Menu

None

Hebben wij dezelfde Vader? #2

Een drieluik over ‘God als vader’ door katholiek theoloog Eli Stok

Florence - The renaissance painting of God the Father in the church Chiesa di San Felice in Piazza by Ridolfo del Ghirlandaio (1520).
(Beeld: Sedmak via iStock)

Het is een bekend beeld voor christenen: God als vader. Maar hoe is dat beeld eigenlijk ontstaan, welke plek heeft het in de Bijbel en wat zijn de consequenties van zo’n vaderlijk godsbeeld voor de relaties tussen mensen onderling? Katholiek theoloog Eli Stok zocht het uit en vertelt in dit tweede deel over ‘broederschap’. Als wij ‘broeders’ van elkaar zijn met ‘dezelfde Vader’ hoe ziet die broederlijke relatie er dan uit? En wat doen we als de broeder een zus is?

In de iconische film The Godfather zien we hoe de jonge Michael Corleone in de voetsporen van zijn vader treedt, en zich ontwikkelt van landsgetrouwe marinier tot zelfstandige maffiabaas. Aan het eind van de film is hij aanwezig bij de doopviering van zijn pasgeboren neefje, waarna hij de vader van het kind (zijn eigen zwager) laat vermoorden omdat die zijn oudste broer Sonny heeft verraden. Michael blijft onaangedaan bij het geweld dat hij laat uitvoeren.

The Godfather
(Bron: Wikimedia Commons)

Er komt uiteindelijk een barst in zijn pantser, maar dat gaat niet zomaar. In The Godfather II wordt Michael opgeschrikt door een plotselinge aanval op hem en zijn gezin, een moordpoging die mislukt. In de loop van de film komt hij erachter dat de middelste broer Fredo informatie heeft doorgespeeld aan zijn vijanden. Op de begrafenis van hun moeder, als Fredo en hij geen levende ouders meer hebben, laat Michael aan zijn handlanger weten dat Fredo uit de weg moet worden geruimd. Korte tijd later wordt de opdracht uitgevoerd.

Juist deze keus breekt Michael van binnen. Daar komen we achter tijdens een scène in The Godfather III, waar Michael probeert om een deal met het Vaticaan te sluiten, en daarbij onder lichte druk wordt gezet door een kardinaal om te biechten. Eerst moet hij daar niets van hebben, maar met lichte tegenzin vertelt hij toch over een aantal misstappen, totdat hij uitkomt bij: “I ordered the death of my brother. I killed my mother’s son… I killed my father’s son” – en begint te huilen.

Met lichte tegenzin vertelt hij toch over een aantal misstappen

Als we deze filmserie mogen geloven, is een mens in staat om alles te doen voor zijn familie. Michaels solidariteit met zijn schimmige familie begint wanneer zijn vader wordt neergeschoten door een concurrent. Het wordt echter duidelijk dat de familie geen verenigd front is, en dat er een hiërarchie is van solidariteit: een broer staat boven een zwager, een echtgenote en kind boven een broer. Maar waar de moord op een zwager kan worden verdragen (het is de ‘kouwe kant’, zeggen we in het Nederlands), is de moord op een broer onverteerbaar.

Christenen leren bidden tot God als “Onze Vader”. In het vorige artikel ging ik op onderzoek naar de betekenis van de term ‘vader’. In dit artikel sta ik stil bij de consequenties die dit beeld heeft voor de verhouding tussen de ‘broeders en zusters’, zoals christenen elkaar nog wel eens noemen.

Opnieuw: fraternité

Het is mogelijk om Gods vaderschap vooral ‘verticaal’ te benaderen. God is dan een zorgende aanwezigheid, iemand die je opvangt en waardevolle lessen leert, iemand bij wie je altijd thuis kunt komen. Dit is te combineren met een besef dat God allerlei kinderen heeft: dan kan het nog steeds ieder voor zich zijn en God voor ons allen.

Het is echter ook mogelijk om de consequentie te trekken: als God de Vader is van mij én van die daar, horen wij dus bij hetzelfde gezin, en hebben wij verplichtingen tegenover elkaar. Die gedachte is niet vreemd aan de Bijbel. In Maleachi vinden we bijvoorbeeld de retorische vraag: “Hebben wij allen niet één vader? Heeft één God ons niet geschapen? Waarom bedriegen wij elkaar dan?” (2:10). Of in het Nieuwe Testament: “Wie de Vader liefheeft, heeft ook liefde voor wie uit Hem is geboren” (1 Johannes 5:1).

Hebben wij allen niet één vader?

C.S. Lewis, om een bekende naam uit de christelijke traditie te noemen, zou van zo’n conclusie niet gek opkijken. In zijn werk over universele morele waarden, The Abolition of Man (De afschaffing van de mens), heeft hij een aanhangsel opgenomen met voorbeelden van zulke waarden die in allerlei (klassieke) culturen terug te vinden zijn. Hij begint daarin met de “Law of General Beneficence”, gevolgd door de “Law of Special Beneficence”. Dat houdt in: je moet goed zijn voor alle mensen, maar in het bijzonder voor de mensen die bij je horen. Een broeder laat je immers niet zitten in armoe of ellende.

Dat de broederschap van het geloof een bijzondere verplichting met zich meebrengt, is ook te vinden bij Paulus, die in de Galatenbrief schrijft: “Laten we dus, zolang we tijd hebben, goed zijn voor allen, maar vooral voor onze geloofsgenoten” (6:10).

En, werkt het? Over fratricide

Toen ik in Leuven filosofie studeerde, was ‘Philosophical Anthropology’ onderdeel van het curriculum. De docent, Paul Moyaert, schakelde met het grootste gemak tussen filosofische, literaire en psycho­analytische werken om een punt te maken. Op zekere dag liet hij merken dat hij ontevreden was over de postmoderne neiging om het voortdurend maar te hebben over ‘de Ander’ als voorwerp van wantrouwen en rivaliteit (in het Engels is daar zelfs een werkwoord van gemaakt: othering). Volgens Moyaert was dat een onvolledige voorstelling van zaken. Wij hebben geen hekel aan the Other per se, maar aan the similar Other. Romulus en Remus, Eteocles en Polynices, Kaïn en Abel: het zijn geen vreemdelingen, maar juist broers die elkaar vermoorden uit jaloezie en geldingsdrang.

Juist broers vermoorden elkaar uit jaloezie en geldingsdrang

Een andere docent (in de theologie), Bart Koet, vertelde dat het boek Genesis erover gaat hoe moeilijk het is om broers van elkaar te zijn. Dat blijft niet beperkt tot Kaïn en Abel. Vanaf het moment dat God Abraham uitkiest als ontvanger van een bijzondere zegen, is er strijd tussen de zonen over wie die zegen erft. Ismaël en Izaäk, Ezau en Jakob: hoewel ze elkaar in leven laten, kunnen ze niet samenleven, en in beide verhalen ontvangt maar één broer de zegen (namelijk de jongere).

Elke rivaal een plek

Dat verandert in de laatste verhalencyclus van Genesis, waarin Jakob twaalf zonen heeft die allemaal van belang zijn voor het verhaal, omdat zij gezamenlijk de stamvaders van het volk Israël zullen worden. Hugh C. White schrijft hierover dat het verhaal nu een andere wending moet nemen, “since no rival can now be simply rejected”.

Hoe kunnen de broers elkaar accepteren? Niet zonder een lange aanloop. Jozef, een van de jongste zonen, droomt over een centrale positie, waarin anderen voor hem buigen. Zijn broers gooien hem in een put en hij komt als slaaf in Egypte terecht, waar hij glansrijk carrière maakt en het land redt van hongersnood. Het verhaal van het weerzien van de broers is bekend, maar wat ik me lange tijd niet realiseerde, is dat er twee momenten zijn waarin de broers met elkaar een nieuwe toekomst inslaan.

Hoe kunnen de broers elkaar accepteren?

Het eerste moment vindt plaats als Jozef zich bekendmaakt aan zijn broers, nadat hij er één maandenlang gevangen heeft gehouden en gedreigd om een ander tot slaaf te maken (Gen. 45). Hij onthult zich als de door God gezonden redder van zijn familie, en zegt tegen zijn broers dat ze terug moeten gaan om “mijn vader” (!) te halen.

Het tweede moment is na de begrafenis van hun vader. De broers blijken dan nog steeds bang te zijn voor Jozef, en zeggen hem dat “je vader” (!) voor diens overlijden heeft gezegd dat zij tegen Jozef moesten zeggen dat hij zijn broers moest vergeven (Gen. 50). Ingewikkelde communicatie, maar zo kan dat gaan in ingewikkelde families.

Net als in The Godfather komen ook in Genesis de onderlinge relaties onder spanning te staan wanneer de laatste ouder wegvalt. Jozef belooft echter om goed voor zijn broers en hun families te zorgen; er vinden geen afrekeningen meer plaats.

Samenvattend: het begrip “broederschap” is afgeleid van de band die er bestaat tussen zonen van dezelfde ouders. Het klinkt als een mooi ideaal van saamhorigheid, maar in de praktijk kunnen broers elkaar behoorlijk naar het leven staan of elkaar juist op afstand houden. Broederschap lijkt soms meer een eindpunt dan een beginpunt te zijn. In het verhaal van Jozef en zijn broers wordt dat eindpunt op een bevredigende manier bereikt: ze hebben onder elkaar geleden, maar uiteindelijk krijgen alle kinderen van Jakob een gezegende plek. Of toch niet? Daarover straks meer. Wie namelijk vergeten wordt aan het eind van Genesis, is onderdeel van een grote groep die vaker vergeten wordt wanneer het over broederschap gaat.

Broederschap lijkt soms meer een eindpunt dan een beginpunt te zijn

De zussen en de broederschap

In 2020 bracht paus Franciscus een encycliek uit, Fratelli tutti: Over broederschap en sociale vriendschap. Hoewel deze bedoeld was om mensen met elkaar te verbinden ongeacht geloof of achtergrond, kwam er kritiek op, bijvoorbeeld van de feministische theologe Phyllis Zagano. Zij wijst erop dat fratelli, ‘broeders’, niet inclusief is ten opzichte van vrouwen, evenals ‘broederschap’. Volgens haar komen vrouwen niet voor in de titel en de ondertitel van het document.

Fratelli Tutti

Een andere theologe, Meghan Clark, wijst erop dat vrouwen in de inhoud ook weinig aan bod komen: het gaat sporadisch over de achtergestelde positie van vrouwen of geweld tegen hen, maar “ondanks een echte nadruk op inclusieve menselijkheid binnen de tekst, worden er geen vrouwen geciteerd als inspiratie, noch worden ze gebruikt voor theologische reflectie of aangehaald als voorbeeld”.

Natuurlijk kun je een taalkundige boom opzetten over mannelijke woorden waar vrouwen ook onder kunnen vallen, en in de eerste regel van de encycliek worden “broeders en zusters” uitdrukkelijk genoemd. Maar de “broeders” blijven dominant in het woord broederschap; je bent toch minder snel geneigd om te verwijzen naar Malala Yousafzai (ik noem maar iemand) als ‘een voorbeeld van hoe echte broederschap eruit kan zien’. Je kunt veel zeggen over hoe mensen broederlijk met elkaar kunnen omgaan, maar hoe moet dat wanneer de broeder een zus is?

Illustratie van zes vrouwen
Wat als de broeder een zus is? (Bron: Ruslana Chub via iStock)

Slachtoffers van de broederschap

Dat brengt mij bij de persoon die ik zojuist oversloeg: Dina, de dochter van Jakob. In Genesis 34 wil Dina op bezoek gaan bij de vrouwen; ze verwijdert zich van de mannen van de stam. Een prins van een andere stam ziet haar en “onteert” haar – een woord dat vaak vertaald wordt als “verkracht”, maar dat volgens Ellen van Wolde vooral verwijst naar de sociale status die Dina verliest. In deze visie is er niet noodzakelijk sprake van een gewelddadige of manipulatieve ontmoeting.

In ieder geval is de prins na het gebeuren aardig voor Dina en wil hij met haar trouwen; hij is zelfs bereid om zichzelf en zijn hele stam te laten besnijden, als Dina’s familie dat van hem vraagt. Zo geschiedt, maar vervolgens komen twee van Dina’s broers langs om alle mannen van de stam uit te moorden, die door de ingreep niet in staat zijn om zich te verdedigen. Dina wordt weer meegenomen. Als hun vader kribbig reageert, verdedigen de broers zich met de woorden: “Moest hij dan onze zuster als een hoer behandelen?” (Gen. 34:31). Een vraag die verder niet wordt beantwoord.

Hier wordt een broedercode neergezet over wat er wel of niet met een zus mag gebeuren. Maar aan de zus wordt niets gevraagd; haar ervaringen, haar verlangens, haar trauma wanneer haar nieuwe thuis van ziekenboeg tot slagveld wordt – niets daarvan wordt meegewogen.

Maar aan de zus wordt niets gevraagd; haar ervaringen, haar verlangen, haar trauma

Wat er verder met Dina gebeurt, wordt niet vermeld. Is ze er nog bij wanneer haar broers naar Egypte gaan om voedsel te halen? De verzoening die uiteindelijk plaatsvindt tussen de broers, het gelukkige einde van Genesis, laat Dina buiten beschouwing. Had zij verzoening gewild? Wat zou zij nodig hebben gehad van haar broers?

Erotische verlangens

Ook hedendaagse bro codes leggen vast hoe (heteroseksuele) mannen zich tegenover elkaar zouden moeten gedragen; de omgang met vrouwen krijgt pas in dat framework een plek. Dat is iets anders dan het zien van elke andere persoon, vrouw, man of anderszins, als een gelijkwaardig kind van God.

Misschien dat het praten over broederschap daarom wringt met een open gesprek over verlangen en aantrekkingskracht. Het beeld van de familie is daar gewoon niet voor geschikt. Als het in Fratelli tutti over desire gaat, gaat het over nobele verlangens, over “legitieme” verlangens, of over zelfzuchtige verlangens; het gaat niet over seksuele aantrekkingskracht. Nou kan één brief ook niet overal over gaan, maar het geeft wel aan dat de thema’s ver uit elkaar liggen.

Het beeld van de familie is niet geschikt voor een open gesprek over verlangen

In de Bijbel begint de val van het huis van David wanneer zijn zoon Amnon verliefd wordt op zijn (half)zus Tamar en dat verlangen niet beheerst. De afschuw van incest bestaat om goede redenen; misbruik maakt een familie tot een beschadigende in plaats van een beschermende omgeving. Maar hoe kan een mens met goed fatsoen verliefd worden wanneer iedereen als broer of zus moet worden benaderd?

Het deuterocanonieke boek Tobit doet een ernstige poging om die twee gevoelswerelden met elkaar te verbinden. Het bevat het verhaal van Tobias en Sarah, twee jonge mensen die elkaar nog nooit hebben ontmoet. Tobias’ reisgenoot (eigenlijk een engel) vertelt hem dat Sarah verstandig is, moedig en aantrekkelijk. Maar dat is niet alles: Tobias is de naaste mannelijke verwant van Sarah, en daarom heeft hij het meeste recht om haar te trouwen. Ja, de hemel heeft hen al voor elkaar bestemd voordat de wereld werd geschapen. Tobias en Sara zullen kinderen krijgen – “die als broers voor je zullen zijn”, staat erbij in sommige vertalingen.

Tobias is direct overtuigd: “Bij het horen van deze woorden hield Tobias van Sara en voelde hij zich innig met haar verbonden” (Tob. 6:18). Nogmaals: dit is voordat hij haar heeft gezien.

Tobias en Sarah trouwen direct, en beginnen de huwelijksnacht met gezamenlijk gebed. In de Nederlandse Willibrordvertaling bidt Tobias: “Heer, als ik mijn zuster hier tot me neem, ga ik geen ongeoorloofde verbinding aan, maar ben ik trouw aan uw Wet” (8:7).

Het gebed van Tobias is een van de opties voor de eerste lezing in het katholieke Lectionarium voor de Huwelijksliturgie, maar ik heb nog nooit meegemaakt dat een bruidspaar deze tekst koos. De verbinding van broeder-/zusterschap en erotiek blijft problematisch, en blijft meestal buiten beschouwing wanneer christelijke echtparen samen het “Onze Vader” bidden.

Het deuterocanonieke boek Tobit
Het deuterocanonieke boek Tobit (Bron: ZU_09 via iStock)

De Vader als verbinder?

Het “Onze Vader” kan op allerlei manieren een verbindende functie hebben. Maar er is geen verbinding die niet tegelijkertijd scheiding brengt, en dat geldt ook voor dit gebed. Er zijn christenen die moeite hebben om dit gebed te bidden, bijvoorbeeld omdat ze de aanspreekvorm te mannelijk vinden, of omdat ze negatieve ervaringen hebben met hun eigen vader.

De oplossing om “Onze Vader” te vervangen door “Onze Moeder” of “God, u die Vader en Moeder voor ons bent”, wordt niet overal enthousiast ontvangen. De theologen die moeite hebben met “Moeder”, argumenteren vaak dat “Vader” niet alleen een sprekend beeld is van onze relatie tot God, maar een essentiële rol die God eigen is, allereerst in relatie tot Jezus en vervolgens in relatie tot zijn volk. Dit is bijvoorbeeld wat Kyle Claunch verdedigt in God the Father: Namesake of all Fatherhood.

Het is niet alleen een kwestie van theologische argumenten. Het “Onze Vader” wordt al door christenen samen gebeden vanaf het begin van het geloof; daarmee verbindt het de bidders met elkaar en met hun voorgangers in gebed. Het heeft iets vertrouwds, iets familieachtigs – iets van broeder- en zusterschap. Hoe kun je dan het beste ruimte maken voor broeders en zusters die dit gebed niet goed kunnen verdragen? Of kun je geen broeders en zusters zijn met iemand die God geen “Vader” noemt? Wie hoort er eigenlijk bij? Daarover gaat het volgende en afsluitende artikel.

Eli Stok studeerde filosofie aan de KU Leuven en werkt momenteel aan een PhD bij de Tilburg School of Catholic Theology. Hij was zes jaar actief als rooms-katholiek pastor in Delft en omgeving, en anderhalf jaar als docent aan de Fontys Hogeschool in Utrecht. Zijn interesse ligt bij linguïstiek en tekstanalyse, hermeneutiek en intertekstualiteit.

Lees ook:

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken