Geboorte als schepping. Bijbelstheologische kanttekeningen bij gentechnologie
De vraag ‘Is de maakbare mens nog schepsel?’ die de redactie van NTT mij als bijbelwetenschapper aanreikte, veronderstelt dat schepsel-zijn voor het bijbelse mensbeeld van belang is. Ik licht in het kort toe wat deze uitdrukking betekent en noem drie redenen waarom ze in de Hebreeuwse bijbel wordt beklemtoond.1
-
De uitdrukking laat zien dat achter mens-zijn een geheim schuil gaat en dat het bestaan onpeilbaar is. God is de grond ervan. Volgens Job 38:4 gaat het om het respecteren van de menselijke grenzen tegenover de natuur en God: ‘Waar was jij toen ik de aarde grondvestte? Vertel het me, als je zoveel weet!’
[1]
God probeert als in een schok van verwondering de mens met behulp van de schepping inzicht te geven in de menselijke begrensdheid en in de goddelijke onbegrensdheid. Ook aan de schepping van de mens zit een geheim vast. Volgens Psalm 139:15 heeft God inzicht in de ongevormde foetus. -
De herinnering aan de schepping van de mens wordt bijvoorbeeld aangehaald in de klacht in de Psalmen waarin God wordt aangesproken om in te grijpen in de ellende. God is aansprakelijk omdat hij als schepper een relatie met de mens aangegaan is (Ps. 22:10-11).
-
De schepping van de mens impliceert egalitaire verhoudingen. Ieder mens heeft dezelfde relatie met God en is evenbeeld van God (Gen. 1:26-27, Spr. 14:13, 22:2).
De Hebreeuwse bijbel kent een specifiek woord voor scheppen, dat alleen van toepassing is op het goddelijke scheppen (zie Gen. 1). Daarnaast wordt het ontstaan ook wel beschreven met culturele begrippen, zoals boetseren (in Gen. 2 en Job 33:3-4) en met beelden ontleend aan de beleving van zwangerschap en geboorte. Volgens Deuteronomium 32:18 zijn we uit God geboren: ‘U vergat de God die u gebaard heeft, u verwierp de rots die u ter wereld bracht.’
Deze gedachte zijn we feitelijk uit het oog verloren. In de zin uit Deuteronomium worden gebruikelijke scheppingsbeelden aangevuld met de voorstelling dat scheppen in verband kan worden gebracht met baren. Fundamentele menselijke ervaringen van barende vrouwen en de geboorte van elk mens worden aangehaald om Gods scheppend handelen te beschrijven. De geboorte van elk mens verwijst naar de schepping, geboorte is schepping. Menselijke geboorte en lichamelijkheid worden belangrijk binnen de scheppingstheologie en -ethiek. Daar komt bij dat aan God tijdens de geboorte de rol van vroedvrouw wordt toegeschreven (Ps. 22:10-11, Ps. 71:5-6 en Jes. 66:9). De idee dat schepping en geboorte op elkaar zijn betrokken, neem ik als uitgangspunt om na te denken over bijbelstheologische en -ethische perspectieven op gentechnologie.
[2]
1. Bijbelse antropologie in de context van gentechnologie
‘Is de maakbare mens nog schepsel?’ Deze vraag suggereert dat aan de bijbelse ethiek een poortwachterrol zou kunnen toekomen in de voortplantingstechnologie. Men deze vraag echter niet beantwoorden door eenvoudigweg een beroep te doen op ‘de’ bijbel. Bijbelse teksten moeten steeds opnieuw op hun (normatieve) relevantie bevraagd worden. Ik zal in een denkbeeldig gesprek tussen bijbelteksten en gentechnologie vragen oproepen die mensen die ermee bezig zijn in de theologie, de ethiek, de technologie en de praktijk verder kunnen helpen. Verhalen en uitlatingen rond geboorte en schepping in de bijbel en verhalen over reproductietechnologie verbind ik met elkaar. Dit is een hermeneutisch procédé dat voortdurend in beweging is.
[3]
Het filosofisch concept ‘nataliteit’ van Hannah Arendt komt ook aan de orde. Vragen rond gentechnologie veranderen in het licht van bijbelteksten en omgekeerd genereren bijbelteksten nieuwe betekenissen. Dit is contextuele bijbelse ethiek.
Om in de materie waar het om gaat een theologisch-ethische visie te kunnen formuleren, moet worden geluisterd naar verhalen, vragen en problemen van vrouwen en mannen, artsen en onderzoekers die het hoofd bieden aan de uitdagingen betreffende de maakbare mens.
[4]
Pas dan kunnen de bijbelse verhalen en de hedendaagse vanuit een bijbelstheologisch en -ethisch perspectief worden belicht. Narratieve en poëtische teksten die de gebroken en broze aard van het menselijke bestaan het best weerspiegelen staan centraal.
[5]
In bijbelse wetsteksten komt meestal noch het perspectief van vrouwen aan de orde, noch de vraag naar de scheppende activiteit van de mens. Het is niet mijn bedoeling vanuit bijbelteksten een praktijkgerichte handleiding aan te bieden. Mijn intuïties en impulsen gaan uit van de zogenoemde reinheidswetten in Leviticus 11-15, het hart van de Thora.
[6]
Het alledaagse leven (zoals voedsel) en bijzondere gebeurtenissen (zoals geboorte) worden met het heilige verbonden – een aanzienlijke uitdaging in onze tijd met zijn commercialisering van het lichaam.
Met de volgende stappen zal ik enerzijds hedendaagse verhalen en vragen over zwangerschap en geboorte beluisteren en anderzijds bijbelse verhalen in hun sociale en culturele achtergrond.
[7]
In het gesprek zal ik ze op elkaar betrekken. Ik sta stil bij beïnvloeding van zwangerschap en geboorte (1.1), bij het besef van het lichaam, bij het profiteren van biotechnologie (1.2), bij mens/vrouw en God die samen ‘creatief zijn (1.3) en bij geboren worden in een gemeenschap (1.4).
1.1 Beïnvloeding van zwangerschap en geboorte
Het zoeken naar het beste nageslacht wordt in de wijsheid van Jezus Sirach geformuleerd in androcentrisch perspectief: ‘Zoek van de hele vlakte het vruchtbaarste deel en zaai dan je eigen zaad, vertrouw op je goede afkomst’ (26:20). In het Oude Nabije Oosten hechtte men waarde aan fysiognomische omina, aan gelaatstrekken of fysiek gestel. Uit de uiterlijke kenmerken van een vrouw zou men voorspellende conclusies kunnen trekken over het verloop van de zwangerschap en de geboorte, dacht men. Deze zijn vastgelegd in prognostische teksten die de verwachtingen van mannen aan vrouwen verwoordden.
[8]
Zulke voorspellingen over het uiterlijk van een kind kunnen worden gelezen als verre voorbode van genetisch testen op erfelijke ziektes. In wordt op het ogenblik gediscussieerd over de vraag of door ivf ontwikkelde embryo’s geselecteerd mogen worden op bijvoorbeeld de afwezigheid van het borstkankergen.
[9]
‘Wat is er mis als vrouwen willen voorkomen dat hun dochters hetzelfde risico op dit lijden lopen als zij?’, vroeg een arts zich af.
[10]
‘Patiënten’ die zich genetisch hadden laten testen voor de implantatie van het embryo, gaven te kennen dat het hun te doen is om uitsluiting van een bepaalde (dodelijke) ziekte van hun kind. Voor de meeste toekomstige ouders gaat het dus niet om een gen voor blauwe ogen of iets vergelijkbaars.
[11]
1.2 Besef van het lichaam en het profijt van gentechnologie
Enkele decennia geleden was de geslachtsdaad voorwaarde van conceptie en geboorte. Dat is veranderd. Deze opmerking is niet romantiserend bedoeld. De geslachtsdaad die tot zwangerschap leidt onvrijwillig en gewelddadig zijn. Conceptie en zwangerschap zijn beïnvloedbaar; dat is geen nieuw verschijnsel. Om het overleven van vrouwen en kinderen bij zwangerschap en geboorte te garanderen, wordt sinds de Oudheid van medische ingrepen gebruik gemaakt, zoals de keizersnede.
[12]
Verder kwam plaatsvervangende zwangerschap voor. Kwalitatief anders zijn echter draagmoederschap, ivf en embryoselectie anno 2009.
De sociaal, juridisch en economisch afhankelijke Hagar, de Egyptische slavin, baart volgens Genesis 16 een kind voor een derde, voor Sara die de macht heeft. Abram verwekt bij haar een kind. Zij baart plaatsvervangend voor Sara die van Abram niet zwanger wordt. De zwangerschap gebeurt buiten het eigen lijf van Sara en in het lijf van een andere vrouw. Sara kan niet tegen Hagar, de zwangere vrouw, en het kind dat voortkomt uit deze zwangerschap. Dat wat zij als oplossing voor haar kinderwens voorstelde evoceert commotie. Dit verhaal laat zien dat wat technisch en juridisch mogelijk is, verstorend kan uitwerken op de psyche en het totale leven van mensen.
Hagar, de afhankelijke vrouw, heeft geen zeggenschap over haar eigen lichaam. Kritische stemmen beweren dat met de reproductietechnologie onrechtvaardige verhoudingen worden gegenereerd. We moeten daarom in de discussie rekening houden met de potentiële en reële gevolgen van de gentechnologie: voor wie is gentechnologie, wie heeft er baat bij en wie heeft profijt van het technisch maakbare? Economische verwachtingen en winstmotieven zijn niet te verwaarlozen. De mogelijkheid van selectie van bepaalde genen kan onder politieke druk worden misbruikt.
Ook is duidelijk dat de lichamelijke en emotionele relatie tussen moeder (ouders) en kind van belang is. Interviews met mensen die voor implantatie genetische testen ondergaan, laten zien dat een lichamelijke relatie van belang blijft. Toekomstige ouders willen graag ruimtelijk nabij hun embryo’s in het laboratorium zijn.
[13]
In deze samenhang rijzen elementaire vragen: wat verandert er als voortplanting wordt losgekoppeld van het lichaam? Welke effect heeft ivf op de seksualiteit en ons besef van lichamelijkheid?
1.3 Mens/vrouw en God samen creatief
De manier waarop over geboorte wordt verteld, zegt iets over herkomst en identiteit van mensen. Zo wordt de mens in de Hebreeuwse bijbel benoemd als iemand die uit een vrouw is geboren (Job 14:1, 15:14, 25:4) of als nakomeling van de mens (Ps. 8:5, Job 16:21,25, 35:8) — maar tevens als een uit God geborene (Num. 11:12, Deut. 32:18). De mens heeft volgens de bijbelse literatuur een dubbele afkomst.
In geboorteverhalen komt deze dubbele identiteit ook tot uitdrukking. Rond de eerste geboorte in Gen. 4:1 lezen we: ‘De mens, Adam, had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Kaïn ter wereld. Ik heb met de hulp van de EEUWIGE het leven geschonken aan een man!’
De vrouw heeft een mannelijk kind voortgebracht met de EEUWIGE. Het woord voor ‘voortbrengen’ (qanah) wordt in Genesis 14:19 gebruikt als epitheton voor God, schepper van hemel en aarde. Volgens Genesis 4 verwerft de ‘eerste’ vrouw met de hulp van God een kind. Haar beleving tijdens de geboorte komt tot uiting in de naam van haar kind Kain: het verworvene/die geschapen is met behulp van de EEUWIGE. Het dubbelzinnige woord qanah (de vraag is of het van kopen of scheppen is afgeleid) brengt op een bijzondere manier tot uitdrukking dat iedere geboorte op de schepping lijkt. Deze uitspraak verwoordt dat vrouw (mens) en God in de geboorte samen scheppend (creatief) aan het werk zijn: de vrouw weerspiegelt met haar baren Gods scheppen.
In de reinheidswetten in Leviticus 12:2 wordt de vrouwelijke bijdrage aan het ontstaan van de mens beklemtoond door de causatieve werkwoordsvorm ‘zaad’ naar voren te brengen. Volgens de poëtische tekst van Psalm 139:15 gaan het handelen van God en dat van de mens bij de zwangerschap hand in hand:
[14]
‘Toen ik in het verborgene gemaakt werd, kunstig geweven in de schoot van de aarde, was mijn wezen voor u geen geheim.’
Het ontstaan van de mens wordt beschreven als kunsthandwerk. God is wever (v. 13,15). De Psalm plaatst het ontstaan in het geheim van het onderste der aarde. Kan deze zin uit het gebed in Psalm 139 worden vertaald en geassocieerd met een afgeschermde kamer op deze aarde, het laboratorium? Zo ja, dan zou hij als volgt kunnen luiden: ‘Toen ik in het verborgene gemaakt werd, kunstmatig geweven in de schoot van het reageerbuisje, was mijn wezen voor u geen geheim. ’
1.4. Geboren worden in een gemeenschap
In Genesis 38 komt Tamar, een weduwe, in actie. Zij wil voorkomen dat zij kinderloos blijft en dat de naam van haar man, Er, de oudste zoon van Juda, wordt uitgewist. Nageslacht is de voorwaarde dat het bezit worden doorgegeven. Wat Tamar deed was een ongewone en gevaarlijke stap om sperma te bemachtigen en een nakomeling te krijgen. Zij zet zich met verhuld gezicht neer aan de weg waar haar schoonvader langskomt: ‘En Juda zag haar en hield haar voor een hoer (…) en hij zei: “Ik wil van je diensten gebruik maken”.’
Tamar wordt zwanger van Juda die zijn schoondochter een nakomeling wilde onthouden en baart een tweeling. Tegen het einde van het verhaal (vers 26) geeft Juda die het handelen van Tamar veroordeelde te kennen: ‘Zij is rechtvaardiger dan ik, zij is meer solidair.’ Het Hebreeuws gebruikt hier het begrip zedaqah dat voor trouw aan de gemeenschap staat. Het betekent in de bijbel niet het recht van een individu maar de gerechtigheid die in relaties binnen een gemeenschap opbloeit.
Het ethisch handelen is in dit verhaal concreet op de situatie betrokken. Tamars plan is op solidariteit en het voortbestaan van de generaties gericht. Het maken van een mens (zwangerschap en geboorte) bevestigt het verbonden zijn in opeenvolgende generaties. In Tamars inspanningen om een kind te krijgen wordt zichtbaar dat het particuliere handelen wel een politieke dimensie heeft. De geboorte van een kind gaat uit boven het individuele leven van de moeder (ouders). Iemand als Jeremy Rifkin staat daarom kritisch tegenover bijvoorbeeld de ontwikkeling van een kunstmatige baarmoeder en vraagt zich af in hoeverre deze ontkoppeling van het lichaam van de vrouw en het lichaam van het kind de samenhang en solidariteit tussen de generaties ontkoppelt.
[15]
Zoals het in het verhaal over Tamar gaat om het voortbestaan van de gemeenschap, zo moeten mensen vandaag opkomen voor het wereldwijd voortbestaan van een rechtvaardige samenleving.
2. De mens als schepsel zelf scheppend
De mens is als schepsel zelf scheppend bezig.
[16]
Dit is een meervoudige creativiteit die gericht is op het leven dat God heeft voortgebracht.
[17]
In het menselijke handelen zal Gods scheppende zegen naar voren komen (zie Gen. 1:26-28, 4:1). Bij iedere geboorte wordt dat duidelijk.
[18]
Filosofe Hannah Arendt duidt dat als volgt aan:
Omdat ieder mens op grond van zijn geboren-zijn een initium, een begin en een nieuwkomer in de wereld is, kunnen mensen initiatieven nemen, beginners worden en iets nieuws in beweging zetten (…). Met de schepping van de mens verscheen het principe van het begin.
[19]
De scheppende activiteit wordt overgedragen aan mensen in en door de gave van begin, spontaniteit en vrijheid. Met de geboorte komt iets nieuws in de wereld. Dit begin ontkracht oude verhoudingen en maakt verzoening mogelijk. De geboorte doorbreekt causale verbanden en laat ons vergevend handelen. Biowetenschappers waren 30 tot 50 jaar geleden nog een ‘homo faber die een voorspelbare en materiële wereld schept’ maar de DNA- recombinatietechniek heeft hun scheppingskracht grondig veranderd: het lijkt op handelen, een wereldveranderende activiteit.
[20]
Volgens de Nederlandse vrouwelijke rabbijn Elis Klapheek moet het debat over biotechnologie zeker worden gevoerd ‘maar vanuit het positieve besef dat mensen in de schepping kunnen ingrijpen’.
[21]
Mijn vraag zou zijn: kunnen we biotechnologische creativiteit in positieve zin zien als iets dat een nieuw begin en daarmee de hoop op verzoening in de wereld brengt? Met Arendt gesproken is ieder mens op grond van zijn/haar geboren-zijn een beginner (initium) en kan ieder mens initiatieven nemen. In de lijn van het handelen van Tamar zou elk mens zich moeten richten op de continuïteit van een gemeenschappelijke en rechtvaardige wereld.
Het lijkt mij daarom misleidend te vragen of de maakbare mens nog schepsel mag heten. De vraag is eerder: wat zijn de criteria voor een voortdurende schepping, een creatio continua, een schepping als voortdurend proces met de mens als subject? In concreto, kan geboorte buiten het moederlijf geen geboorte (meer) worden genoemd? Anders gevraagd: kan een mens zichzelf tegelijk zien als Bom and Made!
[22]
Ten slotte omschrijf ik drie randvoorwaarden ter stimulering van de discussie.
3. Drie randvoorwaarden
3.1 Geboorte als initium
Gentechnologieën bij geboorte en zwangerschap moeten zich zo ontplooien dat de mogelijkheid van een nieuw begin (initium) en van verzoening merkbaar wordt. Gentechnologische veranderingen mogen het besef dat in iedere geboorte de scheppingsdaad van God wordt bevestigd niet ondermijnen. Verbetering en vernieuwing van mens en wereld zijn noodzakelijk maar deze moeten zo gebeuren dat het menselijk handelen niet in strijd met Gods handelen is.
[23]
In de geboorte moet zich de schepping weerkaatsen. De vraag moet zijn: hoe kunnen we het schepsel-zijn beleven terwijl we scheppend (ook gentechnologisch) bezig zijn?
3.2 Geboorte als relationeel gebeuren
Worden technologieën gebruikt bij geboorte en zwangerschap, dan moet men rekening houden met de veelvoudige relaties die de mens (man en vrouw) bepalen (zijn/haar lichaam, de medemens, de natuur, de wereldwijde gemeenschap, God). Het gaat daarom om een ethiek die relaties beklemtoont en niet om een casuïstische bio-ethiek.
[24]
Scheppingsdenken is fundamenteel relationeel en contextueel denken.
[25]
De discussie in ethische artikelen is vaak georiënteerd op het individu dat los van relaties staat. De nadruk wordt op het beslissingsrecht van het individu gelegd en op zijn/haar autonomie. De keerzijde van de medaille is dat de verantwoordelijkheid voor een gezond kind bij vrouwen wordt neergelegd. Hier komt de vraag naar voren in hoeverre een filosofisch model van menselijke autonomie in staat is emoties en lichamelijke belevingen in zich op te nemen en te integreren. Dit autonomieconcept is in tegenspraak met het bijbelstheologisch concept van boreling-zijn, want dat houdt eindigheid en relationeel bestaan in.
In deze samenhang is het van belang eraan te herinneren dat het begin van het leven in bijbels perspectief relationeel wordt gedacht en verschillende dimensies heeft. Genesis 38 (Juda en Tamar) en de geslachtsregisters in Genesis, Ruth 4 en Mattheus 1 beklemtonen de sociale dimensie van geboorte – het feit dat men door geboorte wordt opgenomen in een opeenvolging van generaties. Verder is het begin volgens bijbelteksten aan stoffelijke dingen gekoppeld, zoals het zaad en het moederlijf. Dit is niet op te vatten als puur biologisch maar als lichamelijk gegeven. Daarbij zijn lichamelijke ervaringen zoals de relatie tussen moeder en foetus (het kind in haar) van belang.
De scheppingstheologische dimensie dat God meewerkt bij het ontstaan is constitutief. Voorafgaand aan het begin van de mens (zie Ps. 139:15-16) heeft God een relatie met de mens. Deze relatie nodigt uit tot ontzag voor God en mens en toont aan dat mens, menselijk erfgoed en weefsel geen middel is voor een ander doel.
3.3 Geboorte als lichamelijke ervaring
Technologische toepassingen op geboorte en zwangerschap mogen mens-zijn niet reduceren tot reproduceerbaar materiaal of het lichaam tot koopwaar. Er komt bij dat met de lichamelijke beleving rekening moet worden gehouden en dat deze op Gods heiligheid moet worden betrokken.
Ivf, genetische selectie en manipulatie van embryo’s zijn fenomenen die buiten het vrouwenlichaam plaatsvinden, maar desondanks in hoge mate ingrijpen in het vrouwenlichaam. Deze technologieën worden dikwijls geïntroduceerd als bevrijding en belofte voor de vrouw ‘maar de effecten voor vrouwenlevens en vrouwenlichamen blijven onbesproken’.
[26]
Bij een technologische benadering komt hun beleving niet meer aan bod en economisch kwetsbare vrouwen zijn bijvoorbeeld gevoelig voor eiceldonatie.
In tegenstelling daartoe onderstrepen filosofische en bijbelstheologische concepten dat zwangerschap een lichamelijk beleven is van het in-relatie- staan. Denk aan Rebecca die de tweeling in haar lichaam voelt (Gen. 25:22).
Neem de zwangere vrouw Maria die een andere zwangere vrouw, Elisabeth, opzoekt. De reactie is dat niet alleen die van Elisabeth maar ook van het kind in haar dat vol vreugde opveert (Luc. 1:39-45).
Ik haal nog een keer de eerste geboorte van een mens in de bijbel aan. De uitdrukking die in Genesis 4:1 wordt gebruikt voor de geslachtsdaad, die tot conceptie leidt, is gezien vanuit een mannelijke perspectief: ‘En hij bekende zijn vrouw.’ Het werkwoord /da/kennen wijst zowel op cognitief als op lichamelijk kennen. Tegen deze achtergrond krijgt dit werkwoord in de toezegging in Jeremia 1:5 van God aan de profeet een lichamelijke dimensie: ‘Voordat ik je vormde in de moederschoot heb ik je gekend.’ Verwekking en geboorte worden er opgevat als schepping. Geboorte en kennis van God zijn op elkaar betrokken.
Mijn betoog ten aanzien van het belang van lichamelijke verhoudingen rond zwangerschap en geboorte is niet geformuleerd tegen de achtergrond van een scheppings- of natuurorde. Integendeel het is een antropologisch argument: lichamelijkheid wordt als fundamenteel voor het mens-zijn in het dagelijkse bestaan ervaren. Een ethiek in bijbelstheologisch perspectief zal ernaar streven zulke voorwaarden te formuleren dat onze cognitieve, lichamelijke en emotionele kennis en ervaringen aan elkaar blijven gekoppeld. Voor een theologische beaming van lichamelijkheid geven de teksten in Leviticus 11-15 impulsen. Aspecten van het alledaagse leven, zoals voedsel, tijd, geboorte of menstruatie worden betrokken op Gods heiligheid. In deze hoofdstukken wordt een utopie ontvouwd over de verhouding tussen God en het menselijk lichaam. De vrouwelijke en mannelijke lichamen zijn geen objecten en onttrekken zich aan commercialisering. Zij ontstaan en komen tot bloei in de relatie met God zoals het opschrift boven de heiligheidswet in Leviticus 19:1 het formuleert: ‘Wees heilig, want ik, de EEUWIGE, jullie God, ben heilig.’
Het mens-zijn verspelen wij volgens deze tekst als we de relatie met God loslaten. Wellicht behouden we het als het besef dat het alledaagse heilig is, aan de basis ligt van het debat over het handelen bij gentechnologie.