Een klaaglied over een zeemacht in Ezechiël 27
Het gebied van de Middellandse Zee speelt een marginale rol in het Oude Testament. Zo onwennig als Israël omgaat met de zeevaart, zo vertrouwd zijn de Feniciërs ermee. De Feniciërs vervullen een sleutelrol in het handelsverkeer over zee. Daarbij zijn aan de oevers van de Middellandse Zee verschillende koloniën gesticht. Daardoor wordt het gebied waarover de Feniciërs invloed uitoefenen veel groter dan het kleine stukje land in het huidige Libanon. Met Tyrus, de belangrijkste havenstad van de Feniciërs, wordt de blik naar het Westen gericht. In het boek Ezechiël gaat het vooral om de ‘as’ Jeruzalem- Babel. Tyrus ligt dus letterlijk in de marge. In de tijd van de koningen was er normaal gesproken een hartelijke verstandhouding tussen Jeruzalem en Tyrus. Bij de bouw van de tempel van Salomo was immers de architect Hiramuit Tyrus ingeschakeld en werden materialen uit Libanon gebruikt. Izebel van Tyrus werd de roemruchte koningin aan de zijde van Achab. Een niet-zeevarend volk kan dan ook zeer onder de indruk komen van de kwaliteiten van de zeevaarders bij uitstek uit die tijd. Dat blijkt in eerste instantie ook uit Ezechiël 27:3b-11.