Een levend offer voor de Eeuwige
11e zondag van de Zomer (Jeremia 7:23-28, Romeinen 12:1-8 en Matteüs 17:14-20)
Romeinen 12:1-8, de brieflezing voor deze zondag, spoort de gelovigen aan zich als een levend offer in dienst te stellen van de Eeuwige, eenieder met de hem gegeven gave. De teksten uit Jeremia en Matteüs zoomen in op twee thema’s die aan de basis staan van een dergelijke overgave: luisteren en geloven.
Jeruzalem, eind jaren twintig van de zevende eeuw voor Christus. Koning Josia van Juda geeft opdracht de bouwvallige delen van de tempel te herstellen. Hogepriester Chilkia vindt een boekrol ‘met de tekst van de wet’ (2 Koningen 22:8). Wanneer Josia de tekst van deze boekrol ten gehore krijgt, is hij diep geraakt. De voorouders hebben zich niet gehouden aan de voorschriften in dit boek. In een grootscheepse actie laat Josia de tempel te Jeruzalem zuiveren van cultusvoorwerpen voor andere goden, vernietigt hij cultusbeelden overal in het land, ontslaat priesters van andere godheden, ontwijdt en vernietigt altaren waarop aan deze godheden geofferd is. Ongeveer vijf jaar eerder is Jeremia begonnen als profeet op te treden.
Je blijft maar doen
Offers. Ze hoorden bij een feest voor de Eeuwige. Regelmatige offers, bijzondere feestoffers, privéoffers ten gevolge van geloften. In tijden die niet bepaald vertrouwen inboezemen in wat er gaat komen, graag ook wat meer. God vereren door bedrijvigheid. Een nog plechtigere dienst, met nog meer kerkmuzikale smullerijen, een gemeentefeest waarvoor nog meer leden geactiveerd worden. Maar wat heeft de Eeuwige werkelijk geboden, toen op de Sinai? Offers? Cultische bedrijvigheid? Nee hoor. ‘Luister!’ zei Hij. ‘Luister naar mijn stem’ (Jeremia 7:23). Jeremia lijkt – niet anders dan Amos meer dan honderd jaar eerder (Amos 5:25) – ervan overtuigd dat er oorspronkelijk, toen, in de Sinai-generatie, helemaal geen sprake was van offers (Jeremia 7:22). ‘Luister!’ zei God, net als in Deuteronomium, het boek dat ten tijde van Josia gevonden zou zijn, ‘sjema‘ jisra’el – Luister, Israël’. Sta even stil. Kijk terug naar de Sinai. Begrijp wat de Eeuwige werkelijk van je wil. En ga dan de gehele weg die God je voorschrijft (Jeremia 7:23), niet slechts een selectie ervan.
‘Maar ze hebben niet geluisterd, hun oren niet gespitst’ (Jeremia 7:24). De ijverige bijbellezer is meer dan vertrouwd met deze en soortgelijke zinnen. Zo reageert Josia op de boodschap van de gevonden boekrol: ‘Daar hebben onze voorouders zich niet aan gehouden.’ Zo is onze wekelijkse bekentenis in de dienst: we zijn tekortgeschoten, zijn de Eeuwige niet in alles gevolgd. Waarop we om ontferming vragen en Gods lankmoedigheid vieren. En daar is beslist niets mis mee.
Maar misschien helpt het om zich daarnaast vaker positieve voorbeelden voor ogen te halen. ‘Met hart en ziel en met inzet van al zijn krachten trachtte hij de wetten van Mozes strikt na te leven en terug te keren tot de Eeuwige,’ aldus de concluderende opmerking over het leven van Josia (2 Koningen 23:25). ‘Gij hebt kleine kracht, maar gij hebt mijn woord bewaard en mijn naam niet verloochend,’ luidt het oordeel over de gemeente in Filadelfia (Openbaring 3:8).
Bidden
Hij doet het helemaal goed, de vader van de maanzieke jongen. Hij brengt zijn kind naar de leerlingen van Jezus, laat zich niet ontmoedigen als blijkt dat dezen niet kunnen helpen, brengt het kind naar Jezus en spreekt Jezus op de juiste manier aan. Zijn woorden zijn de woorden die de gemeente vanaf haar eerste dagen gebruikt in haar gebeden: ‘Heer, ontferm U.’ Voor de eerste lezers is duidelijk: zo laat je ‘je wensen bij God bekend worden in gebed en smeking’ (Filippenzen 4:6). En zijn gebed wordt verhoord. Misschien zelfs zonder dat hij helemaal beseft hoe ver zijn gebed strekt. Want wanneer hij beschrijft wat zijn zoon overkomt, heeft hij het niet over bezetenheid of een demon. Als een patiënt bij de arts verwoordt hij de symptomen, maar stelt hij geen diagnose. Pas in Jezus’ therapie wordt duidelijk wat er aan de hand is (17:18). Bidden betekent niet dat je je wensen al helemaal doorgrondt.
Ongelovige gelovigen
Matteüs vertelt de genezing niet omwille van de jongen. Deze komt als handelende persoon in de lezing helemaal niet voor. Ook niet omwille van de vader. Deze verdwijnt na zijn gebed meteen weer uit beeld. Niet eens een directe reactie krijgt hij van Jezus, geen vriendelijk woord, geen meevoelende aanhef. De genezing speelt alleen een rol in het kader van het dominerende thema ‘geloof’. Op het moment dat Jezus geconfronteerd wordt met het onvermogen van zijn leerlingen, komt hij met Petrus, Johannes en Jakobus terug van de berg van de gedaanteverandering. Hij heeft net gesproken met Elia en Mozes, de Eeuwige zelf heeft bevestigd dat Jezus zijn geliefde Zoon is (17:1-13). Na de ontmoeting met dit hemelse gezelschap is de aardse realiteit ontnuchterend. Zijn leerlingen kunnen niet zonder Hem. Hun geloof, áls dat er is, heeft niet eens de grootte van een mosterdzaadje. Nog steeds zijn Jezus’ genezingen nodig.
Matteüs kiest zijn woorden en verhalen met het oog op zijn gemeente, zijn lezers of luisteraars van toen. Het onvermogen van de leerlingen is een spiegel van hun eigen onvermogen. Goed voorstelbaar dat ook bij hen mensen kwamen met hun vragen, ook om genezing, en dat dit niet altijd lukte. Het antwoord op Jezus’ vraag ligt voor de hand: ‘Blijf bij ons, lieve Heer, voor altijd. Blijf ons verdragen. Ontferm U over ons ongeloof.’ Hopeloos dus, het gebrek aan geloof zelfs onder de gelovigen? Niet volgens Jezus’ woorden bij Matteüs: ‘Als jullie geloof hebben als een mosterdzaadje (…)’ Geloof hébben, niet hádden. De Griekse werkwoordsvormen verraden: geloof is mogelijk. ‘Laten we de blik gericht houden op Jezus, de grondlegger en voltooier van ons geloof’ (Hebreeën 12:2).
Deze exegese is opgesteld door Martin Ruf.