Menu

None

Gastvrijheid of uitsluiting

Bij 2 Koningen 4,8-18 (37) en Marcus 7,24-30

Een plaats om je terug te trekken, dat is wat de vrouw uit Sunem Elisa biedt, en waarnaar Jezus op zoek gaat in Marcus 7. Zo wordt een huis de locatie waar de verhalen over de profeet respectievelijk Jezus zich verder kunnen ontwikkelen.

Voor Elisa is speciaal plaatsgemaakt in een huis in Sunem. Het begon met een uitnodiging voor de maaltijd, maar dit wordt al snel een vaste gewoonte (2 Koningen 4,8). Zijn gastvrouw herkent en erkent hem immers als een heilige, voor de dienst aan God apart gezette mens. Daarom laat ze in haar huis een kamer voor hem maken waar hij zich kan terugtrekken, telkens als hij op doorreis bij haar langskomt.

Niet zomaar een huis

Bij Marcus is een huis aanvankelijk de plaats waar Jezus mensen ontmoet en geneest (Marcus 1,29; Marcus 2,1.15; Marcus 3,20). Gaandeweg, naarmate de weerstand tegen Jezus groeit, wordt het huis de plaats waar Hij alleen kan zijn met zijn leerlingen, weg van de menigte, waar Hij zijn leerlingen zijn woorden verder uitlegt (Marcus 7,17.24; Marcus 9,28.33).
Net als eerder wil Jezus met zijn leerlingen alleen zijn, maar lukt dit niet (Marcus 6,32; 7,24). Dat Jezus zelfs in het gebied van Tyrus herkend wordt, hoeft niet te verbazen. Eerder had Marcus immers al aangegeven dat mensen uit de omgeving van Tyrus en Sidon naar Jezus toe kwamen omdat ze gehoord hadden wat Hij allemaal deed (Marcus 3,8).

Dank versus afwijzing

Elisa wil graag iets tegenover de gulle gastvrijheid van zijn gastvrouw stellen als hij die kamer effectief betrekt. Wat hij haar wil bieden, wil ze echter niet. Een voorspraak bij de koning of de legeraanvoerder heeft ze niet nodig, aangezien ze leeft te midden van haar eigen volk. Eén ding ontbreekt haar nog: ze heeft geen kinderen. Daarom geeft Elisa haar de verzekering dat zij binnen het jaar een zoon in haar armen zal sluiten. Later zal die zoon sterven aan een zonnesteek en door Elisa tot leven gewekt worden. Van dit gebeuren verhaalt Elisa’s dienaar tegenover de koning. De vrouw uit Sunem wordt zo met haar zoon een levende getuigenis van de daden van de profeet (2 Koningen 8,5).
Het contrast tussen Jezus en Elisa’s medeleven is groot. De Syro-Fenicische kan op weinig begrip rekenen. Als zij Jezus komt storen, wijst Hij haar af, in denigrerende beeldtaal: ‘Eerst moeten de kinderen genoeg te eten krijgen; het is niet goed om de kinderen hun brood af te pakken en het aan de honden te voeren’ (Marcus 7,27 – Nieuwe Bijbelvertaling). De beeldtaal bouwt verder bestaande tegenstellingen uit. De vrouw is van een andere nationaliteit (Syro-Fenicië), cultuur (hellenisme) en vooral religie, aangezien ‘helleen’ ook staat voor ‘heiden’. De uitdrijving van de onreine demon waar zij om vraagt, zou haaks staan op de zorg voor de ‘kinderen’ ten voordele van de ‘honden’.

Een drievoudig uitsluitingsmechanisme

De beeldtaal die Marcus Jezus in de mond legt, bevat een drievoudig uitsluitingsmechanisme: het beroep op de menselijke beperktheid in tijd en mogelijkheden, de daaruit volgende noodzaak om discriminerende keuzes te moeten maken, en het overschatten van de gevraagde inspanning.
‘Eerst de kinderen,’ zegt Jezus. Dit klinkt redelijk, omdat het suggereert dat het gevraagde later misschien wel kan. Mensen kunnen niet alles tegelijk doen. Dat daarna de honden aan de beurt zullen komen, wordt echter weerlegd door de wending ‘het is niet goed het brood van de kinderen “weg te nemen” en het voor de honden te werpen’. Deze zinswending suggereert schaarste. Geeft men het brood aan de honden, dan hebben de kinderen geen brood meer en vice versa.

‘Kinderen’ en ‘honden’

Als je niet iedereen tegelijk kunt helpen, moet je keuzes maken. In Marcus kiest Jezus voor de ‘kinderen’ – zijn leerlingen – en niet voor de ‘honden’ – de heidenen, onder wie de Syro-Fenicische en haar dochter. Het Griekse woord teknon (= kind, zoon, leerling) duidt eerder een eventueel geestelijke verwantschap aan dan een leeftijd. Hoewel de Syro-Fenicische duidelijk al haar hoop en vertrouwen op Jezus heeft gesteld, rekent Hij haar en haar kind bij de ‘honden’. Honden zoeken hun eten op straat en in het veld. Hierbij is de kans groot dat zij onreine dingen eten, zoals kadavers en lijken (vgl. Exodus 22,30; 1 Koningen 14,11; 1 Koningen 16,4; 1 Koningen 21,19.24). In de joodse visie kunnen onreine voorwerpen dingen en mensen ‘besmetten’. In aanraking komen met een hond is riskant, omdat dit onreinheid kan veroorzaken. Uit een joodse mond is het woord ‘hond’ dan ook een denigrerend scheldwoord dat wel vaker heidenen aanduidt. Ten slotte overschat Jezus ook wat van Hem gevraagd wordt. Hij reageert alsof zij heel het brood voor de kinderen opeist, terwijl zij slechts om kruimels vraagt.

‘Om dat woord’: voor alle volkeren

De Syro-Fenicische wordt afgewezen, maar laat het daar niet bij. Ze spreekt Jezus tegen en vangt Hem met zijn eigen woorden. Ze wijzigt het beeld in een onschadelijk tafereel van ‘kindjes’ (Gr.: paidioon – Marcus 7,28) die kruimels morsen die door de hond, als huisdier onder tafel, worden opgegeten. Het kan wél allemaal tegelijk, er is overvloed in plaats van schaarste, want kruimels volstaan. Ze laat Jezus zijn prioritaire keuzes, zolang Hij maar de kruimels gunt aan de honden onder tafel. Jezus erkent de wijsheid van haar woorden: ‘Om dat woord! Ga naar huis, de demon heeft uw dochter verlaten’ (Marcus 7,29).

Niet haar vertrouwen of geloof, maar haar woorden hebben Jezus overtuigd. Dit gaat verder dan de uitdrijving bij een niet-joods kind. Als Jezus later over de prediking voorafgaand aan de komst van de Mensenzoon spreekt, kiest hij prioritair voor de niet-joden: alvorens de Mensenzoon met macht komt, moet het goede nieuws éérst aan álle (niet-joodse) vólkeren verkondigd worden (Marcus 13,10). Een diepgaande verandering van woord en daad.

Bij 2 Koningen 4:8-18 (37) en Marcus 7:24-30

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken