige tijd predikant in Nieuw-Dordrecht. Toen hij opgeroepen was voor de militaire dienst in Duitsland, was hij met zijn vrouw en kind ondergedoken en nauw betrokken geraakt bij het illegale werk. Wat voor een vertaling van het tweede herderlijke schrijven door Oppenheimer pleit, is dat hij er tijdens samenkomsten van de Lunterse Kring op aangedrongen heeft om de gemeente door middel van kleine pamfletten voor te lichten en aan te zetten tot verzet tegen de nazi-ideologie.[74] Met deze opmerking zijn we weer terug bij de Lunterse Kring, in welk verband (ook) Bijlsma een belangrijke rol gespeeld heeft. Van zijn hand was ten slotte niet de vertaling maar het concept van het tweede herderlijke schrijven.