Menu

Premium

Gelijkenissen van het Koningschap

Bij Matteüs 13,24-30.36-43 en Jesaja 40,12-25

Matteüs begint in dit dertiende hoofdstuk met de gelijkenissen van Jezus. De eerste van de zaaier wordt gevolgd door nog zes gelijkenissen en samen maken ze het getal zeven – van de volheid, de schepping en de volken – vol. Bij Matteüs, die zozeer werkt met getallensymboliek, is dat natuurlijk niet voor niets.

De eerste twee gelijkenissen worden uitgelegd, maar wel alleen aan de leerlingen. Zo wordt er als het ware aan de leerlingen, diegenen die Jezus willen volgen, een sleutel gegeven om de taal achter het verhaal te horen. De gelijkenis staat in de traditie van de masjal: de joodse manier om in de vorm van een verhaal te leren en te lernen. Het is een verhaal om Het Verhaal uit te leggen. Huub Oosterhuis noemt het de tweede taal van het verhaal: de dubbele bodem in het verhaal. De eerste drie gelijkenissen gaan over zaad en zaaien en moeten bijna met elkaar gelezen worden.

Koninkrijk of Koningschap?

Meestal wordt het Griekse woord basileia in het Nederlands vertaald met ‘Koninkrijk’, tot in de Nieuwe Bijbelvertaling en de Naardense Bijbel toe. Maar letterlijk betekent basileia ‘de regering van’. Een koninkrijk kent grenzen, en als je aan kinderen moet uitleggen waar dat koninkrijk is, dan kun je het nergens op de wereldbol of wereldkaart aanwijzen. Toen die kinderen mij vervolgens vroegen: ‘Het Koninkrijk van God is toch tussen alle mensen?’ koos ik voortaan voor de vertaling van ‘Koningschap’, omdat je je dat gemakkelijker tussen alle mensen kunt voorstellen. Het Koningschap van God en het Koningschap der hemelen wijzen dan op het beeld van God als regeerder van hemel en aarde.

Jesaja 40, dat we op deze zondag ook lezen, spreekt daarover in superlatieven. God als regeerder van de aarde, die tegelijk een helikopterview heeft en toch ook oog voor de wegen van de kleine mensen. Dit beeld helpt om de gelijkenis beter te lezen. Het Koningschap is dan ook niet iets wat nog moet komen, maar wat er al is en alleen nog zichtbaar moet worden.

Ook de vertaling van ‘onkruid’ (Gr.: zizanion) is essentieel om de gelijkenis te begrijpen. In onze tuinen is onkruid gemakkelijk te herkennen, maar als het wilde tarwe is of ‘raaigras’ zoals Pieter Oussoren het vertaalt, dan verschilt zaaigoed van de vijand – de dwarsligger of de tegenstrever – uiterlijk niet veel van het ‘gewone’ graan. Pas bij de oogst blijkt het wilde graan vruchteloos te zijn. Hier klinkt duidelijk de eerste gelijkenis van het zaad door. Daar ging het uiteindelijk ook om het vrucht dragen, dertig-, zestig- en honderdvoud.

Hoe leg je de uitleg uit?

De leerlingen krijgen te horen wat de gelijkenis betekent. Je moet klaarblijkelijk leerling zijn om er meer van te horen, om te oefenen in het luisteren naar die tweede taal. ‘Wie oren heeft, die hore!’ (13,9). Maar wat horen we dan?

Kon je je bij de eerste gelijkenis van de zaaier nog afvragen wie de zaaier was en wie het zaad (want het zaad was daar immers een ‘hij’ – 13,20-23), nu word duidelijk gezegd dat ‘de Zoon des mensen’ dit zaad zaait in de wereld die de akker is (ook hier klinkt Jesaja 40 weer door). Opnieuw – nu in deze tweede gelijkenis – is het zaad niet het woord, maar een mens: namelijk de kinderen van het Koningschap en de kinderen van het kwaad (13,38). Deze gelijkenis – die alleen Matteüs heeft – lijkt door dit joods-apocalyptisch taalgebruik te rijmen met de sekte van Qumran, waar voortdurend wordt gesproken over de kinderen van het licht en de kinderen van de duisternis en over oordeel en gericht.

De Qumran-rollen

De Qumran-rollen die in 1947 in Israël bij de Dode Zee gevonden zijn, geven een duidelijk beeld van deze groepering. Men geloofde dat het leven een voortdurend gevecht is met de engel van de duisternis, die je van dit lichtend pad probeert af te houden. Het hoogste doel is te behoren bij de kinderen van het licht, en dat bereik je pas na een levenslang proces van discipline en perfectie.

Tegen die achtergrond van Qumran wordt al meteen duidelijk dat hier in het evangelie een ander beeld wordt geschetst. De kinderen van het Koningschap scheiden zich niet af van de samenleving en groeien op samen met de kinderen van het kwaad. De eerste gemeente aan wie Matteüs schrijft, wist dat ze er midden tussenin leefden, midden tussen het kwaad en het onrecht.

Pas bij de oogst zal blijken wie vrucht draagt. Dan worden de rechtvaardigen letterlijk kinderen van het licht, als ze stralen als de zon. En dan kun je uit pastoraal oogpunt niet zonder de derde gelijkenis van het zaaien, waar het mosterdzaadje wordt genoemd, het kleinste onder de zaden dat geweldig groot kan worden (13,31-33). Het groeien en vrucht dragen is ook mogelijk voor het kleinste van de zaden. De drie gelijkenissen van het zaad kunnen dus niet zonder elkaar.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken