‘Hallo, ik ben gewoon een mens’
Wat verandert er als je mensen niet probeert te repareren, maar naast hen gaat staan? Jaleesa, Pieter en Max delen hoe dit hun leven heeft veranderd.
Inloophuizen, straatpastoraat en buurtpastoraat zijn er, ieder op hun eigen manier, voor ‘mensen die geen helper hebben’, eenzaam zijn, tussen wal en schip dreigen te raken of te maken hebben met armoede of schulden.
Max: ‘Ik weet wat het is om niet gezien te worden’
Wees kwetsbaar, zou straatpastor Max aan iedereen willen meegeven: “Leg niet meteen antwoorden op tafel, maar loop met iemand mee. Een verslaafde weet zelf wel dat hij verslaafd is. Daar hoef ik hem niet steeds aan te herinneren.”
Max: ‘Mijn drugsverslaving was een geleidelijk proces. Nadat ik terugkwam van een militaire uitzending naar Libanon had ik een andere blik op de wereld gekregen. Ik kon mijn plek in de maatschappij niet vinden. Dus ging ik zelf maar wat rommelen, zelfmedicatie noemde ik dat, om rust in mijn hoofd te krijgen. Tot ik in een neerwaartse spiraal terechtkwam waar ik niet meer uitkwam.
Ik ben verschillende keren afgekickt, maar iedere keer liep ik toch weer vast met mijn gevoelens. Dan werd heroïne mijn enige oplossing. Ik vond het wel best, wilde op het laatst helemaal niet meer afkicken. Ik had al afscheid genomen van mijn familie.
Toch heb ik het nog één keer geprobeerd. In die kliniek ben ik wel anderhalf jaar gebleven. Langzaam bouwde ik mijn leven weer op. Ik vond daar ook God. En daarna ontmoette ik mijn vrouw. Zij heeft me misschien wel het belangrijkste gegeven: rust. Ze vertrouwde me gewoon en waardeerde me om wie ik ben. Daardoor kon ik weer ademhalen. Afkicken is het makkelijke gedeelte, zeg ik altijd. Herstellen is veel lastiger. Het duurt jaren voordat je leven weer op de rit is.
Ze vertrouwde me gewoon en waardeerde me om wie ik ben
Ik voelde mij geroepen om ‘de straat op te gaan’. Ik heb toen bij verschillende organisaties gesolliciteerd, maar al snel dacht ik: dit is het niet. Ik wilde niet op de traditionele manier begeleiden. Ik wist wel wat ik zelf prettig had gevonden: mensen die zonder oordeel met me konden praten. Mensen die er gewoon voor me waren, zonder iets van me te eisen.
Dat is wat ik nu als straatpastor in Ede ook aan anderen wil geven. Ik had vroeger een enorme hekel aan hulpverleners die bij binnenkomst hun laptop openklapten: naam, verslaving, huisvesting? Dan dacht ik: hallo, ik ben gewoon een mens. Ik kan denken, eten, drinken, ik heb gevoelens en een leven.
Ik zet mij steeds meer in voor een beweging van noodhulp naar ontwikkelingshulp. Een slaapzak geven is goed. Iemand eten geven is goed. Maar als het daarbij blijft, geven we iemand eigenlijk op. We moeten verder kijken: hoe kan iemand zijn leven weer opbouwen? Hoe kan iemand weer ontdekken wat hij kan, wat hij wil en waar hij zelf invloed op heeft?’
Jaleesa: ‘Ik werkte verschrikkelijk hard en raakte toch alles kwijt’
In een zelfregiegroep vond Jaleesa geen hulpverlener, die vertelde wat ze moest doen, maar mensen met wie ze opnieuw kon ontdekken wat ze zelf kon, wilde en te bieden had. ‘In een zelfregiegroep wordt niet gevraagd wat er allemaal mis is, want dat doet er eigenlijk niet zo toe. Er wordt gekeken naar: wat kun je en wat wil je?’
Jaleesa: ‘Mijn verhaal begint zestien jaar geleden. Ik was toen heel jong moeder en had in Rotterdam mijn eigen zaak, een bakkerijtje dat ook een soort huiskamer voor de buurt was. Een plek waar iedereen binnen kon lopen; als het heel warm was, deden we een watergevecht met alle kinderen. Toen gebeurden er verschillende dingen tegelijk. Een pensioenfonds eiste premie voor werknemers, die helemaal niet bestonden. Ik moest kinderopvangtoeslag terugbetalen aan de Belastingdienst. Ik ben toen failliet verklaard.
Ik had altijd het idee gehad: als je maar hard genoeg werkt, dan komt het allemaal goed. Maar ik werkte echt verschrikkelijk hard en raakte toch alles kwijt. Veel mensen om mij heen dachten: ‘Ze is zo jong, ze zal wel iets fout hebben gedaan’. Daardoor verloor ik niet alleen zelfvertrouwen, maar ook een beetje de hoop. Ik trok mezelf steeds verder terug. Buurtbewoners, die mij kenden van mijn bakkerij, vroegen wat er was gebeurd. Dan klapte ik dicht, want ik begreep het zelf eigenlijk ook niet.
Bij de voedselbank leerde ik Bas kennen, die bij het wijkpastoraat actief was. Hij was eigenlijk de eerste, die in deze eenzame periode echt de tijd voor mij nam en naar mij luisterde. Hij was nieuwsgierig naar mijn verhaal. Toen hij samen met Bårbel WeMove oprichtte, vertelde hij mij over zelfregiegroepen en heb ik samen met twee anderen de eerste zelfregiegroep in Nederland gevormd.
Wat ik heel mooi vind van zelfregiegroepen, is dat het een leerproces is dat je samen met anderen doorloopt. Samen met jouw groep zet je een soort eigen bedrijfje op. Alle afspraken maakten we samen. Dat gaf mij een enorm gevoel van autonomie in een periode waarin ik weinig over mijn leven te zeggen had: ik doorliep een schuldsaneringstraject en had zelf beschermingsbewind aangevraagd. In deze groep werd ik wel serieus genomen; er is niemand van buitenaf die het beleid bepaalt.
… de eerste, die in deze eenzame periode echt de tijd voor mij nam en luisterde
Bij ons had iedereen eigenlijk een beetje zijn specialiteit. Ik maakte vooral gebak. Iemand anders maakte hartige hapjes en weer iemand anders maakte gemberbier. De één heeft misschien een heel groot netwerk, terwijl een ander heel goed kan verkopen. Je bundelt elkaars krachten. Dat betekende niet dat alles vanzelf ging. Het was niet alleen bloemetjes en bijtjes. Samenwerken is gewoon lastig. We waren allemaal heel anders en dat zorgde ook wel voor de nodige frustraties. Maar we ontwikkelden onszelf ook enorm en leerden van elkaar.
Afgelopen zomer heb ik de studie sociaal werk afgerond. Ik gaf tijdens mijn stage trainingen aan werkzoekenden. Ik vind het leuk om bij mensen te ontdekken waar ze goed in zijn. Vaak kan iemand van alles, maar ziet diegene dat zelf niet.’
Pieter: ‘Je kwaliteiten verdwijnen niet omdat je ziek bent’
Pieter, die kampte met zware psychoses, vond pas weer hoop nadat hij zich gezien en gehoord voelde: ‘Als je steeds van hulpverleners te horen krijgt, dat je je ziekte bent, vergeet je eigenlijk wie je verder nog bent.’
Pieter: ‘De periode dat ik voor het eerst last kreeg van psychoses was zwaar. Ik wilde van alles, maar mijn hulpverleners vertelden me dat er weinig mogelijk was. Er werd vooral uitgegaan van wat ik niet kon. Ik had geen perspectief. Het heeft acht jaar geduurd voordat ik bij een andere hulpverlening ontdekte hoe het óók kon.
Daar was een plek waar ik kon binnenlopen, een kop koffie kon drinken en even mijn verhaal kwijt kon. Ze hadden tijd voor me, gingen naast mij staan, luisterden zonder te oordelen. Dat maakte voor mij een enorm verschil. Wat iemand mij daar vertelde, is mij enorm bijgebleven: je kwaliteiten blijven gewoon, of je ziek bent of niet.
Daar kon ik binnenlopen, een kop koffie drinken en mijn verhaal doen
Ik ging toen vrijwilligerswerk doen bij het Annahuis in Breda. Daar ontdekte ik dat ik niet alleen iemand was die iets nodig had, maar dat ik ook iets voor anderen kon betekenen. Ik realiseerde mij: ik heb ontzettend diep gezeten, maar ik houd er tenminste nog iets goeds aan over. Ik kan iets voor een ander betekenen.
Nu werk ik als professionele ervaringsdeskundige bij de ggz. Daar probeer ik deze manier van werken ook in de praktijk te brengen. Je kunt pas echt verbinding aangaan als je iemand niet ziet als een probleem, als overlast, als een verslaving of wat dan ook. Ik denk dat het belangrijk is om gewoon ruimte te maken. Luisteren, je eigen agenda achterwege laten. Wat voor persoon zit voor me? Waar wil iemand heen? Welke kwaliteiten zie ik in iemand? Gewoon luisteren, dat is de essentie.’
Jasmijn Olk is tekstschrijver voor Netwerk DAK.