Menu

Premium

Echo’s van Pasen

Alternatief bij 4de zondag van Pasen (Psalm 47,7.2, Handelingen 9,32-42, Psalm 71,1.3 en Johannes 5,1-15)

Bijbelwetenschappen

In de gang van de lezingen gaat op deze vierde zondag van Pasen de lofprijzing voorop. De woorden van Psalm 47,7b – ‘Zing voor onze koning’ – lopen vooruit op het troonsbestijgingsfeest van het kerkelijk jaar met Hemelvaart. De jubelzang uit vers 2 geldt deze koning. De reden voor deze jubelzang wordt ons onthuld in de lezingen uit Handelingen en Johannes, precies ook in die volgorde. In de teksten uit Handelingen en het evangelie volgens Johannes is sprake van een voortzetting van het mysterie van Pasen.

Echo’s

De tekst uit Handelingen die begint met de woorden ‘Toen Petrus door het land reisde’, lijkt erop te duiden dat Petrus een pastorale rondreis maakt. Op deze reis wordt hij geconfronteerd met de gebrokenheid van het leven. De eerste gebrokene die hij aantreft is Eneas. Zijn naam roept herinneringen op aan een Trojaanse mythische held en stamvader van de Romeinen, maar zijn werkelijkheid weerspiegelt slechts een karikatuur daarvan. Al acht jaar ligt hij verlamd op bed. Het verhaal achter deze verlamde ‘held’ krijgen we niet te horen. Wat telt zijn de woorden: ‘Eneas, Jezus Christus geneest u! Sta op.’ Wateraan voorafgegaan is, doet er niet toe.

Zijn nieuwe leven dat volgt uit het ‘Sta op’, begint heel laag bij de grond met het nu zelf opmaken van zijn bed. Na al die jaren dat anderen zorg droegen voor de plek waar hij verlamd neerlag, is het nu aan hem zelf om die plek op te ruimen. Deze woorden brengen ons het begin van het nieuwe leven van Eneas heel beeldend en plastisch voor ogen. Opstaan als afscheid nemen van een plek waar je op grond van je verlamming niet alleen op was aangewezen, maar ook toe was gereduceerd.

Het volgende geval van gebrokenheid wordt ons nog indringender onder woorden gebracht. Het betreft Tabita of Dorkas.

Ze wordt heel opvallend geïntroduceerd als een leerlinge, in het Grieks mathètria. Afgezien van het apocriefe Evangelie van Petrus, waar dit woord betrekking heeft op Maria Magdalena (12,50), komt het in het Nieuwe Testament maar één keer voor.

Tabita is een Aramese naam; Dorkas vormt er de Griekse vertaling van. De naam betekent in zowel het Aramees als het Grieks ‘gazelle’ en drukt gratie uit. In Handelingen wordt deze gratie breed uitgemeten door te beschrijven dat ze zich inzette voor anderen en vaak geld gaf aan de armen. De woorden ‘juist in die tijd’ (9,37a) lijken te onderstrepen dat haar inzet in de knop gebroken wordt en een grote tegenslag betekent voor de hele haar omringende (geloofs)gemeenschap. Wanneer Petrus de woorden ‘Tabita, sta op!’ uitspreekt, impliceert dit niet alleen dat de gracieuze gazelle weer leeft, maar vooral ook dat haar heilzame effect op de gemeenschap die haar omringt weer doorgang vindt. Deze wonderverhalen over Petrus refereren als opstandingsverhalen sterk aan de wonderdaden verricht door Jezus. Ze klinken als een echo.

Redding

Het Johannesevangelie is naar alle waarschijnlijkheid van later datum dan Handelingen en kan derhalve gelezen worden als een nog latere echo van de daden en woorden van Jezus. De lezing kan worden ingeleid met de verzen uit Psalm 71, die in 3b eindigen met een lofprijzing die voortkomt uit een ervaring van redding. De redding waarvan Johannes vertelt, heeft – zoals voor het hele Johannesevangelie geldt – een mysterieus karakter. Niets is hier wat het lijkt. De naam Betzata betekent ‘Huis van genade’. Maar wat voor ‘genade’? Van deze plek geloofde men dat wanneer het water in beweging kwam, de eerste die het lukte om in het water te komen, genezen werd. Gezien het grote aantal zieken, blinden, kreupelen en misvormden dat daar in de zuilengangen lag, was het een lot uit de loterij als het je lukte om als eerste in het water te komen.

Jezus ziet daar op die ongenadige plek een man liggen die al 38 jaar ziek is. Jezus, zo vertelt Johannes, wist hoe lang hij al ziek was. Hoe weet Jezus dat en wat weet Hij nog meer van deze man? Bij deze eerste ontmoeting geneest Hij de man met de woorden: ‘Sta op.’ Bij de tweede ontmoeting zegt Hij tegen de man: ‘U bent nu gezond: zondig daarom niet meer, anders zal u iets ergers overkomen.’ De redding van de man heeft zo iets dreigends in zich, maar kan ook worden opgevat als een wegwijzer naar voren. De toenmalige opvatting dat ziekte je overkomt omdat je gezondigd hebt, laat Jezus niet als een vloek over de man heersen. Alsof we in het ‘Sta op’ ook woorden mogen horen als: ‘Je leven is je teruggegeven, maak er nu wat van!’

Met name deze tweede ontmoeting doet me denken aan de woorden van een politieagente over haar werk: ‘Wij komen mensen vaak tegen in situaties waarin zij zichzelf liever niet zien, maar het kan ons allemaal overkomen.’ Zoals in de woorden van de agente compassie te beluisteren valt met mensen in wat voor situatie dan ook, zo zien en horen we deze compassie ook in de daden en woorden van Jezus. Jezus maakt een einde aan de ongenadige manier waarop de man moet wachten op het wonder van het bewogen water. Hij spreekt in eerste instantie slechts ‘Sta op, pak uw mat op en loop’ en verdwijnt. Wanneer Hij even later weer opduikt, vult Hij het ‘Sta op’ verder in.

Je redding kan zijn dat je bepaald wordt – mogelijk door een agente als ‘bode van de HEER’ – bij je duistere kant, maar dat je daartoe niet gereduceerd wordt. En zo klinkt de lof uit Psalm 71 nog na in woorden als: ‘God, Jij rots van mijn behoud, Je redt me en doet me het Leven kiezen.’

Deze exegese is opgesteld door Trinus Hoekstra.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken