Geloof heeft kiemkracht
Bij Matteüs 17,14-21
Soms is Jezus helemaal niet aardig, ook niet tegen zijn beste vrienden. Dat geldt voor het evangelie van de zondag hiervoor, waarin Petrus het ontgelden moet, en ook voor dit evangelie, waarin Jezus in het algemeen vraagt: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig en dwars volk, hoe lang moet Ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet Ik jullie nog verdragen?’ Als Jezus zo fel wordt, gaat het Hem blijkbaar om essentiële dingen. Daarom loont het de moeite om te kijken wat Jezus precies zegt en wat Hij doet.
Zo te lezen had Hij in het bijzonder de leerlingen op het oog, want als zij komen en vragen waarom zij de jongen niet konden genezen, dan is Jezus’ antwoord: ‘Vanwege jullie kleingeloof’ (Gr.: oligopistia = gebrek aan geloof). Kan het zijn dat de leerlingen te veel gericht waren op ‘buiten’: op al het werk dat wacht? Ze zijn immers de berg afgestuurd en hebben de opdracht en de macht gekregen om zieken te genezen en onreine geesten uit te drijven (Matteüs 10). Genoeg werk te doen; er is een schare, dus gaan ze eropuit. Maar waar halen ze de kracht vandaan? Wat missen ze?
Kleingeloof
Hier gebeurt eigenlijk net zoiets als bij de wandeling van Petrus over de golven. Door zijn onbesuisdheid lukt het hem om net als Jezus op het water te lopen, maar als hij de golven ziet, zakt hem de moed in de schoenen en begint hij te zinken. Precies zo verliezen de leerlingen de moed bij de storm op het meer; ook dan noemt Jezus hen kleingelovigen. In de Bergrede zegt Jezus heel duidelijk wat dit betekent: ‘Wees niet bezorgd over de dag van morgen, wees als de bloemen op het veld, als de vogels van de hemel. Zij zaaien niet en oogsten niet, en toch dragen ze de prachtigste kleren. Ze zijn onbezorgd, blijkbaar kunnen ze op God vertrouwen’ (Matteüs 6,25-34). Maar ja, kun je dat wel volhouden in de praktijk van het leven? Ik moet denken aan dat gezin, jaren geleden, dat met een Fiat Panda op reis naar Jeruzalem ging, zonder enige voorbereiding, in het vertrouwen dat God wel voor hen zou zorgen. Dat werd een ramp. Die mensen schakelden bewust hun verstand uit en legden hun eigen verantwoordelijkheid bij God op het bordje. Dat is dus ook niet de bedoeling. Ik moet ook denken aan het type gebedsgenezers dat de mensen voorhoudt: ‘Als je maar genoeg gelooft, dan komt de genezing wel.’ Als je dan niet geneest, heb je blijkbaar niet genoeg geloofd.
Niet realistisch?
Naar mijn aanvoelen gaat het om het volgende: vervallen wij als leerlingen niet te gemakkelijk in het automatisme van ‘Ik kan dat niet’, ‘Dit is niet realistisch’? Mensen die dat steeds blijven zeggen, worden daarin meestal ook bevestigd, want het is een self-fulfilling prophecy. Want als je zegt: ‘Het is onmogelijk’, is iedere poging om het toch te proberen halfslachtig, gedoemd om te mislukken. Als we teruggaan naar het evangelie, ligt het voor de hand om te zeggen: ‘Dat zouden wij ook niet kunnen, een duivel uitdrijven, en zo iemand met een epilepsie-achtige ziekte genezen.’ Maar dan interpreteren we de evangelietekst vanuit onze eigen beleving. In de belevingswereld van de tekst is het niet zo heel moeilijk om een demon uit te drijven. Jezus hoeft hem alleen maar even flink aan te pakken, scherp toe te spreken en hij gaat er al vandoor. Maar als de leerlingen de jongen tegemoettreden met een houding van: ‘We zullen het wel proberen, maar eigenlijk kunnen we het niet’, dan zal het ook inderdaad niet lukken. Als je als voorganger of als gewone gelovige zegt: ‘Ik ben geen alternatieve genezer, geen wonderdoener en ook geen pinkstervoorganger, dus ik bid niet om genezing’, dan weet je inderdaad zeker dat ook niemand daardoor ook maar een stukje heelwording zal ervaren.
Een berg verzetten
Natuurlijk geeft het een soort rust als je je een beeld gevormd hebt van wat je mogelijkheden zijn en waar je beter maar niet aan begint. Maar deze rust gaat lijken op de rust van een graf, zodra het een angstvallig buitensluiten wordt van alles wat niet beheersbaar is. Dan gaan we luisteren naar dat kleine stemmetje dat ons steeds maar influistert: ‘Het is te veel gevraagd, hier ben je niet geschikt voor, het is niet mogelijk.’ Christus zegt: ‘Alles is mogelijk voor wie gelooft. Geloof als een mosterdzaadje kan een berg verzetten.’ Mijn eerste reactie als ik dat lees is: ‘Wat Jezus daar zegt, een berg verzetten, is natuurlijk een staaltje van oosterse overdrijving.’
Op een andere gedachte kwam ik op vakantie in de Dolomieten. Daar zag ik een berg (de Latemar) waarvan een jaar of zeventig geleden een heel stuk naar beneden was gevallen. De oudste bewoners wisten zich nog te herinneren dat er op een nacht een enorm geraas klonk en de volgende dag lag een stuk van het dal vol met enorme blokken puin. Wat een schrik – gelukkig was er niemand onder gekomen. Nu is die puinhoop van rotsblokken een geliefd doel voor wandelaars. Er is een soort labyrint tussen de steenblokken aangelegd. Bij een andere wandeling op dezelfde berg zag ik een schuine piek met een aantal verticale barsten en bomen die daarop groeiden. Het zag eruit alsof ook hier de berg ieder ogenblik kon instorten. Als de wortels nog verder groeien en gaan wrikken in die spleten, zal de berg op een gegeven moment werkelijk instorten, hetzij morgen, hetzij over vijftig jaar. Maar vallen zal hij. En waar is zo’n boom die de berg splijt, uit gegroeid? Uiteindelijk net als iedere boom gewoon uit een zaadje. Een zaadje kan dus echt sterker zijn dan een berg. Jezus zal dat niet zo bedoeld hebben, maar daar in de Dolomieten brengt de natuur zelf het voor ogen.
Niets is onmogelijk voor wie gelooft. Kleinheid of grootheid maakt niet uit. Een mosterdzaadje heeft kiemkracht. Geloof heeft dat ook.