Een ‘loflied’ op Gods constructie van de werkelijkheid
Gedachten over het begin van Genesis[1]
Inleiding: Darwinjaar
Hoewel Darwin niets over het ontstaan van de wereld zegt – zijn theorie is slechts bedoeld als verklaring voor het ontstaan van de verschillende soorten van leven en de oorzaken voor het voortbestaan van sommige vormen[2] – is in het ‘Darwin-jaar’ ook veel aandacht besteed aan de problematiek van het ontstaan van wereld en kosmos. Anders gezegd: door schepping (ook in de kosmologische zin) tegenover evolutie te plaatsen wordt Darwins theorie verbreed naar een veld waarover zij in feite geen uitspraken doet. De biologie werd in kosmologisch perspectief geplaatst.[3][4]
Wetenschappelijke constructie(s) van het begin
In zijn zeer lezenswaardige boek beschrijft Bill Bryson de huidige wetenschappelijke visie op het ontstaan van het heelal en de wording van het leven alhier. Daarnaast laat hij zien, langs welke wegen deze kennis is ontstaan.[5] De lectuur van dit boek – en van vergelijkbare literatuur[6] – roept het beeld op hoe in de hedendaagse wetenschap gedacht wordt over het begin van alles. Deze visie kan samengevat worden met de term oerknal of Big Bang. Deze kosmologische theorie is gebaseerd op de algemene relativiteitstheorie[7] en veronderstelt dat het heelal 13 à 14 miljard jaar geleden ontstaan is vanuit een singulariteit. Daarmee wordt gedoeld op een onvoorstelbaar heet, onbegrijpelijk klein en ondoordringbaar massief punt, van waaruit alle materie en energie in het heelal is voortgekomen.[8] Om een aantal problemen in het proces tussen deze oerknal en het ontstaan van sterrenstelsel te verklaren is de aanvullende theorie van kosmologische inflatie ontworpen.[9] Het is niet mijn bedoeling om hier een overzicht over de moderne kosmologie te geven. Waar het me om te doen is, is aan te geven dat deze wetenschappelijke theorieën modellen zijn die met een grote mate van waarschijnlijkheid de processen in het vroegste heelal beschrijven. Ze zijn en blijven echter constructies over het begin en vormen een gedegen ontwerp om de werkelijkheid te begrijpen.[10]
Welke plek hebben de oudtestamentische scheppingsvoorstellingen in deze constructie? Staat een dergelijke constructie niet haaks op Genesis 1? Wat mij betreft, hoeft dat niet zo te zijn. Hier spelen namelijk twee vragen door elkaar: de exegetische vraag ‘Wat staat er eigenlijk in Genesis 1?’ wordt vaak in een verwarrende verbinding gezien met de meer hermeneutische vraag ‘Moet een christen het wereldbeeld van Genesis 1 onversneden overnemen?’. Ik denk dat het zuiverder is beide vragen apart te bespreken.
Verhalende constructies over het begin
Het begin van Genesis is een verhalende constructie van het begin en bevat dus een geheel andersoortige verklaring voor de werkelijkheid. Opgemerkt dient te worden, dat in vrijwel alle culturen van de morgenschemering van de mensheid tot op de dag van vandaag verhalende constructies over het begin zijn te vinden.[11] Al deze verhalen proberen een antwoord te geven op de grondvragen van het bestaan: waar komt de werkelijkheid vandaan en waarom is er leven op aarde? Daarnaast functioneren deze verhalen ook als een moreel raamwerk voor het gedrag van de mens – enkeling en groep – binnen deze werkelijkheid. Zoals Mineke Schipper heeft laten zien, bevat het verhaal uit het begin van Genesis vele elementen die ook in al die andere verhalen met uiteenlopende variaties te vinden zijn. Genesis 1 is niet uniek, maar wat maakt deze tekst dan specifiek?
Genesis 1 als “Loflied”
Genesis 1:1-2:3 lees ik als een scheppingspsalm.[12] De tekst heeft echter niet de uiterlijke kenmerken van een lied. De tekst is niet opgebouwd uit poëtische regels, maar bevat een aaneenschakeling van verhalende werkwoordvormen. Toch zijn er redenen om het bijbelgedeelte te classificeren als een liedachtige tekst. Ik kom daar zo op terug.
Het lied is ontstaan in de periode na de Babylonische ballingschap toen Israël op zoek was naar een nieuwe constructie van haar religieuze identiteit. De tekst van Genesis 1 reageert op bestaande visies over de wording van de wereld zoals we die kennen bij de Egyptenaren, de Babyloniërs en de Perzen. Om enkele zaken te noemen: het zweven van de geest boven de wateren lijkt sterk op Egyptische motieven[13]; het schema van de zeven dagen lijkt ontleend aan het model uit het Nieuw-Babylonische scheppingsepos enūma eliš, ‘toen daarboven ,..’.[14] Ik zie Genesis 1 als een intelligent design en ik zal uitleggen wat ik daarmee bedoel door te wijzen op elementen van compositie en polariteit.
Een eerste blik op de compositie laat al meteen een interessant verschijnsel zien: in Gen. 1:1 – 2:3 zijn zeven petûchot geplaatst.[15] Deze masoretische indelingstekens vallen precies samen met de beschrijvingen van gebeurtenissen op de zeven dagen.[16] Een tweede element van compositie dat meteen opvalt is het volgende. Vijf keer is het eerste woord na de petûcha de Hebreeuwse werkwoordsvorm ויאמר met God als subject, ‘(en) Hij zei …’. In het eerste tekstgedeelte komt de vorm ויאמר ook voor (Gen. 1:3), maar niet aan het begin. Het spreken van God wordt daar voorafgegaan door enkele omstandigheidzinnen die een situatie van oerchaos tekenen. Het zevende tekstgedeelte begint met een andere werkwoordsvorm ויכלו, ‘(Zo) werden de hemel en de aarde in al hun rijkdom
voltooid’ (Gen. 2:1). Niet langer is God onderwerp, maar het resultaat van zijn handelen. Om het misverstand van autogenese te voorkomen staat dan in vers 2 dat God op de zevende dag zijn werk had voltooid, zodat Hij kon rusten.
Elk van de zes eerste tekstgedeelten heeft een vergelijkbare opbouw:[17]
|
1. |
Inleiding |
ויאמר |
|
2. |
Bevel |
Er zij …. |
|
3. |
Voltrekking |
En er was … |
|
4. |
Evaluatie |
En God zag dat het goed was |
|
5. |
Ordening |
En het werd avond . |
Verder kan er op gewezen worden dat er een zeker correspondentie is tussen het geschapene in dag 1 tot en met 3 met de schepsels in dag 4 tot en met 6:
|
Dag 1 Gen 1:1-5 Licht en duisternis // dag en nacht Het werd avond en het werd morgen |
Dag 4 Gen 1:14-19 Lichten aan de hemel // dag en nacht Het werd avond en het werd morgen |
|
Dag 2 Gen 1:6-8 Firmament // hemel Het werd avond en het werd morgen |
Dag 5 Gen 1:20-23 Levende wezens // vogels // zeedieren Het werd avond en het werd morgen |
|
Dag 3 Gen 1:9-13 Droog land // aarde Het werd avond en het werd morgen |
Dag 6 Gen 1:24-31 Landdieren // mens Het werd avond en het werd morgen |
|
Dag 7 Gen 2:1-3 Rust God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig |
|
Fig. 1. Schema compositie en correspondenties Gen. 1:1-2:3
Ik noemde Genesis 1 een scheppingspsalm.[18] Tot de kenmerken van poëzie horen herhaling en refrein. De uitdrukking ‘En God zag dat het goed was’ komt verschillende keren voor. De eerste maal vinden we die uitdrukking bij de beschrijving van de derde dag, nadat aarde en zee zijn onderscheiden. De uitdrukking wordt herhaald na de creatie van verschillende soorten planten en dieren. Vaak wordt gesteld dat dit refrein haar climax heeft in Gen. 1:31 wanneer na de schepping van de mens gezegd wordt ‘Hij zag dat het zeer goed was’, met daaraan verbonden de gedachte dat de mens als kroon van de schepping een uitermate bijzonder plaats heeft. Deze visie ziet echter voorbij aan twee zaken. Allereerst staat er in vers 31 ‘God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was’. Dat betekent naar mijn mening, dat het geheel van aarde en leven geldt en niet beperkt is tot één type primaten. Vervolgens wil ik erop wijzen dat het thema van Gods waardering wordt voortgezet bij de beschrijving van de zevende dag. Daar staat wel een iets andere uitdrukking: ‘God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig’.[19] Naar mijn mening is de heiligverklaring van de zevende dag de werkelijke climax van de reeks waarderingen en wijst dit element op een liturgische setting.
Een ander element van herhaling is het refreinachtige ‘Het werd avond en het werd morgen’ dat zes maal genoemd wordt telkens als afsluiting van de beschrijving van een dag. Volgens de oudoosterse visie begon de dag met het invallen van de avondduisternis. De uitdrukking ‘Het werd avond en het werd morgen’ kan gezien worden als een temporeel merisme. Een merisme is een taalfiguur die het geheel bedoelt door te wijzen op de tegenover elkaar liggende aspecten.[20] Genesis 1 is vol met merismen. Het scheppen van hemel en aarde, bijvoorbeeld, duidt aan, dat God het gehele universum heeft geschapen. Het temporele merisme ‘Het werd avond en het werd morgen’ vindt haar climax aan het slot van de tekst waar in een ruimtelijk en tijdelijk merisme het geheel van de schepping wordt samengevat: ‘God zegende de zevende dag en verklaarde die heilig’.[21]
Ik beperk me hier tot deze twee voorbeelden van herhaling en refrein, omdat ik nog ergens anders op wil wijzen. De oudtestamentische wetenschap gaat er – met goede argumenten – vanuit dat Genesis 1 gelokaliseerd moet worden in de Tweede Tempel, die na de Babylonische ballingschap het centrum voor identiteitsvorming voor het wordende Jodendom is geweest. Meer precies: Genesis 1 verwoordt een priesterlijke visie op de werkelijkheid. Tot deze priesterlijke ‘theologie’ behoort de opvatting van de tweedeling van de werkelijkheid. Zo is in deze priesterlijke theologie sprake van rein versus onrein. Dergelijke tweedelingen functioneerden als grensindicatoren van de identiteit: ‘rein’ valt er binnen en ‘onrein’ erbuiten. Naast de genoemde merismen bevat Genesis 1 ook tal van polariteiten: licht & donker; water & land; mannelijk & vrouwelijk. Deze polariteiten hebben hun plaats in een netwerk van tegenstellingen – zoals Sabbath & werkdagen; besneden & onbesneden – die een weerspiegeling zijn van de geschiedenisopvatting en de werkelijkheidsbeleving van de priesters uit de tweede tempel.[22] Anders gezegd: scheppen is hier onderscheiden en indelen in herkenbare patronen die houvast en daarmee identiteit geven.
Al deze observaties leiden tot de conclusie dat Genesis 1 een kunstig en kundig gecomponeerde en geconstrueerde scheppingspsalm is. De tekst biedt een talig ontwerp van de werkelijkheid dat met kennis van zaken is gemaakt, kortom Genesis 1 is als tekst een Intelligent Design. Hoewel de tekst geen oproep tot lof bevat, laat zij zich toch lezen als een loflied op de schepping juist vanwege de climax in de liturgische setting.[23]
Gods constructie van de werkelijkheid
In het eerste vers van het Boek Genesis wordt het werk dat God verricht in het geheel van Gen. 1:1-2:4 samengevat in het containerbegrip ברא. Dit Hebreeuwse werkwoord weergegeven met een vorm van ‘scheppen; maken’.[24] Deze vertaling bergt een mogelijk misverstand in zich, namelijk dat in Genesis 1 sprake zou kunnen zijn van een visie op het begin als een creatio ex nihilo. De idee van ‘iets uit niets’ past echter meer bij een Griekse wereldbeschouwing en wordt daarom vanwege haar vreemdheid aan de oudoosterse denken zelden meer in Genesis 1 gelezen.
Onlangs heeft Ellen van Wolde de stelling verdedigd dat het Hebreeuwse werkwoord בראhet beste met ‘scheiden’ zou kunnen worden vertaald.[25]
Haar voorstel is gebaseerd op een combinatie van taalkundige, exegetische en vergelijkende methodes. Taalkundig volgt zij het voetspoor van de cognitieve grammatica zoals door Ronald Langacker ontworpen.[26] Vergelijkingen trekt zij met oudoosterse scheppingsmotieven, met name uit Mesopotamië. Exegetisch gaat zij de verschillende plaatsen in Genesis 1 langs waar het werkwoord בראvoorkomt om te zien of de betekenis ‘scheiden’ niet beter past dan de klassieke vertaling ‘scheppen’. Onder ‘scheiden’ verstaat zij in feite ‘differentiëren’, dat wil zeggen in twee of meer zelfstandige delen uiteenleggen, wat oorspronkelijk een samenhang vormde. Zo wordt de oorspronkelijke eenheid ‘mens’ uitgesplitst in mannelijke en vrouwelijke wezens.
Marjo Korpel en ik hebben proberen aan te tonen, dat het voorstel van Van Wolde niet houdbaar is.[27][28] Daarbij hebben we – ondermeer – de volgende argumenten in stelling gebracht. (1) Vanuit een etymologisch standpunt bezien staat haar voorstel zwak. (2) De weergave van בראmet ‘scheiden; differentiëren’ houdt geen rekening met het gegeven dat in Genesis 1 dit werkwoord niet met voorzetsels die op scheiding of onderscheiding wijzen, is verbonden.[29] (3) In tegenstelling tot wat Van Wolde beweert, komt het onvoltooid deelwoord van het werkwoord בראwel voor in het Oude Testament en is er bijgevolg in de Hebreeuwse Bijbel sprake van een schepper. (4) Een overzicht van paral- lellismen, woordparen en synoniemen maakt duidelijk dat het werkwoord בראdeel uitmaakt van een semantisch veld dat over ‘bouwen; constructie; maken’ gaat. (5) In de Hebreeuwse Bijbel is er geen zin te vinden, waarin het werkwoord בראzinvol met ‘scheiden’ kan worden vertaald.
In hetzelfde artikel hebben wij een alternatief verwoord. Het viel ons op, dat binnen de Hebreeuwse Bijbel het werkwoord בראalleen voorkomt in relatief late teksten. In een oudere tekst zoals Gen 14:19, 22, wordt het werkwoord קנה gebruikt. Dit werkwoord betekent zowel ‘gewinnen; verwekken’ als ‘scheppen’. Dit verbum heeft oude wortels in de West-Semitische talen, waarin het zowel op menselijke als op goddelijke daden kan wijzen.[30] Het epitheton ‘El de schepper van de aarde’ komt ook voor in een Phoenicische inscriptie uit de achtste eeuw,[31] en op een Hebreeuws ostracon uit de zesde eeuw uit Jeruzalem.[32] Elders in het oude Nabije Oosten nam Baäl deze titel van El over.[33] Naar alle waarschijnlijkheid beschouwden de Kanaänieten Ilu/El als de god die verantwoordelijk was voor de scheiding van de ‘grote wateren’. Deze differentiërende handeling wordt echter nooit aangeduid met het werkwoord qny.[34]
In de loop van de geschiedenis van Oud Israël is het gebruik van het werkwoord קנהvoor Gods handelen aan het begin, vanwege de ambiguïteit gaandeweg in onbruik geraakt. Klaarblijkelijk wilde men een werkwoord dat óók naar de pro-creatie kon verwijzen, vermijden. De gedachte echter dat YHWH/God aan het begin optrad als schepper van hemel en aarde, werd telkens weer verwoord.[35] Klaarblijkelijk ontstond de noodzaak op een manier over de schepping te spreken die elke mogelijkheid van menselijke activiteit uitsloot. De schrijvers waren op zoek naar een term die aansloot bij de concepten van goddelijke heiligheid, verhevenheid en ondoorgrondelijkheid. Tegen deze achtergrond is een specificatie van de betekenis van het werkwoord בראI te begrijpen en ook te constateren. Als gevolg van deze toespitsing werd het werkwoord בראI exclusief gebruikt met YHWH als grammaticaal subject. Genoemd werkwoord had naar alle waarschijnlijkheid de oorspronkelijke betekenis ‘construeren; bouwen’.[36] Waar en wanneer de specificatie van de betekenis heeft plaatsgevonden is niet achterhaalbaar. Een discussie van de mogelijke posities voert te ver voor deze bijdrage. Zij zal vermoedelijk vlak voor de Babylonische Ballingschap vorm hebben gekregen.
Anders gezegd, de voorkeur voor het gebruik van het werkwoord בראI, ‘scheppen’, is een voorbeeld van een theologisch gemotiveerd ‘neologisme’. De keuze voor deze specifieke betekenis van dit werkwoord is mede ingegeven door gedachte antropomorfismen bij de beschrijving van Gods daden aan het begin te vermijden. Het gebruik van dit werkwoord veronderstelt niet de gedachte van een creatio ex nihilo.[37] In de Hebreeuwse Bijbel zijn drie modellen voor schepping aan te wijzen. Elk van die drie modellen bevat elementen die ook elders in het Oude Nabije Oosten zijn aan te treffen. Bovendien zijn verbanden te leggen met de scheppingsfolklore van alle eeuwen en alle plaatsen.[38] Die modellen zijn: schepping door het woord; schepping als constructie – met metaforen van de bouwer, de smid en de pottenbakker – en creatio continua. Deze modellen sluiten elkaar niet wederzijds uit. Het enige model van schepping zoals bekend uit het Oude Nabije Oosten, dat in Israël werd afgewezen, is het model van schepping door procreatie. Vandaar de vervanging door het meer theologische werkwoord בראvan het oudere, maar ambivalente werkwoord קנה.[39]
Samenvattend: deze visie op de aard van Gods scheppende handelen aan het begin past goed binnen de Priesterlijke theologie. Deze theologie is georienteerd op de tempel.[40][41] Zoals de tempel gebouwd was door mensenhanden, zo heeft YHWH de kosmos geconstrueerd als zijn tempel.[42] Ter vermijding van een antropomorfisme werd het werkwoord בראgebruikt en niet het standaardwerkwoord voor ‘bouwen’, בנה. De kosmos in Genesis 1 wordt dus gezien als Gods constructie van de werkelijkheid die vanwege haar goedheid moet worden geprezen. Zij wordt bezongen om haar goedheid.
Implicaties
Lof kan niet zonder ethos. Welk ethos in Genesis 1 is geïmpliceerd, wil ik nu via een omweg beschrijven. Genesis 1 lijkt niet te rijmen op het model van de moderne natuurwetenschap. Daarmee is bedoeld, dat wanneer dit ontwerp wordt vergeleken met de hedendaagse kosmogonie er een aantal zaken zijn die niet parallel lopen – een aantal overigens wel. Het belangrijkste punt daarbij is het moment van de schepping van de zon, de maan en de sterren. Die komen in Genesis 1 pas op de vierde dag op het toneel en wel na het ontstaan van planten en bomen. Dit gegeven klopt niet met de hedendaagse visie dat de zon en de sterren ouder zijn dan de aarde en er al lang waren eer er sprake was van enig leven op onze planeet. Zonlicht is uiteraard een noodzakelijke voorwaarde voor de fotosynthese bij planten. Ik zou hier twee opmerkingen willen maken, een godsdiensthistorische en een hermeneutische.
Er is al vaker gewezen op het element van declassering in Genesis 1.[43] In de omliggende culturen waren de zon, de maan en de sterren herkenbare symbolen van en zelfs namen voor een diversiteit aan goden. In Genesis 1 worden deze Babylonische goden op hun plaats gezet. Zij komen pas tijdens de vierde dag op het toneel en zijn dan niet veel meer dan een ornament voor het wordende leven op aarde.
Hermeneutisch moet het volgende worden opgemerkt. De auteurs van Genesis 1 geven een constructie van de werkelijkheid op basis van de kennis van hun dagen. Zij beschrijven wat zij zien als het begin van tijd en geschiedenis in de terminologie van hun cultuur. Hun voorwetenschappelijke of mythische ontwerp wordt gekenmerkt door de menselijke maat. ‘Zeven dagen’ als termijn is begrijpelijker dan ‘4^2 miljard jaar’. Hun indeling van de soorten beperkt zich tot die dieren en planten die in de wereld van de eerste lezers voorkwamen.[44]
De eigenlijke vraag in de discussie over schepping of evolutie is niet de vraag naar de visie van Genesis 1, maar de vraag of die visie ook nu nog geldig is. Op die vraag zijn verschillende antwoorden mogelijk.
Ten eerste kan men de vraag met ‘ja’ beantwoorden vanuit de idee dat de Bijbel van kaft tot kaft Gods Woord is. Het Oude Testament is dan niet alleen een geloofsboek, maar ook een leerboek voor aardrijkskunde, geschiedenis en biologie. Een dergelijk visie houdt geen rekening met de historische verworteling van Genesis 1. Tevens zoekt men in deze benadering geforceerd naar natuurkundig bewijs voor de juistheid van de constructie van Genesis 1.[45][46]
Ten tweede kan men de vraag met ‘nee’ beantwoorden. Achter dat ‘nee’ kan atheïsme, agnosticisme of andere (on)gelovigheid schuil gaan. Kort gezegd: voor niet-joden en niet-christenen heeft een beroep op de Bijbel weinig zin.[47] Genoemd ‘nee’ kan ook iets anders willen uitdrukken. Er is een vorm van christendom mogelijk, dat geen moeite heeft om de hedendaagse verklaring van de werkelijkheid te omarmen. Ik voel mij daar wel bij thuis, juist omdat ik van huis uit geleerd heb dat ‘geloof’ en ‘biologie/ fysica’ twee uiteenlopende dimensies van de werkelijkheid zijn.[48]
Er is nog een derde antwoord mogelijk. Dat is wel een complex antwoord. Het komt hier op neer, dat aanvaard wordt dat Genesis 1 een verwoording van geloof is in de taal van toen en gebaseerd op de kennis van destijds. Dat geloof zou dan gedecontextualiseerd moeten worden en vervolgens gecontextualiseerd naar onze tijd en de huidige kennis. Anders gezegd: een zoektocht naar woorden en beelden gebaseerd op wat we nu weten om uiting te geven aan de verwondering dat temidden van een oeroud en immens heelal er mensen zijn – product van het toeval – die beseffen dat hun leven meer is dan wat aan de oppervlakte zichtbaar is. Die geen genoegen nemen met de reductie van de mens tot homo economicus[49] met een bundeltje driften. Die weet hebben van hun verantwoordelijkheid als rentmeesters over de werkelijkheid en dus niet altijd en overal de mens in het midden willen zetten.[50] Terecht heeft John Rogerson er op gewezen, dat wanneer de homo economicus zijn honger naar steeds meer grenzeloos zou botvieren, dit leiden zal tot ‘destroying the planet’[51], of anders gezegd tot een einde van Gods constructie van de werkelijkheid. Dan valt het loflied stil.