Menu

Premium

Gered

Bij Marcus 6,45-52

‘Mogen we een uurtje gaan varen?’ vragen Thaddy en Zebby. ‘Kunnen jullie zeilen?’ zegt de botenman. ‘Onze broers gaan mee, die kunnen het,’ zeggen ze. Dat is waar. Pieter en André hebben het vaak gedaan in de kleine zeilbootjes op de plas. ‘Niet te ver weg,’ zegt de man, ‘het kan gaan regenen.’ Er waait een lekker windje, ze gaan hard! Ze gaan een stukje verder dan ze mogen, tot voorbij de boei, en weer terug en nog eens. Het uurtje vliegt om. Dan begint het opeens harder te waaien en er valt ook regen. Steeds harder. Ze zijn heel ver van de kant af, midden op de plas zijn ze nu. De wind staat de verkeerde kant uit. Hoe komen ze weer terug? De boot gaat schuin, er komt water binnen. De kleintjes zijn heel stil. Pieter en André maken ruzie. ‘Naar links, nee naar rechts!’ De boot drijft af, hij is al bijna aan de overkant in het riet. Helemaal alleen op de plas, geen andere boten te zien. Het is eng!

Er komt in de verte een klein motorbootje aan. Als dat de botenman is, krijgen ze op hun duvel. Maar ze kunnen niet ontsnappen. De botenman komt dichtbij, hij roept: ‘Rustig blijven, niet bang zijn. Laat het zeil maar zakken, goed zo.’ Dan gooit hij een lijntje over. Thaddy vangt het en nu gaan ze achter het motorbootje aan. Ze zijn kletsnat en klappertanden. Ze mogen pas naar hun huisje als ze geholpen hebben alles op te ruimen en het bootje goed vast te leggen. Is de man niet boos? Helemaal niet. ‘We zijn gered,’ zegt Thaddy. ‘Hadden we maar geluisterd,’ denkt Zebby.

Bij Marcus 6:45-52

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken