Menu

Premium

Goede vrijdag: overgave – geen offer

Bij Exodus 12,(1)21-28, Hosea 6,1-6, Hebreeën 9,11-15 en Johannes 18,1-19,42

Hebreeën 9,11-15 zit vol van offerterminologie. Christus heeft zichzelf geofferd (9,14) en op deze manier de reiniging van de zonden voltrokken (1,3; 9,14). Een vertrouwde boodschap op Goede Vrijdag. Maar zo makkelijk laat het leesrooster ons er niet vanaf komen. Want de profetenlezing uit Hosea culmineert in een puntige uitspraak van God: ‘Barmhartigheid wil Ik, geen offer’ (6,6). Hoe zit dat nu met God en het offer?

Sinds rond 745 wordt de bedreiging uit het Noorden steeds groter. Assyrië probeert meer en meer kleine staten in Syrië van zich afhankelijk te maken. Israël betaalt, net als andere staten, tribuut aan de koning van Assyrië. Onder het koningschap van Pekach verandert het beleid. Aram en Israël sluiten een verbond tegen Assyrië. Als Juda weigert mee te doen, proberen Aram en Israël door middel van een veldtocht Juda tot deelname te dwingen (733). Juda roept Assyrië te hulp – met funeste gevolgen voor Israël. Hosea laat de gebeurtenissen uit Gods perspectief zien. Het gaat niet alleen om een vergelding door Assyrië. God zelf straft Israël – en Juda. Hij trekt zich terug. In hun nood zullen zij wel boete doen en weer naar God vragen (5,9-15).

Wat God écht wil

Het lijkt alsof ze hun lesje geleerd hebben. Het volk zegt klaar te staan voor een terugkeer naar God. Ze willen ernaar vragen wie God is en wat Hij wil, dan zal het tij wel keren. Verrassend genoeg reageert God op een toon van ‘Leren zij het dan nooit?’. Wat is er mis met hun goede voornemens? God verwijt zijn volk dat het met hun ‘liefde’ snel weer afgelopen is; zij is als de ochtendnevel of morgendauw. En inderdaad, de woorden van het volk spreken veel meer over hun hoop dan over wat zij willen veranderen. Op zich zijn zij vrij positief over hun toekomst. Binnen no time zal het weer goed komen, dan zal God zich weer tot zijn volk keren en hen met zijn weldaden overspoelen, aldus hun overtuiging. ‘Hij heeft ons verscheurd, Hij zal ons weer genezen.’ Maar hebben ze dan niet goed geluisterd? Het gaat niet om een klein scheurwondje; God is als een leeuw die verscheurt (5,14)! Zij hebben de diepte van hun ellende nog niet begrepen. God heeft zich veel verder teruggetrokken dan zij beseffen. Oppervlakkige boete voldoet niet meer.

Wat God echt wil is ‘liefde’ (chèsèd), niet offers; ‘kennis van God’ (da‘at) wil Hij – meer dan brandoffers (6,6). Dit vers moet niet worden begrepen als een principiële afwijzing; Hosea pleit niet voor een cultus zonder offers. Dit blijkt ten eerste uit de genuanceerdere formulering ‘meer dan’ in het tweede gedeelte van het vers. En ten tweede is het werkwoord chafats – soms nogal vaag met ‘willen’ vertaald – offertaal: de priester oordeelt of God wel of niet welwillend naar een offer kijkt (chafats), of Hij het wel of niet aanvaardt. Kortom: chèsèd en da‘at zijn de offers die God goedkeurt. Zonder deze twee hoef je ook geen andere offers te brengen.

Da‘at is een leidmotief bij Hosea. ‘Kennis van God’ betekent weten wat God gedaan heeft en Hem eren door zijn wil in de praktijk om te zetten; het tegenovergestelde van ‘God kennen’ is ‘God vergeten’. Van echte kennis van God getuigt chèsèd, vaak vertaald met ‘liefde’, ‘goedertierenheid’, ‘barmhartigheid’, ‘weldadigheid’, samengevat dus: toewijding aan God en de mensen.

Jom Kipoer

De tekst uit Hebreeën, het theologische kernstuk van de hele brief, legt uit wat Christus gedaan heeft om de reiniging van de zonden (1,3) tot stand te brengen. Hiervoor gebruikt hij een analogie. Wat Christus aan het kruis volbracht heeft, kun je vergelijken met wat de hogepriester op Jom Kipoer deed. Op deze dag bewerkte hij de verzoening voor zichzelf door middel van het bloed van een stier en voor het volk door middel van het bloed van een bok. Dit bloed bracht hij in de heilige ruimte achter het voorhangsel (Lev. 16,11-16). Ook Christus heeft zo’n weg afgelegd. Met zijn eigen bloed is hij door een ‘verhevener en volmaakter tent’ heen het (hemelse!) heiligdom binnengegaan. Dit bloed ‘reinigt ons geweten van de dode werken’ (Hebr. 9,11.14).

Benadrukt wordt hierbij niet zozeer het doden van een dier, maar het aanbieden, het overdragen van het bloed aan God. In het bloed zit het leven. Bij het binnenbrengen van bloed in de ruimte van Gods aanwezigheid gaat het dus om het aanbieden van leven aan God. Christus heeft aan het kruis het leven gelaten, deze daad biedt Hij als hogepriester God aan. Zo gezien ligt Jezus’ dood in één lijn met zijn leven: beide worden gekenmerkt door de overgave aan God, door gehoorzaamheid (Hebr. 5,7-9; Fil. 2,8). Goede Vrijdag kan worden beschouwd als de ultieme vorm van Christus’ overgave aan God.

Ondanks de vergrotende trappen is het trouwens niet de bedoeling om Jom Kipoer als iets minderwaardigs te beschouwen. Want zonder Jom Kipoer had de schrijver geen model gehad om begrijpelijk te maken wat er op Goede Vrijdag gebeurde. Jom Kipoer functioneert als onmisbare voorwaarde voor de beschrijving van Jezus’ heilsdaad in Hebreeën 10.

Goede Vrijdag én Hemelvaart

Maar hebben we bij het decoderen nu niet een fout gemaakt? Zeker, dat Christus zijn bloed, dus zijn leven (of: sterven) God aanbiedt, dat duidt op Goede Vrijdag. Maar dat Christus door het volmaaktere tabernakel heen naar de plaats van Gods aanwezigheid gaat – dit lijkt toch meer op Hemelvaart. Voor de schrijver van de brief aan de Hebreeën zijn Goede Vrijdag en Hemelvaart – net als voor het Johannesevangelie – niet twee feesten die los staan van elkaar. Hij zou ze op één dag gevierd hebben.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken