Menu

Basis

Een wet van Meden en Perzen

3e zondag van de Herfst (Daniël 6:1-29)

De reeks verhalen in het eerste gedeelte van het boek Daniël eindigt met dat over Daniël in de leeuwenkuil (hoofdstuk 6). God laat zijn mensen die vastzitten in het dilemma van machtspositie en trouw aan Hem, niet in de steek. Als zij gekleineerd en met de dood bedreigd worden, redt Hij hen, zelfs al is het op het laatste moment.

De oorzaak van de levensbedreigende situaties waarin Daniël en zijn vrienden terechtkomen, is haat, nijd en afgunst onder de leidinggevenden aan het hof, waarbij hun joods-zijn en onverzettelijke houding tegenover het buigen voor mensen gebruikt wordt om tegen hen te ageren. Daniël wordt als uitermate begaafd beschreven (1:17.19-20; 2:48; 5:11; 6:4). Hij verwerft onder ieder van de drie koningen een hoogstaande positie (2:48; 5:29; 6:3-4). Bij Nebukadnessar en Belsassar verdient hij die door uitleg van dromen. Bij Darius is zijn wijsheid al spreekwoordelijk en wordt hij direct op de belangrijkste positie na de koning benoemd, met twee anderen. Als de koning overweegt een nieuwe baan te creëren en hem boven de twee anderen te plaatsen, beramen de rijksbestuurders en satrapen een intrige. Godsdienst speelt aanvankelijk geen rol. Zij proberen, zo Malbim (Joods-Russische geleerde, 19e eeuw), eerst een bestuurlijke fout, dan een persoonlijke nalatigheid bij Daniël te vinden.[1] Het Aramese ‘illah betekent uitvlucht, voorwendsel, fout; sjaloe betekent nalatigheid, vergissing, overtreding (6:5). Zij weten dus dat zij alleen kleine fouten zouden kunnen vinden om die later op te blazen, maar zelfs die vinden zij niet. Blijft alleen het persoonlijke geloof waarin Daniël zich onderscheidt.

De intrige

Darius is al oud als hij koning wordt. De honderdtwintig satrapen benoemt hij om zijn macht in het land veilig te stellen. Daar spelen de bestuurders op in. Fase één: zij vragen de koning om een wet uit te vaardigen die gebiedt dat dertig dagen lang verzoeken alleen aan de koning gericht mogen worden, niet aan goden of mensen, wetende dat Daniëls loyaliteit tegenover God groter is dan zijn gehoorzaamheid aan de koning. Fase twee: zij kiezen ervoor om massaal op te treden, opdat het de koning niet opvalt dat Daniël niet in hun midden is. Zij spreken over ‘alle rijksbestuurders’ (6:8). Fase drie: zij laten de koning geen tijd om na te denken. Vaardig nú de wet uit, want eenmaal opgeschreven is het een onveranderlijke wet van Meden en Perzen (6:9). Het lukt. Darius valt niets op, ook niet hoe absurd het is dat alle honderdtwintig satrapen uit de honderdtwintig provincies bij hem binnenkomen en aandringen op een redelijk onbelangrijk verzoek met een absurd strenge sanctie. Hij doet wat zij vragen, want Darius wil, door als enige middelaar tussen goden en mensen op te treden, zijn macht verder vestigen, aldus Alshich (16e eeuw, Israël) en Malbim.

De fout

Daniël is een trouwe synagogeganger [2] en gewend om drie keer per dag te bidden. Als hij van de wet hoort, trekt hij zich terug om te bidden in zijn bovenkamer, waar hij denkt niet zichtbaar te zijn (6:11). In de joodse traditie wordt gediscussieerd of Daniël wel zo heldhaftig vroom is. Naar algemeen rabbijns standpunt was Daniël niet verplicht zijn leven voor het gebed te wagen. Darius’ wet verplichtte hem immers niet om zijn jodendom af te zweren of een andere zware overtreding te begaan. Bij gevaar voor eigen leven moet je zelfs elk gebod overtreden ‒ met uitzondering van moord, ontucht en afgoderij ‒ want de Tora is de mensen geschonken opdat zij daardoor leven (Leviticus 18:5). Malbim daarentegen verklaart dat Daniël denkt de wet niet te overtreden, omdat zijn gebed lofprijs en dank is (Daniël 6:11). Zijn tegenstanders zien hem bij het geopende raam of weten wanneer hij bidt. Zij dringen zijn huis binnen en definiëren bidden als vragen. Dat dient als de fout, hoe zwak ook gevonden, die zij nodig hebben om hem bij de koning aan te klagen (6:12). Bij de koning verzekeren zij zich er eerst van dat het verbod daadwerkelijk wet is, met de sanctie die erop staat. Pas als de koning dat bevestigt, vertellen zij het verhaal over Daniël. Daarbij klagen zij niet de rijksbestuurder Daniël aan, maar de balling uit Juda, en verraden daarmee hun vreemdelingenhaat. Ook bij Nebukadnessar wordt naar het vreemdeling-zijn van de drie mannen verwezen in plaats van naar hun functie (3:8.12). Belsassar zet zelf, in tegenstelling tot zijn vrouw, Daniël op zijn plaats door zijn vreemdeling-zijn te benadrukken (5:11-13). Ieder vooroordeel of iedere angst bevat ergens een vonkje waarheid dat gebruikt wordt om een ‘grote’ waarheid te scheppen die, bedoeld of onbedoeld, dodelijk voor anderen kan zijn.

God en mens

Anders dan zijn voorgangers is Darius erg begaan met Daniël. Hij moet hem in de leeuwenkuil gooien, maar lijdt eronder. Hier wordt nogmaals duidelijk hoe God en mensen samenwerken. God redt Daniël van de leeuwen, maar Darius redt hem van de mensen: hij verzegelt de opening van de kuil met een grote steen. Anders zouden zijn rivalen hem misschien ’s nachts doden, mochten de leeuwen hun werk niet verrichten. Tegelijkertijd bewijst hij daardoor dat hijzelf hem niet heimelijk zal bevrijden (6:17-19). Abravanel (15e eeuw, Lissabon) belicht de metaforische betekenis van de redding van Daniël en zijn vrienden: de omringende volkeren zijn zoals de leeuwen of het vuur tegenover het Joodse volk. Als zij vastbesloten trouw blijven aan hun geloof, zullen de volkeren hen niet kunnen raken. In de visioenen van de komende hoofdstukken wordt deze ervaring op een messiaans vlak getild.

Deze exegese is opgesteld door Kristin Ritsert.

Voetnoten

[1] Art Scroll Tanach Series, Daniel, 177.

[2] In de tijd van de Babylonische ballingschap worden verzamelplaatsen opgezet, waar gebeden en geleerd wordt om de traditie overeind te houden, die de tempel in Jeruzalem als religieus centrum vervangen.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken