Een jaar van welbehagen voor de Heer
Epifanie (Jesaja 61:1-9 en Lucas 4:14-21)
Het Lucasevangelie wil de betrouwbaarheid van de christelijke boodschap bepleiten. Het relaas over Jezus is dan ook niet neutraal, maar nodigt de lezers uit om te zien hoe datgene wat in en rond Jezus gebeurd is, samenhangt met hun liefde voor God. Deze insteek maakt dat Lucas voortdurend diverse aspecten van dit verhaal aanbrengt, heropneemt, opnieuw verdiept. De passage van Jezus’ eerste optreden in zijn vaderstad Nazaret is dan ook literair nauw verbonden met de omliggende perikopen en is in die samenhang te lezen.
Als kind toont Jezus volgens Lucas al zijn wijsheid, en groeit Hij op in de gunst van God en de mensen (2:52). Verdere erkenning krijgt Hij bij zijn doop, waar Hij bevestiging krijgt: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in Jou vind Ik vreugde’ (3:22). Jezus’ faam verspreidt zich en zijn naam wordt ‘door allen’ geprezen (4:15). Wie bekend is met het hele verhaal – wat in het Lucasevangelie wel wordt verondersteld – fronst zijn wenkbrauwen. Hoe diepgaand zijn dergelijke lofprijzingen, en hoe kom je van die algemene bijval tot een gekruisigde Messias?
Jezus in de synagoge van Nazaret
Als de rondtrekkende Jezus naar zijn vaderstad terugkeert, is dat in de kracht van Gods Geest. Zijn voedingsbodem is immers, zoals de beproeving in de woestijn uitwees (4:1-13), niet het doen van spectaculaire wonderen, niet het bezitten van wereldmacht of beschikken over absoluut bewijs van Gods bescherming. Zijn identiteit als geliefd kind van God hangt daar immers niet van af. Maar bij zijn toehoorders ligt dat anders. Het woord van God waaruit Jezus leeft (4:4) en de genaderijke woorden die Hij vanuit hun traditie tot hen spreekt, volstaan voor hen niet. Heeft een zoon van Jozef wel deze autoriteit? En omgekeerd: als Jezus dit gezag heeft, willen ze blijkbaar ook de wonderen die Hij elders deed, aangezien Hij toch uit hun stad afkomstig is (4:23). Als Jezus deze claim op bijbelse basis afwijst, willen ze Hem zelfs in een afgrond werpen. De parallel met het eerdere beproevingsverhaal maakt duidelijk dat hier reeds de beproeving herhaald en doorstaan wordt. Jezus is niet uit op eigen roem en macht, of persoonlijk aanzien binnen zijn vaderstad, maar kiest resoluut voor dienstbaarheid aan een God die opkomt voor de zwakken.
Jesajapassage
In Lucas 4:18-19 leest Jezus een passage uit Jesaja voor. Als we deze erbij nemen, zijn er toch wel behoorlijk wat verschillen. De poëtische tekst van Jesaja 61 drukt de meeste gedachten in paren uit: armen staan parallel met de gebrokenen van hart, gevangenen met geketenden, een genadejaar met een dag van wraak, herbouwen met herstellen, vreemden met vreemdelingen. Het uitvoerigst wordt geschetst hoe de situatie van de treurenden wijzigt. De drievoudige tekenen van rouw (stof op het hoofd, een rouwgewaad, verslagenheid) worden door tekenen van vreugde en triomf vervangen (een kroon, olie, feestgewaad).
De omkeer in de situatie komt er omdat God een God is die het recht liefheeft. Zo’n God is het die iemand (een profeet? Koning? Messias?) zendt om goed nieuws te brengen aan de armen en verdrukten. Zoals bij het beeld van de dag van JHWH is dit ook een dag van wraak: recht wordt gedaan, wat ook betekent dat onrecht ongedaan wordt gemaakt. Het jaar van genade verwijst wellicht naar het jubeljaar. Dit jaar kwam na zeven keer zeven sabbatjaren en bracht zowel het land als haar bewoners rust en vrijheid omdat slaven vrijgelaten werden, grond terugging naar de oorspronkelijke eigenaar en het land braak bleef liggen. Hoewel het mogelijk nooit in praktijk werd gebracht, is het een beeld van een weldoende toekomst. De genade duurt hierbij veel langer dan de wraak (vgl. Exodus 20:5-6). De focus ligt in heel de passage op het herstel in de richting van een situatie van zegen voor heel het volk.
Een schriftwoord in vervulling gegaan
Het verhaal van Jezus die de Jesajarol voorleest in de synagoge, kadert in het literair-theologisch procedé dat Lucas volgt: een belofte uit het verleden wordt werkelijkheid in het heden, en staat zo garant voor de nog openstaande beloften. Zo was de geboorte van Johannes de vervulling van de belofte van de engel, en staat dit garant voor de vele andere beloften: dat Johannes de weg zal voorbereiden, dat hij velen tot God zal brengen… Jezus verklaart dat het schriftwoord in vervulling is gegaan. Aangezien de lezers (en toehoorders?) weten dat Gods Geest over Jezus kwam bij zijn doop, suggereert dit immers dat heel het schriftwoord op Jezus toegepast mag worden. Jezus is de gezalfde Gods (de Messias), Hij is naar de armen gezonden met die vreugdevolle boodschap. De lezers herkennen hierbij ook de parallel met de christelijke zending (Lucas 9:2).
Tussen de dubbele boodschap over vrijheid komt een zinswending die in het Jesajacitaat ontbreekt, maar elders voorkomt: blinden verkrijgen het herstel van hun zicht (4:19). Het beeld van de blinde wordt in Jesaja op het volk toegepast (42:19; 43:8), en ogen die opnieuw zien wordt zo een beeld voor het verkrijgen van inzicht (32:3). Later in het evangelie zal Lucas ook vermelden dat vele blinden het zicht terugkrijgen (7:21), waardoor ook dit aspect van de tekst werkelijkheid wordt.
De lezers worden zo impliciet (weer) voor de keuze gesteld: zijn zij bereid om in Jezus de Messias te erkennen? Hoewel de toehoorders in de synagoge instemmen met Jezus’ woorden, is het inzicht en deze erkenning er nog niet. Voor Lucas is Jezus de zoon van Jozef met een stamboom die teruggaat op Adam, de zoon van God (3:23-38). Voor de lucaanse gemeenschap klinkt hierbij wellicht vooral zijn herkomst als geliefde Zoon van God (3:21-22). Zijn toehoorders kiezen echter eerder voor de andere kant van het spectrum: Jezus is ‘maar’ de zoon van Jozef.
Deze exegese is opgesteld door Ine Van Den Eynde.