Menu

Premium

Gevestigden en nieuwkomers

De lutheranen in Amsterdam in de zeventiende eeuw

Migratie is van alle tijden. Problemen rond de integratie van immigranten met een andere religieuze achtergrond dan die van de gevestigde bevolking zijn dat ook – zelfs in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, die in zijn tijd als tolerant gold. In het onderstaande kijken we naar de lutheranen in Amsterdam in de zeventiende eeuw. Zij bieden een interessante casus, omdat hier een dubbele integratieproblematiek speelde. Lutheranen waren in de officieel gereformeerde Republiek een getolereerde minderheid. Zij vormden evenwel geen homogeen blok. Aan het einde van de zestiende eeuw hadden zich hier gemeenschappen van lutheranen uit de Zuidelijke Nederlanden gevestigd. In de loop van de zeventiende eeuw werden zij numeriek overvleugeld door lutheranen afkomstig uit het Duitse Rijk en de Scandinavische landen. Deze nieuwkomers moesten niet alleen een plaatsje veroveren in een nieuw vaderland, met andere gewoonten en een andere taal, maar ook binnen een kerk die confessioneel gezien weliswaar de hunne was, maar die zich al vergaand had geassimileerd aan de Nederlandse cultuur. Dat leidde in de late zeventiende eeuw tot hooglopende conflicten, tussen de lutherse gemeente en de lokale overheid, en tussen lutheranen van verschillende herkomst onderling.

Een uitzonderlijke gemeente

De zeventiende-eeuwse lutherse gemeente van Amsterdam was voor zijn tijd tamelijk uitzonderlijk. Met duizenden, mogelijk rond 20.000 leden, was het de grootste lutherse gemeente in de protestantse wereld.[1] Tegelijkertijd was het slechts een getolereerde kerk, een van de vele in Amsterdam.[2] De sociale elite van de gemeente bestond uit ondernemers, die goede zaken deden in de handelsmetropool aan het IJ, en de vertegenwoordigers van Duitse en Scandinavische hoven, naar Amsterdam afgevaardigd om de belangen van hun landgenoten te behartigen.[3] Zij bestuurden de kerk. Onder de gemeenteleden bevonden zich daarnaast zowel handwerkslieden, die een goede broodwinning vonden in de door gildereglementen beschermde beroepen, als een grote massa arme zeelieden en ongeschoolde arbeiders.

De rijke kooplieden en de diplomaten verschaften de lutherse gemeente een zodanig economisch en politiek gewicht dat haar positie binnen het officieel gereformeerde Amsterdam vrijwel die van een publieke kerk was. Deze status was af te zien aan de twee monumentale lutherse kerkgebouwen, prominent gevestigd op aanzienlijke plaatsen in de stad. Zij konden hier openlijk hun eredienst houden – anders dan de inheemse katholieken en doopsgezinden die aangewezen waren op ‘schuilkerken’. De lutheranen deelden dit privilege met de, eveneens rijke en voor de internationale handel van Amsterdam belangrijke, sefardische en ashkenazische joden.[4] De lutherse kerkenraad van Amsterdam oefende niet alleen het bestuur uit over deze uitzonderlijke gemeente, maar hield ook een wakend oog op de lutherse gemeenten elders in de Republiek, die geen publieke erkenning genoten en soms zelfs grote moeite haden zich te handhaven onder intolerante stadsbesturen.[5]

Deze bevoorrechte positie had wel een prijs: voorgangers en bestuurders van de lutherse gemeente dienden hun gemeenteleden niet alleen onder de eigen leer- en levenstucht te houden, maar ook gehoorzaamheid in te scherpen aan de wereldlijke overheid, en hun eigen armen te onderhouden. Zij hadden zich bovendien te schikken onder de hegemonie van de gereformeerde religie in de openbare sfeer. In niets mochten zij hun gereformeerde ‘gastheren’ tot last zijn. Wij zullen zien dat de Amsterdamse lutheranen zich terdege bewust waren dat hun vrijheid hierbij op het spel stond – en dat burgemeesters hen bij gelegenheid in niet mis te verstane bewoordingen daaraan plachten te herinneren.

Op zoek naar nieuwe ruimte

In de tweede helft van de zeventiende eeuw werden de spanningen inherent aan deze positie pijnlijk duidelijk rond de bouw van de Nieuwe of Ronde Kerk. De kerk aan het Spui was te krap geworden om de snel groeiende gemeente te kunnen herbergen. In december 1656 besloot het consistorie tot de aankoop van een stuk grond in de Jordaan, een nieuwbouwwijk in de nieuwe uitleg van de stad, om daar een nieuwe kerk te bouwen. Dit stuitte op bezwaren van de gereformeerde kerkenraad, die ook bouwplannen in dit gedeelte van de stad had, en het stadbestuur raadde de bouw af. Na ampele discussie vond het consistorie een alternatief voor het ruimtegebrek: een pakhuis aan de Brouwersgracht, dat ook dienst gedaan had als tijdelijke kerkruimte tijdens de vergroting van de kerk op het Spui in de jaren 1630, zou voor de eredienst geschikt gemaakt worden.[6]

De burgemeesters moesten voor deze verbouwing hun toestemming geven. Dat deden zij ook, maar zij namen de gelegenheid te baat om het consistorie op twee punten de les te lezen. Ten eerste waren zij misnoegd over de aanhoudende betuigingen van onmacht om alle lutherse armen naar behoren te ondersteunen.[7] Dat verhield zich slecht met de plannen voor de bouw van een nieuwe kerk: als de gemeente zo sterk groeide dat zij meer ruimte nodig had, en genoeg financiële armslag meende te hebben voor een zo kostbaar project als de bouw van een nieuwe kerk, dan moest verder beroep op de stadskas voor hun armen onnodig zijn. Daarnaast waren burgemeesters geërgerd over de scherpe polemiek tegen de gereformeerde religie die van de lutherse kansels klonk. De doorgaans uit het Duitse rijk beroepen Amsterdamse lutherse voorgangers waren gevormd in een theologische traditie die zich onder druk gezet voelde door de successen van de contra-reformatie en de gereformeerde ‘tweede reformatie’. De openlijke polemiek waarmee men zich tegen deze rivalen verdedigde mocht gebruik zijn in het Duitse rijk, maar in Amsterdam waren aanvallen op de publieke gereformeerde kerk, evenals onwil om zich voor het onderhoud van de eigen armen in te spannen, een inbreuk op het ‘gentlemen’s agreement’ waarop hun vrijheid van eredienst berustte.[8]

In de praktijk waren burgemeesters niet ongenegen om de lutherse gemeente enigszins tegemoet te komen in het dragen van de enorme last van hun vele armen. Deze waren onmisbaar als werkkrachten in de bloeiende Amsterdamse economie. Anti-gereformeerde polemiek was echter onaanvaardbaar. Op dit punt konden burgemeesters de lutheranen bovendien onder sterke druk zetten, omdat er bij een groeiende groep binnen de gemeente zelf ook weerzin bestond tegen polemische preken. Deze groep is in de geschiedschrijving van de lutherse kerk in Nederland bekend als de Hollandse of Hoppeaanse richting. De Enkhuizer predikant Coenraad Hoppe was in de jaren 1650 begonnen in de Republiek geboren en getogen kandidaten voor het predikantschap op te leiden in een meer ‘oecumenische’ geest. In 1660, een jaar nadat burgemeesters geklaagd hadden over de anti-gereformeerde preken, werd Hoppe als vierde predikant in de Amsterdamse lutherse gemeente beroepen.[9]

Het plan voor een echte kerk, liefst in de Jordaan, liet het consistorie ondertussen niet los. In het voorjaar van 1662 haalde het de bouwplannen van zes jaar eerder opnieuw uit de kast. Men zou om te beginnen op het toen aangekochte perceel een houten ‘schuur’ neerzetten, zoals ook de gereformeerden er enkele hadden in de nieuwe stadsdelen.[10] Onmiddellijk bastte er een hevig protest los uit de gemeente. Tweehonderd lidmaten ondertekenden een petitie waarin een kerk geëist werd in het noorden van de stad, dichtbij de werven, kades en pakhuizen, waar de grote meerderheid van de lutherse kerkleden woonde en werkte. Van deze hardwerkende mensen kon niet verwacht worden dat zij op zondagmorgen het hele eind naar de Jordaan liepen, in de zuidwestpunt van de stad. Voor hen was het pakhuis op de Brouwersgracht ideaal. Zou dit gesloten worden en vervangen door een kerk in de Jordaan, dan bestond het risico dat zij zouden overstappen naar kerken van andere richtingen, dichter bij huis, of dat zij elke vorm van kerkgang vaarwel zouden zeggen.[11] Mogelijk speelde er nog iets anders mee: bepaalde uitlatingen wijzen erop dat gemeenteleden een kliek in het consistorie rondom de Duitse predikant Blum verdachten van financiële belangen bij het Jordaan-plan.[12]

Kennelijk lag dit alles gevoelig genoeg om de plannen voor kerkbouw weer voor enkele jaren in de ijskast te doen belanden. Ondertussen werd steeds duidelijker dat de lutherse gemeente niet simpelweg meer ruimte voor kerkbanken behoefde, maar dat er ook een groeiende vraag was naar ruimte voor opvattingen die afweken van de lijn van de dominante Duitse predikanten. Van 1663 tot 1667 hield een Deense lutherse prediker, Christiaan Abel, kerkdiensten in een pakhuis op het Prinseneiland. Deze diensten waren het consistorie een doorn in het oog. Het won inlichtingen over Abel in tot aan het Deense hof. Daar wist men te vertellen dat hij niet over de vereiste theologische graad beschikte en een geschiedenis had van twijfelachtige orthodoxie en fraude. Het consistorie diskwalificeerde hem in 1667 officieel als luthers predikant. Abel genoot echter de steun van invloedrijke Deense kooplieden, ‘geleerden’ en Amsterdamse regenten. De laatsten kwamen onder zijn gehoor kennelijk aan hun trekken, hoewel zijn aanhangers beweerden dat hij tot gerief van de Scandinavische havenarbeiders in hun taal preekte. Zo groot was de toeloop naar zijn diensten dat het stadsbestuur de schutterij inzette om voor een ordelijk verloop te zorgen.

Abels populariteit berustte waarschijnlijk helemaal niet op een taalprobleem onder de Scandinavische immigranten. Toen de lutherse gemeente na zijn afzetting Deens gesproken diensten belegde, trokken die nauwelijks toehoorders. Abel lijkt vooral een oecumenischer geluid vertolkt te hebben dan de Duitse predikanten in de kerken aan het Spui en de Brouwersgracht – zo oecumenisch dat de gereformeerde kerk van Amsterdam hem enkele jaren later inhuurde om gereformeerde diensten voor hun Deense en Noorse lidmaten te verzorgen. Voor Abels aanhang was het taalverschil een argument om een zelfstandige ‘Scandinavische’ lutherse gemeente te wensen, waarbij Scandinavisch dan waarschijnlijk stond voor: minder anti-gereformeerd dan de Amsterdamse Duitsers. Het consistorie wilde van afscheiding echter niets weten, omdat dit de lutherse armenzorg in gevaar zou brengen.[13]

De lutherse gemeente moest, in haar geheel, de juiste toon vinden die haar acceptabel zou maken binnen de Amsterdamse context, en een solide sociaal beleid voor de eigen geloofsgenoten voeren. Het fysieke ruimteprobleem werd inmiddels niet kleiner. Na de afzetting van Abel kwam het Amsterdamse luthers consistorie opnieuw met plannen voor de bouw van een nieuwe kerk. De Jordaan was inmiddels afgeschreven: de nieuwe kerk zou verrijzen aan het Singel, dichtbij de waterkant, zoals de rekestanten in 1662 geëist hadden. In 1668 ging de eerste paal de grond in.

De bouwplannen die nu ter tafel lagen waren heel wat ambitieuzer dan de bescheiden houten preekschuur die men enkele jaren tevoren had willen neerzetten. Het consistorie nam de gerenommeerde architect Adriaan Dortsman in de arm die een opvallende ronde kerk ontwierp, bekroond door een spectaculaire, met koper beklede koepel. Om dit te kunnen bekostigen wierf het consistorie fondsen en giften, aan de hoven van lutherse vorsten, in steden in Scandinavië en het Duitse Rijk en binnen de eigen gemeente.[14] Er kwam minder binnen dan verhoopt. Na bezuiniging op de salarissen van de predikanten en op de subsidies aan noodlijdende zusterkerken en verhoging van de huur voor de zitplaatsen van consistorieleden waren nog grote leningen nodig, waarmee de gemeente zich voor tientallen jaren in de schulden stak.[15]

Het resultaat was een magnifiek gebouw, passend bij de status van deze uitzonderlijk grote en welvarende gemeente, maar de financiële lasten verhoogden de toch al aanwezige spanningen. In eerste instantie brak er een scherpe rivaliteit uit tussen de diakenen en de ouderlingen. De diakenen waren primair verantwoordelijk voor de armenzorg. Zij mochten meestemmen in verkiezingen en bij belangrijke beslissingen adviseren in de brede kerkvergadering, maar vergaderden voor het overige apart. De ouderlingen, die het dagelijks bestuur van de gemeente vormden, trokken nu zoveel mogelijk inkomsten van de kerk naar zich toe om de kerkbouw te kunnen bekostigen en de aangegane schulden te kunnen aflossen. Diakenen gingen hier hard tegenin, omdat de armen niet op ondersteuning konden wachten zonder te vergaan – en omdat burgemeesters de lutherse armenzorg toch al nauwlettend in de gaten hielden. De kerkbouw verleende de ouderlingen bovendien een prestige dat bij de diakenen afgunst verwekte. Met de bouw van een luthers weeshuis in 1678 kregen ook zij hun prestige-object.[16]

Naar een ‘Hollandser’ kerk

Het gestegen prestige van de diakenen leidde tot nieuwe spanningen in de brede kerkvergadering. Diakenen eisten nu ook een gelijke stem op in de verkiezingen van kerkpersoneel zoals secretarissen, kosters en armendokters – en uiteindelijk ook van predikanten. Traditioneel stemden zij mee, maar de nominatie van kandidaten was voorbehouden aan het consistorie. De zittende predikanten, nog steeds overwegend van Duitse origine, hadden bij de nominatie traditioneel de zwaarste inbreng. Zij overzagen de markt aan kandidaten en beschikten over nuttige contacten met Duitse universiteiten. De ouderlingen in het consistorie waren tegen hun gezag in theologicis niet opgewassen. Waar de autoriteit van de vorst in de Duitse lutherse gebieden een tegenwicht bood aan die van de predikanten, konden Amsterdamse lutherse voorgangers vrijwel als autocraten optreden.

Deze Duitse predikanten hadden in de voorgaande decennia de kwekelingen van Hoppe zoveel mogelijk buiten spel gehouden. Drie van hen hadden weliswaar een beroep gekregen, maar zonder uitzondering hadden zij lange tijd de merkwaardige status gehad van ‘assistent-predikant’. Als zodanig verrichtten zij wel alle pastorale werkzaamheden, maar hadden zij geen stemrecht in het consistorie. Deze tweederangspositie werd telkens gerechtvaardigd door twijfels en verdachtmakingen over hun rechtzinnigheid. Die onrechtzinnigheid bestond in de introductie van ‘nieuwigheden’ – een term die ook gebruikt werd in de gereformeerde kerk van deze periode, en waarmee doorgaans geduid wordt op enthousiasme voor cartesiaanse filosofie, voor coccejaanse theologie of waardering van natuurwetenschappelijke vondsten ook wanneer deze ingingen tegen de letterlijke tekst van bepaalde bijbelpassages. Ontwikkelde lutheranen namen aktief deel aan de intellectuele discussies rond de in Amsterdam zo bloeiende ‘vroege Verlichting’, en dat leidde in hun kerk evenzeer tot conflicten als in de publieke kerk.[17]

De predikantsvacature die in 1679 ontstond bracht echter een keerpunt in de verhoudingen. De diakenen hadden in de voorliggende jaren met succes het recht bevochten eigen kandidaten te nomineren. Met hun steun werd in 1680 Petrus Wesling tot predikant gekozen, een verklaard Hoppeaan en bovendien een gewiekst kerkpoliticus. Drie jaar later werd, opnieuw dankzij de stemmen van de diakenen, zijn geestverwant Theodorus Dominicus beroepen. Deze twee benoemingen vormden een overwinning voor de Hollandse partij in de gemeente.

Ze leidden tot grote commotie. Bij het beroep van Wesling verscheen een prent of tekening waarop men ziet hoe hij op een kruiwagen – ook toen al het symbool voor patronage – de Ronde Kerk wordt binnengetrokken door de 21 ouderlingen en diakenen die hem hun stem hadden gegeven in de verkiezingen. Een spottend gedicht haalde de Duitse predikanten, neerbuigend betiteld als ‘Noordse bokken’, en hun protégé’s die meegedongen hadden in de beroepingsprocedure, duchtig over de hekel. Prent en gedicht circuleerden waarschijnlijk slechts in een kleine kring van ingewijden. Anders lag dat bij het beroep van Dominicus. Hier barstte een ware cartoonoorlog uit, waarbij zowel de Duitse als de Hollandse partij het moesten ontgelden. Opnieuw werd het motief van de kruiwagen gebruikt, nu voor Dominicus die de zoon was van een invloedrijk ouderling. Er verschenen zoveel verschillende versies van de prenten dat er een ruime markt voor dit soort drukwerk geweest moet zijn. Het conflict lag letterlijk op straat. De spotprenten op de nieuwbenoemde richtten zich nadrukkelijk op een breed publiek. Naast spotprenten in een ingewikkelde allegorische beeldtaal of vergezeld van veel berijmde tekst, waren er ook eenvoudiger versies. Een prent waarop een overvliegende zwaan, symbool van Luther, zijn uitwerpselen laat vallen op het hoofd van de nieuwbenoemde predikant in zijn kruiwagen was ook voor analfabeten begrijpelijk.[18]

Een dergelijke publiciteitscampagne was zeer ongebruikelijk. Het conflict ging dan ook om meer dan theologische ligging van de nieuwbenoemde Hollanders. De Duitse partij in de brede kerkvergadering vertegenwoordigde een meerderheid van recentere immigranten, en was keer op keer in staat hen succesvol te mobiliseren tegen de innovaties van de langer gevestigden – door het beleggen van bijeenkomsten, het verzamelen van handtekeningen onder rekesten, en nu dus ook met behulp van spotprenten. In de beroepsprocedure waarin Dominicus verkozen werd hadden zij tevergeefs getracht een tegenkandidaat verkozen te krijgen met een beroep op een algemeen stemrecht voor ieder die bijdroeg aan de inkomsten van de kerk. Deze stemrechtkwestie leidde tot hevige en langdurige twisten binnen de Amsterdamse gemeente over de vraag of ook de gemeenteleden stemrecht hadden. De landelijke lutherse synode scheurde zelfs.[19] In de Amsterdamse gemeente zelf bleef de eenheid bewaard, opnieuw dankzij een dwingend optreden van de burgemeesters. De hegemonie van de Duitse partij was echter definitief ten einde.

De drijvende kracht achter deze omslag was de in 1680 benoemde Petrus Weslingh. Hij en zijn aanhang in de brede kerkvergadering waren echter geen radicale vernieuwers. Zij hielden strak vast aan de Augsburgse Confessie en de vastgestelde kerkorde voor de lutherse kerken in de Republiek. Zij waren ook allesbehalve democraten. Hoezeer zij ook een afkeer hadden van de door hen als ‘pauselijk’ bestempelde bestuursstijl van de Duitse predikanten, populisme was hun een gruwel. Wesling ontmoedigde het indienen van rekesten door betrokken lidmaten en wist in Amsterdam én in de synode de roep om een breder kiesrecht stevig de kop in te drukken. Onder zijn krachtdadig bewind – ook hij werd door zijn tegenstanders niet geheel zonder reden voor ‘paus’ gescholden – werd gestreefd naar een meer formele bestuursstijl, die ruimte bood voor Duitse én Hollandse predikanten, voor strakke én ruime opvattingen rond het gezag van bijbel en belijdenisgeschriften binnen de grenzen van de orthodoxie. Burgemeesters steunden deze politiek. De lutheranen volgden hierin het voorbeeld van de gereformeerde kerk, waar, onder het wakend oog van de burgemeesters, het predikantencorps paritair werd samengesteld uit aanhangers van de ‘Leidse’ en de ‘Utrechtse’ school, en waar, door middel van herhaalde polemiseerverboden, de vrede van hogerhand afgedwongen werd.[20]

Deze pacificatietactiek kon uiteraard niet iedereen bevredigen. Alles wijst erop dat onder het gros van de gemeenteleden de Duitse predikanten met hun polemische stijl als ‘echtere’ lutheranen beschouwd werden dan de Hollanders. De laatsten hadden nu de meerderheid in het consistorie en in de brede kerkvergadering. Zij vonden een hardnekkige kern van ‘malcontente’ lidmaten tegenover zich, die hen van ketterij beschuldigden. Deze malcontenten insisteerden op een breder kiesrecht met een beroep op Confessie en kerkorde, en wezen elke inmenging van een niet- lutherse overheid in de zaken van hun kerk af. De overgebleven Duitse predikanten wierpen zich op als spreekbuis voor deze ongenoegens.

Aanvankelijk lijken de malcontenten gehoopt en verwacht te hebben dat zij voor hun type prediking de beschikking zouden krijgen over de nieuwe Ronde Kerk, dicht gelegen bij de wijken waar de nieuw aankomende lutherse immigranten neerstreken voor wie hun stijl naar het lijkt het dichtst aansloot bij de eigen confessionele identiteit. Toen duidelijk werd dat burgemeesters de nieuwe kerkpolitiek van Wesling onverkort steunden, kochten zij in 1685 een voormalige glasfabriek aan de Keizersgracht om die als eigen kerkgebouw in gebruik te nemen. Zodra het stadsbestuur hiervan hoorde liet het het gebouw verzegelen. Niet voor één gat te vangen probeerden de malcontenten het nogmaals met een huis aan de Overtoom, net buiten de jurisdictie van de stad, maar ook deze poging werd door burgemeesters verijdeld.[21]

In 1690 zochten de malcontenten het hogerop: zij vroegen de approbatie van lutherse universiteiten voor een rekest aan de koning van Zweden. Zij wilden deze vorst verzoeken via diplomatieke druk bij het Amsterdamse stadsbestuur vrije godsdienstoefening af te dwingen in een afgescheiden lutherse kerk. Nu dreigden burgemeesters echter zowel de kerk aan het Spui als die aan het Singel te zullen sluiten en alle privileges van de lutheranen in te zullen trekken als de geschillen niet werden bijgelegd. De lutherse synode van 1691, voorgezeten door Wesling, bekrachtigde de lijn van het Amsterdams consistorie, waarop een deel van de lutherse kerken in de Republiek zich van de synode afscheidde in een Haagse Unie. Een deel van de malcontenten kwam voortaan bijeen in huiskerken of liep uit naar Amersfoort waar een predikant stond van hun kleur.[22]

Een exemplum?

In het begin van de achttiende eeuw verbleekten de verschillen tussen Duitsers en Hollanders. De Haagse Unie verliep. We kunnen stellen dat de hardhandige politiek van het Amsterdamse stadsbestuur en van het consistorie onder Wesling uiteindelijk de basis legde voor een in de Nederlandse verhoudingen geïntegreerde lutherse kerk, die ook intern met verscheidenheid had leren omgaan.

Deze geschiedenis vertoont op een aantal punten gelijkenis met de situatie van immigrantengemeenschappen in onze tijd. Verschillen in taal, maar vooral verschillen in cultuur maken dat immigranten graag aansluiting zoeken bij kerken en geloofsgemeenschappen waarin zij hun ervaringen in de nieuwe situatie kunnen delen, verenigd in een eigen identiteit. Cultuurverschillen binnen een geloofsgemeenschap van immigranten leiden tot opsplitsing. Groepen die zoveel mogelijk hun traditionele vormen willen handhaven kunnen daar diplomatieke en financiële steun voor vragen in het land van herkomst, en groepen die de aansluiting zoeken met de ontvangende cultuur, en eigen tradities willen vertalen naar de zeden en gewoonten van hun nieuwe vaderland vinden daarvoor steun bij de elites in het nieuwe land, zowel in de overheid als onder ‘ingeburgerde’ geloofsgenoten.

Daar houdt echter de gelijkenis op. In de zeventiende eeuw konden Amsterdamse burgemeesters inburgering, kerkelijke eenheid en bovendien onderlinge solidariteit in de zorg voor de armen van de eigen confessie vergaand afdwingen. Een predikant met ‘pauselijke’ bestuurskwaliteiten kon, met hun steun, de synode naar zijn hand zetten. Zeventiende-eeuwse geschiedenis is daardoor precies dat: geschiedenis. Religieuze cultuur is in de huidige gedemocratiseerde verhoudingen veel dynamischer, grilliger zelfs. Het lijkt mij dat we niets anders moeten willen.

Wellicht ook interessant

Twee koningen
Twee koningen
Basis

De dominee of de therapeut?

In de serie ‘Het christelijke geloof in een therapeutisch Nederland’ onderzoekt Katie Vlaardingenbroek, auteur van Nederland Therapieland, de relatie tussen het christelijke geloof en onze huidige therapiecultuur. In haar vorige artikel liet ze zien dat therapie een autoriteit is geworden op het gebied van levensvragen. In dit tweede artikel onderzoekt ze de concurrerende relatie tussen therapie en religie. Wie kan het beste hulp bieden bij menselijk lijden: de dominee of de therapeut?

None

Preview: De reis naar minder ik

Tim Thijs Ketting gaf zijn leven een 4,5, terwijl het op papier een 9 was. Gezondheid, liefde, werk – alle hoekstenen stonden als een huis. Maar hij was ongelukkig en belandde bij een therapeut. ‘Het handelsmerk van de westerse millennial’, zoals hij zelf schrijft in zijn boek De reis naar minder ik. Alles hebben, en toch vastlopen. Hoe komt dat toch? Tim Thijs startte zijn eigen zoektocht naar zingeving en stuitte op: de ander en de wereld. Lees hieronder de proloog uit zijn boek De reis naar minder ik.

Persoon die in gesprek is met een psycholoog
Persoon die in gesprek is met een psycholoog
None

Een therapeutische staatsreligie?

In de nieuwe serie ‘Het christelijke geloof in een therapeutisch Nederland’ onderzoekt Katie Vlaardingenbroek, auteur van Nederland Therapieland, de relatie tussen het christelijke geloof en onze huidige therapiecultuur. Op eerste oogopslag lijken geloof en therapie twee verschillende invloedsferen te zijn. Maar Katie laat zien dat ze veel meer met elkaar gemeen hebben dan we wellicht denken en dat het van groot belang is om de overeenkomsten en verschillen scherp te krijgen. In dit eerste artikel onderzoekt ze de gevolgen van de verandering van therapie in een potentiële staatsreligie, en daarmee in een autoriteit op het gebied van levensvragen. 

Nieuwe boeken