Een emotionele strijd
Alternatief bij Aswoensdag (Jeremia 14,7-12.19-22)
Aan het begin van de Veertigdagentijd, waarin verschillende passages uit Jeremia en Klaagliederen gelezen zullen worden, lijken we hier in Jeremia 14 een beetje met de deur in huis te vallen. Het is meteen ‘van dik hout’: totale ontreddering vanwege de ‘grote droogte’, die in de eerste verzen beschreven wordt.
Deze droogte kan een historische gebeurtenis zijn geweest, maar zij kan ook symbool staan voor de catastrofe van de (ophanden zijnde) Babylonische ballingschap. In vers 18 wordt immers impliciet naar de ballingschap verwezen. De beschrijving van de droogte laat weinig aan de verbeelding over. De Judeeërs zullen deze droogte als een extra klap bovenop de oorlog met Babylon hebben ervaren. Beschreven wordt hoe de mensen in zak en as zitten, in het zwart gehuld. De ontreddering is zelfs zo sterk dat ze het moederinstinct van een hinde overtroeft, zodat ze haar jong in de steek laat omdat ze geen groen meer te eten heeft. De lezer ervaart haast zelf het leed dat mens en dier ondergaan. Voor de overdenking is dit wellicht een beeld waarbij men langer zou moeten blijven stilstaan.
Metaforen
In vers 7 is duidelijk dat het volk van Juda deze droogte als een straf van God ziet en dat het daarom bereid is om zijn misstappen te erkennen. In contrast met de droogte noemt Juda de Heer ‘Bron (Hebr.: mikwe) van hoop voor Israël, redder in tijden van nood’ (14,8 – NBV). We voelen hoe het volk naar verlossing snakt, en daarom vasthoudt aan deze belijdenis, waarin God een bron is in de droogte.
In een reeks opmerkelijke beeldspraken beschrijven de mensen bij monde van de profeet hoe ze God thans ervaren, zo totaal tegengesteld aan die belijdenis: ‘Waarom bent U als een vreemdeling in dit land? Als een reiziger die één nacht blijft?’ (14,8 – NBV). Het zijn beelden die desinteresse en gebrek aan betrokkenheid willen schetsen. God lijkt op een vreemdeling en een voorbijganger die niet investeert in een diepgaande relatie met zijn omgeving.
De volgende beelden versterken dit: ‘Waarom bent U als een radeloze man, als een soldaat (Hebr.: gibbor, ‘held’, SV) die ons niet kan redden?’ (14,9a). Weer zien we het volstrekt tegenovergestelde van wat de belijdenissen over God zeggen. In plaats van een koning, een sterke held en een goede herder die het opneemt voor zijn schapen, zien we een verbaasde, verdwaasde man (Hebr.: dhm, ‘overvallen, verrast zijn’), een machteloze held (‘a stranger on a bus’). En wederom de smeekbede: ‘Gij zijt in ons midden, Ene, en Uw naam is over ons uitgeroepen, laat ons niet alleen’ (14,9b – NB). Over ‘niet alleen laten’: de Hebreeuwse stam nwch betekent ‘zich vestigen’, ‘rusten’, of ‘met rust laten’. Maar met een ontkennende prefix (al-, ‘niet’) kan het ook ‘niet in de steek laten’ betekenen.
Zal deze smeekbede genoeg zijn? ‘Bid niet voor het welzijn van dit volk,’ krijgt Jeremia te horen van zijn Heer (14,11). Zoals Hij zich nog liet verrassen toen Abraham het opnam voor de onschuldigen in Sodom (Gen. 18) en over aantallen begon te onderhandelen, zo verbiedt Hij dit nu aan zijn profeet. In vers 12 wordt ook het stokpaardje van alle profeten weer van stal gehaald: het gaat om de innerlijke bekering, in plaats van de uiterlijke rituelen als vasten en bidden.
Emotionele impact
Maar toch neemt Jeremia het persoonlijk op voor het volk. Ze zijn het slachtoffer van valse profeten, die verkondigd hadden dat het niet zo’n vaart zou lopen met die oorlog. Jeremia was daar zelf altijd sceptisch over, en bleek daarom ook een ware profeet te zijn. Maar desondanks probeert hij bij God begrip te kweken voor zijn volk! Het is toch niet iedereen gegeven om ware en onware profetie te onderscheiden? En wie er gelijk had blijkt pas als het onheil al geschied is.
Maar toch is Gods oordeel bikkelhard over deze profeten én degenen die naar hen geluisterd hebben. Eigen schuld, dikke bult. Vers 16 eindigt met Gods onheilspellende woorden dat niemand zich zal bekommeren om de vrouwen, zonen en dochters van degenen die naar de valse profeten geluisterd hebben. Hierin is qua emotionele impact een parallel te zien met vers 5, over de hinde die haar jong in de steek laat.
Opmerkelijk genoeg voelt de Heer zelf die emotionele impact ook. Bij monde van de profeet laat God ook zijn verdriet blijken om het leed dat Hij als straf op het volk legt. Het is alsof God zelf de gevolgen van de honger, de oorlog en de daaropvolgende ballingschap emotioneel niet verdraagt. Hij staat er bij te huilen. ‘Zelfs profeten, zelfs priesters komen terecht in een onbekend land’ (14,18 – NBV).
Deze bewogenheid van God is voor Jeremia de aansporing om de dialoog toch voort te zetten. Bij monde van de profeet bekent het volk wederom schuld en geeft het aan de gevolgen niet te kunnen overzien. Er is immers nog één troefkaart die Jeremia ten behoeve van zijn volk kan uitspelen. Hoewel het een zondig volk is, is het bij de gratie van het verbond wel Góds volk, het volk waaraan de Heer zijn Naam verbonden heeft. Als de Heer zijn eigen volk vernietigt, zal dit zijn reputatie geen goed doen.
De perikoop wordt afgesloten met een verwijzing naar de droogte. ‘Brengen de nietige goden van andere volken soms regen, of schenkt de hemel buien uit zichzelf? U de Heer, onze God, doet dat toch?’ (14,22 – NBV) De profeet loopt al vooruit op Gods genade door namens het volk zijn hoop op Hem uit te spreken. Zal Jeremia met zijn beroep op Gods genade de verzoening dichterbij brengen? Of wordt hij vermalen tussen de molenstenen van zijn God en het volk dat hij vertegenwoordigt?
Deze exegese is opgesteld door Matthijs de Vries.