Menu

Premium

Eerst Israël, dan de volkeren

9e zondag van de Zomer – Jesaja 56:1-7(8) en Matteüs 15:21-28(38)

Het is niet ‘per ongeluk’ dat er bij Matteüs twee spijzigingsverhalen te vinden zijn. Het heeft te maken met de verspreiding van het Koninkrijk, eerst naar Israël en dan naar de volkeren. Het verdient daarom aanbeveling deze zondag verder te lezen dan Matteüs 15:28. Daarna wordt namelijk verteld over de tweede spijziging: de spijziging van de vierduizend waarbij zeven volle korven overblijven.

In het wonderlijke spel met de getallen wordt in het evangelie uitdrukking gegeven aan de historische heilsontwikkeling: ‘eerst Israël, dan de volken’.

Het brood en de kruimels

Tussen de twee spijzigingsverhalen vertelt Matteüs het verhaal van de Kanaänitische vrouw (Syro-Fenicische van geboorte, vergelijk Marcus 7:24-30) wier geloof door Jezus wordt geprezen. Het is het geloof van iemand die de heilsgeschiedenis kent: eerst Israël, dan de volkeren. In onze oren klinkt het allemaal wat vreemd als Jezus haar verzoek om hulp beantwoordt met de harde opmerking: ‘Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van Israël gezonden’ (Matteüs 15: 24). Nog erger wordt het als Jezus zegt: ‘Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is, aan de honden te geven’ (15:26). Maar met deze woorden worden alle heiden-christenen die later tot het heil zullen toetreden tot enige bescheidenheid gemaand – dat kan nooit kwaad. Wonderlijk genoeg is de vrouw niet boos of teleurgesteld, maar geeft ze Jezus gelijk. Zij zegt: ‘Wel waar, Heer, de honden eten immers ook de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen’ (15,27). Daarmee stelt ze zich open voor de bijzondere openbaring van God in Israël en komt haar eigen verlossing in zicht. Ze heeft de Davidszoon aangeroepen, de Messias (15:22) en daarom moet ook haar iets van de overvloed van de messiaanse maaltijd toevallen. Ook de Samaritaanse vrouw in het Johannesevangelie zei het al (zie de derde zondag van de Veertigdagentijd): ‘Ik weet het, het heil is uit de Joden’ (Johannes 4:22). Het verhaal van de zeven korven completeert het verhaal van de kruimels. Vergelijk ook wat gezegd is bij de zevende zondag van de zomer (in 2020), over de eerste spijziging (Matteüs 14:13-21; zie De Eerste Dag 2020-3, p. 62-63).

Het recht voor bevrijde bannelingen

Dat de volkeren erbij horen, komt ook naar voren in de eerste lezing. Met Jesaja 56 begint een derde afdeling binnen de geschriften van Jesaja. In deze zogenaamde Trito-Jesaja wisselen verschillende auteurs elkaar af. Het gedeelte dat vandaag gelezen wordt, dateert uit de tijd van de terugkeer uit de ballingschap en de wederopbouw van de nieuwe tempel. Een nieuw begin voor een kleine groep teruggekeerde ballingen. Die zullen weer op hun trouw aan de Enige getoetst worden. ‘Welzalig de sterveling die het recht onderhoudt, het
mensenkind dat daaraan vasthoudt’ (56:2). We horen Psalmen 1 meeklinken. De achtergrond van deze profetische actualiteit vormen de Tien Woorden door God gegeven op de berg Sinai (Exodus 20). Daar staat het recht voor bevrijde mensen omschreven: ‘Ge zult (…) dan zul je leven!’ Jesaja borduurt daarop voort, sluit erbij aan: ‘Gedenkt de sabbat. Woord van de Heer’ (56:2).

Ook voor vreemdelingen en ontmanden

Vanaf 56:3 gaat de Heer in op een door ontrechte mensen geopperde gedachte: wij horen er niet bij, voor ons is deze God niet bedoeld. De vreemdeling en de ontmande – die het niet meer van eigen kunnen hoeft te hebben: laten ze alsjeblieft niet zeggen, en laat niemand het over hen zeggen, dat ze niet inbegrepen zijn in het heil en de gerechtigheid van de Heer. Het is juist zijn gerechtigheid dat ze er wél bij horen. Het is de praktijk dat anderen, niet-joden, zich aansluiten bij Gods volk. Buitenstaanders voelden zich betrokken bij de weg die de Heer, de God van Israël, gaat.

Een bedehuis voor alle volkeren

Zoals ook in de Tora, het onderricht van Mozes, staat geschreven: ‘Bij de uittocht uit Egypte, de weg der bevrijding door de woestijn, trok er ook een menigte van allerlei slag met hen mee’ (Exodus 12:38). Die wil ook de Heer dienen (Jesaja 56:6). Dan moet ook duidelijk zijn dat de naam van die vreemdelingen verdisconteerd wordt in Gods Naam. Voor hen gelden dezelfde rechten als voor de geboren Israëliet. Zij die geen toekomst dachten te kunnen verwachten, voor hen is Gods huis opengesteld. Ja, voor alle volkeren is het huis des Heren een huis van recht en gebed (56:7). Zo ver gaat de Heer met zijn gerechtigheid, met zijn Woord. Dat is de profetische visie. Nu er een kleine groep ballingen is teruggekeerd, en deze weer een nieuwe toekomst in eigen land kan opbouwen (‘Hij brengt de verdrevenen van Israël bijeen’), wordt ter ondersteuning toegezegd: ‘Ik zal daartoe nog meerderen bijeenbrengen, dan er reeds toegebracht zijn’ (56:8).

Gods gebedshuis is zo wijd als de wereld. Het dient de ruimte van de wereld in zich te herbergen. In de tempel (‘daar staan de zetels van het recht’ – Psalmen 122:5), toonbeeld voor het onderhouden van Gods recht, is er principieel plaats voor alle volkeren.

Deze exegese is opgesteld door Hein Jan van Ogtrop.

Wellicht ook interessant

Uitsnede uit de cover van Op de school van het lijden
Uitsnede uit de cover van Op de school van het lijden
None

Thema: School van het lijden

Hans Alderliesten werkt bij Movisie als senior onderzoeker op het gebied van dementie. In zijn werk staat de vraag centraal hoe mensen, ook wanneer zij te maken krijgen met kwetsbaarheid, ziekte of verlies, volwaardig kunnen blijven meedoen aan de samenleving. Hij beschouwt dementie niet alleen als een zorgvraagstuk, maar vooral ook als een samenlevingsvraagstuk. Daarnaast doet hij promotieonderzoek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam naar leiderschap bij de filosoof Augustinus. Hij publiceert over menselijke waardigheid, kwetsbaarheid en de betekenis van klassieke denkers voor actuele maatschappelijke vraagstukken. In zijn nieuwste boek, Op de school van het lijden, brengt hij Augustinus en Job met elkaar in gesprek over lijden, verlies en de kunst van het leven. Elsbeth gaat in deze aflevering in gesprek met Hans Alderliesten.

Portret van David Iboma, buiten voor een groene achtergrond
Portret van David Iboma, buiten voor een groene achtergrond
Basis

“Zoek de eeuwige prijs”

David Iboma, Belg met Congolese roots, werd geboren in 1994 in Kinshasa, Congo. Met zijn ouders en broer reisde hij de eerste jaren van zijn leven door Afrika waar zijn vader werkte als zendeling. Als kind kwam hij aan in Antwerpen, en werkte zich op tot voetballer op hoog niveau. Vandaag zet hij zijn levenservaring in om jonge mensen – veelal kinderen van immigranten en ook met een moslimachtergrond – te begeleiden en inspireren. Vaak via sport, en altijd met de Bijbel in de hand en in het hart. Martine Meijers ging met hem in gesprek.

Nieuwe boeken