Menu

Basis

God hoort, gedenkt, ziet en kent

Alternatief bij 7e zondag van Epifanie (Exodus 2:11-25)

Tegenover Farao’s ‘cultuur van de dood’ (Avivah Gottlieb Zornberg) ontstaat tussen drie vrouwen – onder wie, pikant detail, de dochter van Farao – een gezamenlijke actie voor het leven van een bijzonder kind. Mozes is ‘opgegroeid’. Zijn biologische moeder geeft de moederrol door aan de prinses (Exodus 2:10). Hij gaat over van zijn volk, dat de ogen niet kan verheffen, naar het paleis, waar hij een hoge opvoeding krijgt die hem moet klaarstomen voor het leiderschap van zijn volk.[1]

In Exodus 2:11 staat voor de tweede keer: ‘en Mozes is opgegroeid’ (Hebr.: gadal). Hij gaat weer een andere groeifase in. ‘Gegroeid, groot zijn’ betekent aan het einde van een ontwikkelingsfase komen om aan het begin te staan van nieuwe ervaringen.[2] Mozes’ eerste nieuwe ervaring is zijn ‘uittrekken’ (Hebr.: jatsa’) uit de veilige wereld van het paleis, naar het onveilige bestaan van een slavenvolk.

Mozes ziet met het hart

Zijn tweede ervaring is het ‘zien’ (Hebr.: ra’ah) van dit onveilige bestaan. Het zien van Mozes gebeurt met het hart. Hij raakt door zijn zien betrokken bij het leed van anderen. Mozes’ eerste belangrijke actie als volwassene is een daad van empathie met mensen die sociaal en existentieel zo anders blijken te zijn dan hij.[3] Zij worden onverwacht ‘zijn broeders’ genoemd. Zijn kwetsbare empathie leidt hem tot het tweede zien: een Egyptische opziener die een Hebreeuwse slaaf afranselt (Exodus 2:11). Zien in dit geval is het zien van machtsverschillen tussen iemand die macht in vorm van geweld uitoefent en iemand die een dergelijke macht ondergaat. Het vervolg laat zien dat zijn empathie naar het slachtoffer uitgaat en tot het merkwaardige derde zien leidt: hij ziet om zich heen voordat hij handelt (Exodus 2:12). Er zijn vele interpretaties van het ‘om zich heen kijken’. Voor rabbi Jehoeda was het geen schuldbewust om zich heen kijken voordat hij iets deed dat verboden was, maar een uitzien naar iemand die de zaak van God opnam (midrasj-verzameling Vayikra Rabba 32:4). Rabbi Jehoeda staaft zijn interpretatie met een citaat uit Jesaja (59:15-16): ‘De Ene ziet en het is kwaad in zijn ogen dat er geen recht is. Hij ziet dat er geen man is (…)’. Hillel laat in zijn belangrijke uitspraak ‘waar geen man (mens) is, probeer dan een man (mens) te zijn’ (Spreuken der Vaderen 2:6), ons vers weerklinken. In het vervolg blijkt dat Mozes om zich heen kijkt of er geen Egyptenaar in de buurt is die hem bij Farao kan rapporteren.

Mozes ranselt een Egyptenaar af

Na het uittrekken en zien is Mozes’ derde actie iemand ‘doodslaan’. Hetzelfde Hebreeuwse werkwoord uit Exodus 2:10 staat ook in Exodus 2:11: nakhah = (hif.) schaden, slaan, slaan met dodelijke uitgang. Gezien het (dood)slaan van Mozes was ook het slaan van de Egyptenaar levensbedreigend voor de Hebreeuwse slaaf.

‘Geen man’

Hij is niet zo gechoqueerd dat hij de volgende dag niet weer uittrekt. Weer komt hij in een conflictsituatie terecht. Deze keer in een conflict tussen gelijken: twee ‘Hebreeuwse mannen’, ’anasjim, niet-slaven. Zij worden geen broeders meer genoemd, integendeel, zij geven hem, de kleinzoon van Farao, weerwoord. Deze twee mannen heffen hun ogen op en kijken hem direct in het gezicht. Hem die de vorige dag ‘geen man’ zag, nemen zij zijn autoriteit af: ‘Wie heeft jou tot ‘man’ (Hebr.: ’isj) aangesteld (…)?’ (Exodus 2:14). Mozes heeft de Hebreeuwse slaven over het hoofd gezien. Blijkbaar waren zij voor hem niemanden, slaven die te gekneveld waren om hem te verklikken, geen ‘mannen’ om rekening mee te houden. En dan heeft hij het bij Farao verbruid. Hij moet voor zijn leven vrezen en vlucht (Exodus 2:15).

Naar de bron

Hij gaat zitten bij ‘de bron’ (Exodus 2:15). Blijkbaar lukt het niet om een leider van Gods volk te worden vanuit het paleis van Farao. Als het een toets was om zijn leiderschapskwaliteiten te beproeven, handhaaft Mozes zich in de verschillende conflictsituaties niet zo goed. Hij moest uit het Egyptische systeem van dictator en slaaf gehaald worden. Hij moet bij de bron komen, een nieuwe levensfase ingaan en leren wat het betekent een echte leider te zijn. Het paleis schoot daarin tekort. Mozes wordt herder (Exodus 3:1), zoals alle leiders in de Bijbel aan het begin waren. Hij gaat zitten bij de bron in de dubbele betekenis. Mozes geeft water aan de beesten, zoals Jakob, maar hij wordt ook door Jetro opgenomen in zijn wereld (Exodus 2:20). Hij kan daar tot leven komen. Hij sticht een familie (Exodus 2:22) en gaat bij zijn schoonvader in de leer.

God

Vanaf dat moment treedt God op het plan. God wordt in de twee eerste hoofdstukken van Exodus alleen in verband met de vroedvrouwen genoemd. Voor de rest van het volk was Hij afwezig. Ooit had Hij aan Jakob beloofd: ‘Ik zal met jou mee afdalen naar Egypte, Ik zal je weer doen opklimmen’ (Genesis 46:4a). En nu? Volgens Nechama Leibowitz brengt de tekst impliciet tot uitdrukking dat het volk in zijn onderdrukking zodanig opgesloten zit dat het de aanwezigheid van God niet meer kan voelen.[4] De dood van Farao brengt verandering. Het volk herinnert zich God en ‘schreeuwt’ (Hebr.: za‘aq) om hulp tot God (Exodus 2:23). God aan zijn kant ‘hoort’ (Hebr.: sjama’), God ‘herinnert zich’ (Hebr.: zachar), God ‘ziet’ (Hebr.: ra’ah), en God ‘(her)kent’ (Hebr.: jada’ – Exodus 2:25). Vier keer het woord ’elohim, nog niet het tetragram, de intieme naam van God, maar vier stappen die God vanachter de blokkade terugbrengen in het leven van het volk tot het intieme jada’. Dit vers is een van de ongelooflijk vele stappen die tot de uiteindelijke bevrijding leiden.

Deze exegese is opgesteld door Kristin Ritsert.

Voetnoten

[1] N. Leibowitz, Studies in Shemot, 1981, 40

[2] A. Gottlieb Zornberg, The Particulars of Rapture, 2001, 24.

[3] Zornberg, 25.

[4] Leibowitz, 18.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken