Hem achterna
Pinksteren (Johannes 14,8-17)
Als Jezus de gewelddadige en vernederende kruisdood ondergaat, staat de jonge christelijke gemeenschap voor de uitdaging hoe dit te duiden. Johannes beschrijft dit als een cirkelbeweging: Jezus keert terug naar de Vader van wie Hij is uitgegaan. Zijn thuiskomst bij de Vader is tegelijk ook een voorbereiding van de thuiskomst van zijn leerlingen. De leerlingen worden mee opgenomen in de beweging naar God toe. Jezus’ dood betekent niet dat de leerlingen in de steek worden gelaten: Gods Geest van waarheid zal voor altijd bij hen zijn.
Volgens het Johannesevangelie beseft Jezus goed dat zijn uur gekomen is: Hij zal terugkeren naar de Vader (13,1). Hierop bereidt Hij zijn leerlingen nu voor. In de verbindende beweging tussen God en Jezus worden ook zij opgenomen, evenals de bredere kring van leerlingen. Wie ontvangt wie Jezus uitgestuurd heeft, ontvangt Jezus, en wie Jezus ontvangt, ontvangt de Vader die Jezus heeft gestuurd (13,20). Nu gaat Hij naar het huis van de Vader, waar Hij zijn leerlingen een plaats zal bereiden, en waarnaar Hij hen zal meenemen (14,3). Hierbij geeft Jezus aan dat zij de weg kennen naar waar Hij heengaat (14,4). Twee leerlingen reageren hierop, waarbij ze elk één deel van Jezus’ woorden centraal zetten: de weg of het einddoel. Tomas benadrukt de weg, door op te merken dat ze niet eens weten waar Hij naartoe gaat; hoe zouden ze dan de weg kennen? (14,5) Filippus focust op het einddoel: de Vader zien, dat volstaat (14,8).
De weg naar de Vader
Voor Johannes is de weg naar God bij uitstek verbonden met Jezus. Telkens opnieuw beklemtoont de evangelist de unieke eenheid tussen Jezus en God. Precies die verbondenheid maakt mogelijk dat Jezus met zoveel gezag spreekt. Wie Jezus’ woorden hoort en wie de Vader gelooft (of: vertrouwt) die Jezus heeft gezonden, heeft eeuwig leven (5,24). De kruisdood weerspreekt dit niet, integendeel. Johannes verwijst naar het verhaal uit Numeri 21,8-9. Als velen sterven aan giftige slangenbeten, bevestigt Mozes een koperen slang aan een staak.
Wie naar deze slang op de staak opkijkt, blijft leven. Voor buitenstaanders mag de dood op het kruis een schandelijke executie zijn, maar voor Johannes is het opheffen van het kruis, het ‘verhogen’, een verheerlijking. Wie gelovig naar het kruis opkijkt, zal eeuwig leven (3,14-16). In Johannes’ redenering spreekt het vanzelf dat Jezus de weg is naar de Vader. Wie Jezus kent, kent immers ook de Vader, en heeft God gezien (14,7).
Het zien van God
Geen mens kan God zien en in leven blijven, stelt Exodus 33,20. Daarom mag zelfs Mozes, Gods vertrouweling bij uitstek, God enkel van achteren zien. Met de uitspraak dat Jezus God heeft gezien, drukt Johannes dan ook de uitzonderlijke betekenis van Jezus uit (6,46). Niemand heeft God gezien, verklaart de proloog, het is de eniggeborene die God heeft uitgelegd (1,18). Dit staat in contrast met Jezus’ tegenstanders, die God niet gezien hebben (5,37). Ook wie tot Jezus komt omdat zij Gods getuigenis horen, hebben God niet gezien (6,46). Dat Jezus nu, met de dood voor ogen, verklaart dat zij de Vader zien, is dan ook verbazingwekkend. Geen wonder dat Filippus daar dadelijk op inhaakt. Dat einddoel bereiken, God zien, dat volstaat. Hierbij slaat hij echter het proces daar naartoe, het begaan van de weg naar de Vader, over.
Het is een basisovertuiging van de christelijke gemeenschap dat God aan het werk is in Jezus. Ook Johannes is hiervan overtuigd. Jezus spreekt niet in eigen naam, maar in naam van de God die Hem gezonden heeft. Als Hij handelt, handelt God door Hem. Dit schept zo’n diepe verbondenheid dat God in Jezus is en Jezus in God. Daarop moeten de leerlingen durven vertrouwen, op basis van Jezus’ woord of daad. Wie gelooft, kan doen wat Jezus deed, en méér. Want Jezus zal ook doen wat zij vragen in zijn naam. Het is een kwestie van vertrouwen, maar ook van liefde. Wie van Jezus houdt, doet wat Hij gebiedt.
De Parakleet
Doorheen het evangelie verwijst Johannes regelmatig naar de Geest. God zelf is geestkracht (4,24), en die Geest rust op Jezus (1,32-33). Hoewel deze Geest bij zijn doop op Jezus is neergedaald, kan deze pas over de leerlingen komen als Jezus is verheerlijkt (7,39). Nu Jezus vooruitblikt op wat komen gaat, brengt Hij ook deze Geest ter sprake. Jezus keert terug naar de Vader, en dat is ook de eindbestemming van de leerlingen. Jezus is hierbij de weg, de waarheid en het leven (14,6). Deze weg is al nader uitgediept vanuit het vertrouwen op de relatie tussen God en Jezus, en het liefdevol bewaren van Jezus’ geboden. Nu wordt het idee van waarheid en leven verder uitgewerkt.
Enerzijds heeft de Zoon volgens het Johannesevangelie leven zoals de Vader leven heeft (5,26). Anderzijds is het de Geest die levend maakt (6,63). Alleen wie in de Geest geboren wordt, kan het Rijk Gods binnengaan (3,5-8). Dit geboren worden is uit water en Geest (3,5). Jezus biedt het levende water aan, dat geduid wordt als samenhangend met de Geest die pas bij zijn verheerlijking zal komen. Het beeld van de rivieren van stromend water (7,37-39) is herkenbaar als bij Jezus’ dood water uit zijn zijde stroomt (19,34). Het is na de dood van Jezus dat de Geest zal komen. Dit wordt in onze passage aangekondigd: als Jezus is teruggekeerd naar de Vader zal Hij de Parakleet sturen. Deze term wordt uiteenlopend vertaald: als trooster, helper of pleitbezorger. In deze context is het de geest van waarheid die Jezus bezielt, die voorgoed in de leerlingen aanwezig zal zijn, en die hen tot inzicht zal brengen rond alles wat Jezus hun heeft gezegd (14,26).
Deze exegese is opgesteld door Ine Van Den Eynde.