Goede Vrijdag
Bij Psalm 22 en Johannes 18,1-19,42
Wie een aantal jaargangen van De Eerste Dag doorbladert, zal ontdekken dat voor deze dag elk jaar dezelfde teksten ingeroosterd staan. De lezer die met deze pagina onvoldoende geholpen is, kan dus ook te rade gaan bij vorige jaargangen.
Op Goede Vrijdag past ons, predikers, grote bescheidenheid. We laten de evangelielezing, vooruitgegaan door teksten uit de breedte van de Schriften en omgeven door de symbolen van kruisweg en/of paaslicht, haar eigen taal spreken. Vaak zien we af van een preek of overdenking, om niet zelfs op deze dag met onze eigenwijsheid het laatste woord te hebben.
Als ik het zo zeg, klinkt dat bescheiden, maar er kleeft wel een probleem aan. In kerken waar het leesrooster gevolgd wordt, klinkt het verhaal van de kruisweg en de dood van Jezus uitsluitend op Goede Vrijdag en als we op die dag niet preken, zullen we dus nooit preken over dit kernstuk van het evangelie en onze traditie. Dat heeft ook wel weer een gerieflijke kant: we hoeven onze eigen kruistheologie niet expliciet te maken. Of simpeler: we kunnen met een vroom argument om de hete brei heen draaien.
‘Meditatiewijzer’
Intussen verdient het evangelie van de kruisiging wel degelijk uitleg, want allerlei verbanden zullen de argeloze luisteraar anders ontgaan. Als we in het spoor van het rooster maandenlang de perikopen die naar deze apotheose toewerken, met toewijding hebben uitgelegd, is het belangrijk om ook een leesgids te bieden bij het verhaal van de kruisiging. Want juist dit verhaal wordt in de oren van veel luisteraars sterk gekleurd door beelden die vaak de tekst overstemmen: van de bloederige crucifixen van de afgelopen eeuwen tot en met The passion of the Christ van Mel Gibson. Ik meen dus dat er ook op Goede Vrijdag reden is voor een preek of overweging. Om vorm te geven aan de gepaste bescheidenheid, spreek ik die overweging bij voorkeur uit als een soort ‘meditatiewijzer’ voorafgaand aan de evangelielezing – zodat die lezing dan toch de eigenlijke verkondiging kan zijn. Daarom wil ik hier, aanvullend bij alles wat in vorige jaargangen bij deze dag is gezegd, slechts voor enkele zaken aandacht vragen.
Geen beschrijving van fysiek geweld
De eerste is de manier waarop de evangeliën het kruisverhaal vertellen. Ieder jaar weer hoor ik tegen Pasen verhalen over wat er precies gebeurt met iemand die aan een kruis hangt en waar precies de spijkers erin gingen en hoe het met de voeten zat. Dan is het wel opvallend dat de evangelieverhalen geen beschrijving geven van het fysieke gebeuren. Er wordt niet verteld hoe ze Jezus geselden, wat voor wonden er ontstonden, of Hij het uitschreeuwde van de pijn, dat iemand de hamer en nagels pakte, hoe het ging toen ze het kruis rechtopzetten – de evangeliën volstaan met ‘ze geselden Hem’ en ‘ze kruisigden Hem’. Alle ruimte wordt in de evangeliën besteed aan het ‘relationele’ drama: wat er gezegd werd, wie erbij was, hoe er gereageerd werd. Het lijden van Jezus wordt niet geschilderd in termen van fysieke foltering, maar in termen van spot en minachting en uitstoting. Het fysieke lijden wordt niet ontkend, maar er wordt geen werk van gemaakt in de beschrijving. De verteller is daar blijkbaar niet op gefocust: die ziet wat er zich tussen de mensen afspeelt en veel daarvan wordt gevat in woorden die door de personages gesproken worden, alsof die woorden de eigenlijke daden op Golgota zijn. De uitspraken van Jezus en de overige spelers op het toneel geven vorm aan een drama van liefde en haat, ontferming en cynisme, toenadering en uitsluiting, gemeenschap en eenzaamheid, angst en overgave. We hebben enkele eeuwen achter de rug, waarin de kruisweg en de kruisiging werden afgebeeld op een manier die vooral van dit drama afleidde naar de fysieke ellende van een executie – die wel heel erg is, maar helaas verre van uniek, want talloze mensenkinderen komen veel erger en veel langzamer aan hun eind dan Jezus aan het kruis.
Programma van psalm 22
Het draaiboek voor het kruisigingsverhaal vonden de evangelisten dan ook niet door zich te verdiepen in de Romeinse executiepraktijk, maar in psalm 22. Ook in dat lijdenslied zijn de fysieke beelden van het lijden telkens uitdrukking van ‘sociale pijn’. Het gaat telkens om het schrijnende verschil tussen het wegteren van de lijdende en de boosaardigheid van degenen die het laten gebeuren of die eraan bijdragen. Het verhaal van Jezus’ kruisiging lijkt wel, bij alle variatie tussen de evangeliën, het programma van deze psalm af te werken. De roep uit de godverlatenheid (22,2), de bespotting en het hoofdschudden (8), wat ze dan roepen (9), de dorst (16), de doorboring van handen en voeten (17), het toekijken bij zijn naaktheid (18), het verdelen van en dobbelen om zijn kleren (19) en dat het ten slotte ‘volbracht is’ (32).
Als een psalm zo uitgebreid gebruikt wordt als vormgevend element in een verhaal, moeten we misschien ook de niet-geciteerde delen van het lied in ons verstaan van het verhaal laten meewegen. In psalm 22 wordt de beklemmende verwoording van pijn en verlating telkens afgewisseld met hooggestemde woorden van hoop en geloof – de psalm spreekt per saldo van een stralende zekerheid dat de ik-figuur erdoorheen getild wordt, dat hij Gods lof weer zal zingen. Dat doet niet af aan de afschuwelijke diepte van het lijden, maar maakt wel dat het lijden begrepen is in een beweging. Die beweging wordt in de evangeliën in de aanloop naar Pasen ook telkens verwoord in Jezus’ eigen lijdensaankondigingen. Zonder die beweging zou er op Goede Vrijdag alleen maar afgrijzen en dood zijn, het einde van de menselijkheid en het einde van alles.
Het is het overwegen waard om eens in een Goede Vrijdagviering of een andere kerkdienst in de passietijd, alleen uit psalm 22 te zingen en zo zichtbaar te maken dat deze psalm het skelet van het passieverhaal vormt. Dan wordt ook hoorbaar, hoe de beweging van de hoop voorkomt dat je voorgoed in de diepte van het lijden verloren gaat.