Menu

Premium

Evangeliseren, (in)winnen, overtuigen

Geloofstaal en cultuurtaal

Iemand ‘winnen’ als het overtuigen en inwinnen van iemand voor een bepaalde zaak, is nauwelijks een gangbaar begrip in onze taal. We gebruiken ‘winnen’ eigenlijk alleen in de betekenis van ‘overwinnen’. Een restant van het bijbelse spraakgebruik vinden we in de negatief geladen uitdrukking ‘zieltjes winnen’. Ook zegt men nog wel: ‘Ik geef me gewonnen’, wanneer men door een ander is overtuigd.

Een typisch christelijk begrip is ‘evangeliseren’, een woord dat buiten de kerk niet wordt gebruikt. Het is een technische term voor het verspreiden van het evangelie via acties, literatuur, media, persoonlijke getuigenissen en dergelijke. Soms wordt het gebruikt om het kerstenen (‘christianiseren’) van een bepaalde cultuur te verwoorden (‘be-evangeliseren’).

Woorden

‘Winnen’ als overdrachtelijke term in Nederlandse vertalingen van het Oude Testament gaat terug op een reeks Hebreeuwse woorden, als matsa (‘vinden van genegenheid’; vgl. Gen. 32:5 enz.; 47:25), laqach (‘verwerven’, bijv. van inzicht; vgl. Spr. 9:9). ‘Harten winnen’ als betekenis die nauw verwant is met het nieuwtestamentisch gebruik, komt één keer voor in het Oude Testament (laqach in Spr.11:30).

De betekenis ‘verwerven’ vinden we in het Grieks van het Nieuwe Testament in de uitspraken van Jezus over het ‘winnen’ van de wereld en het ‘verliezen’ van de ziel (Mat. 16:26; Mar. 8:36; Luc. 9:26). Mogelijk wordt hetzelfde bedoeld in Filippenzen 3:8 (‘Christus winnen’). Daarnaast vinden we de typisch missionaire betekenis van het ‘overtuigen’ en ‘inwinnen’van iemand. Dit ‘winnen’ in Nederlandse bijbelvertalingen gaat terug op twee Griekse woorden: peithein (‘overtuigen’; Hand. 12:20; Gal. 1:10) en kerdainein (Mat. 18:15-16; 1 Kor. 9:19-23; 1 Petr. 3:1). Daarnaast vinden we een specifieke groep teksten die het Griekse woord elenchein gebruikt. Soms wordt dit met ‘overtuigen’ vertaald (bijv. Joh. 16:8).

‘Evangeliseren’ is afgeleid van het Griekse euangelizein (‘goed nieuws verkondigen’). Dit woord wordt in de Septuagint gebruikt voor het Hebreeuwse basar. Dit woord betekent in eerste instantie gewoon ‘(goed) bericht brengen’ (2 Sam. 4:10; 18:20, 26; 2 Kon. 7:9; vgl. Luc. 1:19; 1 Tess. 3:6), maar wordt vooral in Jesaja gebruikt om de verkondiging van Gods heil aan te duiden, als hét goede bericht bij uitstek (Jes. 40:9; 41:27; 52:7; 60:6; 61:1; vgl. Nah. 1:15; 2:1; Ps. 96:2). Het Nieuwe Testament sluit bij dit woordgebruik aan. Daarnaast kent het Nieuwe Testament allerlei samenstellingen met het zelfstandig naamwoord euangelion (‘goed nieuws’), bijvoorbeeld met ‘verkondigen’ of ‘getuigen’. Qua betekenis komen deze samenstellingen ruwweg overeen met euan-gelidzein.

Betekenis in context

Oude Testament

In het Oude Testament zijn vooral de teksten uit Jesaja 40-66 belangrijk. Juda, dat gevangen is in Babylonië, krijgt te horen dat de verlossing aanstaande is. God Zelf zal opstaan en het volk terugbrengen. Het goede bericht is: zie, hier is uw God (Jes. 40:9-11). Iets dergelijks klinkt in Jesaja 52:7-12: Gods koningschap wordt verkondigd. Hij zal het volk uit zijn gevangenschap leiden en het omringen met zijn bescherming. Gods ‘heil’, zijn ‘vrede’ wordt aangekondigd door de vreugdebode op de bergen.

Deze boodschap van verlossing en vrede voor een gevangen volk klinkt ook in Jesaja 61:1-3. Met nadruk worden hier de ‘ootmoedigen’, de ‘gebrokenen van hart’, de ‘gevangenen’ en de ‘treurenden’ genoemd als degenen voor wie het goede nieuws geldt van het ‘jaar van het welbehagen des Heren’.

Nieuwe Testament

De verkondiging van het Koninkrijk van God

Jezus zelf grijpt in zijn eerste redevoering in de synagoge van Kafarnaüm terug op Jesaja 61 om zijn programma aan te kondigen: ‘De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen’ (Luc. 4:18). In de evangeliën lezen we dan ook regelmatig dat Jezus en zijn leerlingen erop uit gingen om ‘het evangelie te verkondigen’. Dat was het ‘evangelie van het Koninkrijk Gods’ (Mat. 4:23; 9:35; Luc. 4:43; 8:1vv): de aankondiging dat Gods regering nu op aarde was gekomen in de persoon van Jezus. Dit Koninkrijk was niet alleen iets geestelijks; het werd zichtbaar in tekenen van Gods kracht: blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie’ (Mat. 11:5; vgl. Luc. 7:22). Dit nieuws is niet alleen goed, het is ook werkelijk nieuws: met de komst van Jezus heeft een beslissende verandering plaatsgevonden (vgl. Luc. 16:16). De profetische beloften van het Oude Testament worden in Hem werkelijkheid. In Hem krijgt Gods heil, dat eeuwenlang werd verwacht, concreet gestalte.

Kortom, het goede bericht dat werd gebracht door Jezus en zijn leerlingen betrof alle dimensies van het leven: de verhouding tot God en het samenleven van mensen. In de realiteit van het Romeinse Imperium werd met het woord ‘evangelie’ ook een gevoeligepolitieke snaar geraakt. De aardse gezagsverhoudingen worden uitgedaagd door het kind in de kribbe, zoals Lucas 1-2 laat zien.

Evangeliseren door Jezus en de apostelen

Na Jezus’ opstanding en hemelvaart krijgt de boodschap van deze veranderde werkelijkheid een verdere verdieping. Nu Jezus de dood heeft overwonnen, hebben zijn woorden en daden een goddelijke onderstreping gekregen. De dood heeft niet langer het laatste woord. Wij zijn de laatste fase van de geschiedenis ingegaan en wachten op de tweede komst van Jezus. Met andere woorden, het goede nieuws van Gods heil en vrede heeft nu een gezicht gekregen in de beloofde Messias, Jezus Christus. Met die boodschap trokken de apostelen en andere volgelingen van Jezus de wereld in. ‘. en zonder ophouden, iedere dag, leerden zij in de tempel en aan huis, en verkondigden het evangelie, dat de Christus Jezus is’ (Hand. 5:42; vgl. 8:4, 12; 11:20vv). Deze kernboodschap brachten de verkondigers in verschillende variaties, afhankelijk van wie zij voor zich hadden. Tegenover joden putten zij zich uit om uit de Bijbel te bewijzen dat Jezus inderdaad Gods Messias was. Tegenover de heidenen maakten zij duidelijk dat Jezus Heer was van alle volken en dat God door Hem iedereen zal oordelen (Hand. 10:36; 13:32; 14:15vv).

Van ‘methoden’ lezen we niet veel in het Nieuwe Testament. ‘Evangeliseren’ kan parallel worden gebruikt met ‘verkondigen’ en ‘prediken’ (vgl. Rom. 16:25; Gal. 2:2; Kol. 1:23; 1 Tess. 2:9), dus we moeten waarschijnlijk denken aan toespraken tot groepen mensen. Dat lijkt ook naar voren te komen in de situaties die in Handelingen worden beschreven. Hoewel de inhoud en de stijl van de verkondiging kon variëren naar gelang van het publiek, was mondelinge verkondiging veelal de manier waarop het goede nieuws werd doorverteld aan mensen die er nog niet van hadden gehoord. Daarnaast schreef men brieven en tractaten. Dit ‘verkondigen’ werd aangevuld met andere manieren om mensen te doordringen van het heil, of ‘in te winnen’. Daarbij hoorden wonderen en tekenen (vgl.Hand. 8:25).

Evangeliseren bij Paulus

Paulus laat zich kennen als een vurig evangelieverkondiger. Hij is overtuigd van het belang en de noodzaak van dit goede nieuws (bijv. Rom. 1:15; 10:15; 15:20). Het is voor hem geen vrijblijvende zaak. Wanneer Gods regering in Jezus Christus werkelijk is aangebroken, mag niemand daarvan onwetend blijven: ‘Want wee mij, als ik het evangelie niet verkondig!’ (1 Kor. 9:16). De aankondiging van het goede nieuws ziet Paulus als zijn levensroeping. Daarvoor heeft Christus hem gezonden (Rom. 1:1; 1 Kor. 1:17) en daarmee wil hij zijn leven eindigen (Hand. 20:24). Voor Paulus is dat een heel persoonlijke zaak, die direct te maken heeft met zijn eigen bekering tot Christus (Gal. 1:11-24). Het verkondigen van het goede nieuws is niet alleen zijn plicht; hij ziet het als een geweldig voorrecht, een eer (Rom. 15:20). Christus’ eigen werk op aarde voortzetten, is iets wat hem vervult met een besef van Gods genade en zijn eigen kleinheid (Ef. 3:8).

Een centraal element in Paulus’ verkondiging is dat de inhoud van het evangelie grensdoor-brekend is. In de eerste plaats betreft dit de scheiding tussen joden en heidenen. God heeft al aan Abraham voorzegd dat in hem alle geslachten gezegend zullen worden (Gal. 3:8, 14). Dit is nu werkelijkheid geworden door het geloof in Jezus Christus. In de tweede plaats zijn daarmee ook andere scheidingslijnen tussen mensen niet langer van absoluut belang: in Christus is geen jood of Griek, geen slaaf of vrije, geen man of vrouw (Gal.3:28). Paulus’ verkondiging houdt in dat de identiteit van mensen en groepen nu radicaal gefundeerd mag zijn in dat wat God heeft gedaan door Jezus Christus. Niet langer zal etniciteit, sociale positie, gender of godsdienstige traditie de identiteit bepalen van hen die geloven in deze boodschap.

Winnen en redden

Paulus is ook de apostel die andere termen dan ‘goed nieuws verkondigen’ heeft gemunt voor het zendingswerk. Daarbij hoort het begrip ‘winnen’. Jezus zelf gebruikt dit woord al, wanneer Hij zijn volgelingen opdracht geeft om een afgedwaalde broeder met liefde terug te winnen (Mat. 18:15-17). Die opdracht staat vlak na de gelijkenis van het verloren schaap en de beschrijving van het ‘zoeken’ en ‘vinden’ van de herder. Dit uitgaan om het verlorene te zoeken vinden we weerspiegeld in het begrip ‘winnen’. Jezus gebruikt het woord in een context van ‘onder vier ogen’ spreken met elkaar. Daarmee is het een belangrijke aanvulling op de algemenere begrippen ‘verkondigen’ en ‘prediken’. De persoonlijke benadering is een onmisbaar onderdeel van de missionaire verkondiging. Hoewel de Nederlandse vertalingen soms ‘winnen’ gebruiken als vertaling van peithoo (‘overtuigen’), is ‘winnen’ bij Paulus meer dan ‘overtuigen’. Hij gebruikt het woord in zijn beroemde beschrijving van zijn zendingswerk in 1 Korintiërs 9. Daarin vertelt hij hoe hij voor drie groepen mensen alles wilde worden ‘om er ook enigen te winnen’ (1 Kor. 9:22). Opvallend is dat Paulus bij deze mensen niet alleen niet-christenen noemt (joden en heidenen), maar ook ‘zwakken’. In de context van de brief zijn dat waarschijnlijk zwakke christenen (1 Kor. 8:1-13). Elders, in 10:32, noemt hij dezelfde drie groepen (joden, Grieken en de gemeente Gods), waarbij hij zijn verlangen uitspreekt om hen te ‘redden’. Blijkbaar moeten volgens Paulus ook christenen nog ‘gewonnen’ of ‘gered’ worden. Het is niet genoeg het goede nieuws aan hen te proclameren of hen te overtuigen van de waarheid; zij moeten gewonnen worden voor Christus. Wij zullen dit moeten lezen in het perspectief van het laatste oordeel. Voor Paulus betekent ‘redding’ dat mensen gered worden bij het eindoordeel. Daarom zijn christenen nog onderweg: missionair werk houdt niet op bij de kerkdeur. Alleen zo kunnen wij ook zijn eigen uitspraak begrijpen: ‘Alles doe ik ter wille van het evangelie, om er zelf ook deel aan te verkrijgen’ (1 Kor. 9:23).

Een belangrijke aanvulling op het gebruik van ‘winnen’ door Paulus, is 1 Petrus 3:1. Daar spoort de apostel gelovige vrouwen van ongelovige mannen aan om hun echtgenoot zonder woorden, maar door hun wandel te winnen. Het gaat bij missionaire activiteit niet alleen om spreken! Elders zegt Paulus tegen de Tessalonicenzen dat hij niet slechts het evangelie, maar ook zijn leven met hen wilde delen (1 Tess. 2:8).

Overtuigen en ontmaskeren

In het boek Handelingen wordt het gangbare Griekse woord voor ‘overtuigen’ (peithein) gebruikt in de specifieke context van discussies met de joden door Paulus en zijn metgezellen. Een belangrijk onderdeel van hun zendingsstrategie was dat zij naar de synagoge gingen, daar discussieerden en de aanwezigen uit de Schriften probeerden te ‘overtuigen’ van het feit dat Jezus de beloofde Messias was (Hand. 17:4; 18:4; 19:8; 28:23). Het ‘winnen’ en ‘overtuigen’ van mensen is veel meer dan intellectueel iemand overtuigen. Dit komt tot uiting in het woord elen-choo, dat alles te maken heeft met het aan het licht brengen van verborgen en zondige motivaties bij mensen. Het gaat er om dieper te kijken dan de oppervlakte, naar de geestelijke werkelijkheid die schuilgaat achter uiterlijke gedragingen (Ef. 5:13). Dit is het werk van de Geest: Hij ‘overtuigt’ van zonde, gerechtigheid en oordeel (Joh. 16:8). Misschien wel het mooiste voorbeeld van het gebruik van dit woord in een missionaire context is 1 Korintiërs 14:24-25. Als een ongelovige binnenkomt in de samenkomst van de gemeente ‘dan wordt hij door allen weerlegd, wordt hij door allen doorgrond, het verborgene van zijn hart komt aan het licht’. Kortom, hij wordt ontdekt aan zichzelf, krijgt een spiegel voorgehouden, zodat hij in de juiste houding komt om God te verheerlijken.

Kern

‘Evangeliseren’ is: verkondigen dat Gods regering is aangebroken in Jezus Christus. Daarom is Hij de inhoud van dat nieuws. Met Hem is alles anders geworden. Dit ‘verkondigen’ wordt in de missionaire praktijk van het Nieuwe Testament aangevuld met andere benaderingen, die hetzelfde goede nieuws op andere manieren bij de mensen brengen. Uiteindelijk gaat het erom dat mensen ‘gewonnen’ worden: dat zij, wanneer Gods regering uiteindelijk volmaakt zal zijn, in zijn oordeel worden vrijgesproken.

Verwijzing

Zie voor verwante en/of aanvullend te bestuderen woorden: gezalfde, zoeken, zwak, Koninkrijk van God.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken