Menu

Premium

Gods Woord is mens (vlees) geworden

Gods Woord is mens (vlees) geworden

Bij Jesaja 52,7-10 en Johannes 1,1-14

Hoe begin je een verhaal over Jezus, de man die in jouw gemeenschap als Messias beleden wordt? Marcus start bij het openbare optreden, Lucas en Matteüs bij de geboorte van een kind. De auteur van het Johannesevangelie maakt een andere keuze en grijpt terug naar de oorsprongsteksten van de joodse traditie. Een poëtische wordingsgeschiedenis evoceert hij, en hij kadert zo de beweging rond Jezus Messias in een goddelijke oorsprong.

‘In het begin’, zo openen de auteurs van Genesis hun bemoedigende verhaal. Van oudsher en tot in eeuwigheid, is de ondertoon, is God scheppend aanwezig. Een wereld ontstaat waarin leven mogelijk wordt voor mens en dier. Hoogtepunt is niet de mens, maar de sabbat: de geheiligde dag van rust. Deze rust contrasteert met de chaos die eerder heerste, de nood aan bewoonbaar land dat door de wateren nog ontbrak. Het is een apart, heilig moment.

Gods scheppende en herscheppende aanwezigheid

Het boek Genesis verhaalt vervolgens stap voor stap hoe mensen, als concreet beeld van God, groeien tot een volk van God. De vele geslachtslijsten zouden kunnen suggereren dat dit een natuurlijk proces is. Maar hiertegen gaan verhalen in die aangeven dat dit volk niet vanzelf is ontstaan, van vader op zoon, maar door actief handelen van God. Het is bijvoorbeeld toch via de ‘onvruchtbare’ vrouw en de bedreigde aartsmoeders, of via de jongste zoon dat de beloften van volk en land verder gebracht worden. Parallel hieraan schrijft Johannes de openingswoorden: ‘In het begin’ (Joh. 1,1). Wat hier herschapen wordt, is het volk van God als kinderen van God, uit God geboren, niet uit de wil van een man (1,13). En dit dankzij de Messias die de Vader heeft doen kennen (1,18).

Gods daadwerkelijke Woord

De proloog op het Johannesevangelie functioneert als een ouverture. In poëtische taal roept deze beelden en ideeën op die in heel het evangelie voorkomen. Een belangrijk aspect hiervan is de nauwe band tussen God en Jezus. Zo verkondigt de Johanneïsche Jezus dat Vader en Zoon één zijn (10,30; 14,10). Jezus is in de Vader en de Vader is in Jezus (10,38; 14,11). In de proloog grijpt de schrijver voor dit thema naar het beeld van het krachtdadige Woord van God. Woord en daad hangen in het semitische taalgebruik nauw samen. Door het Woord van God ontstaat wat uitgesproken wordt, zoals Genesis 1 telkens verhaalt, bijvoorbeeld: ‘God sprak: er zij licht, en er was licht’ (Gen. 1,3).

Gods Woord brengt in de joodse traditie ook vruchtbaar leven, doordat het van God uitgaat, een uitwerking heeft en naar God terugkeert (Jes. 55,10-11, vgl. Joh. 6,38-40). Wat Jezus betekent voor christenen beschrijft Johannes als een gelijkaardig fenomeen: alles is door Hem ontstaan en heeft leven in Hem (Joh. 1,3-4). Anderzijds sluit de idee dat het Woord bij God is en God is, ook aan bij de voorstelling van de goddelijke Wijsheid, die in teksten als Spreuken 8,22vv. en Sirach 24 wordt gezien als aanwezig bij de scheppingsact, maar ook als degene die haar tent opslaat te midden van het volk (Sir. 24,8, zie Joh. 1,14).

Licht en duister

Met de oeroude symbolen van licht en duister spreken Bijbelse teksten over Gods bevrijding. Jesaja 9,1-6 is hier een sprekend voorbeeld van. Voor wie ronddwaalt in het duister gaat een stralend licht op, doordat de macht van de verdrukkers gebroken wordt (Jes. 9,1-3). Voor een volk dat door de geschiedenis heen met de ene overweldigende grootmacht na de andere te maken heeft, is dit goed nieuws. De eerste christengemeenschappen ontstaan eveneens in woelige tijden. Jezus is gekruisigd, na de Joodse opstand is Jeruzalem vernietigd, zijn families gedood en uit elkaar gejaagd, de tempel en de natie zijn verleden tijd. In deze periode van duisternis ontwikkelen de christenen ook een visie op de toekomst, en de belangrijke plaats die Jezus van Nazareth hierin heeft. In de proloog van Johannes (en elders) weerklinkt zowel hun hoop als de pijnlijke realiteit dat de geloofsgemeenschappen verdeeld zijn en velen hun hoopvolle boodschap afwijzen. Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis overmeestert het niet (Joh. 1,5). Wie van Hem waren hebben Hem niet ontvangen (1,11), maar wie Hem wel ontvangen, krijgen het voorrecht om kinderen van God te worden (1,12).

Vreugdeboden van het licht

Talrijke allusies op andere Bijbelse tradities duiden in het Johannesevangelie het gebeuren rond Jezus vanuit oudere geloofstradities. Dit beklemtoont de continuïteit tussen verleden, heden en toekomst. De weg die God met zijn volk gaat, loopt volgens de christenen door in hun gemeenschappen. Voor vele joden is dit allesbehalve vanzelfsprekend. Johannes de Doper kan hierbij een brugfunctie krijgen. Hij wordt uitdrukkelijk als door God gezonden voorgesteld, als getuige van het licht. Johannes krijgt zo een bemiddelende functie: zijn zending van Godswege is een zending die tot geloof moet brengen (Joh. 1,7). Een geloof dat vervolgens mensen tot de diepste genade van God brengt: mensen tot kinderen van God maakt, uit God geboren (1,11-12), los van bloedverwantschap of mannelijke potentie.

Een gelijkaardige dubbele beweging is ook aanwezig in Jesaja 52,7-10: eerst komt de bode, dan God zelf. Vrede, goed nieuws, bevrijding wordt gemeld door de bode. In een tweede beweging zien de wachters dan God zelf komen om het volk te bevrijden.

Johannes is de door God gezonden getuige, maar vervolgens geeft de auteur ook het christelijke geloofsgetuigenis. Gods heerlijkheid is in Jezus te zien. Jezus is vervuld van Gods genade en waarheid. Jezus is getuige van Gods goedheid en waarheid (vgl. Joh. 18,37), maar anders dan Johannes de Doper is Jezus van Nazareth niet alleen de gids maar ook zelf de weg om God te kennen (vgl. Joh. 1,18; 14,6).

Ine Van Den Eynde

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken