Hemelvaart van de Heer
Bij Daniël 7,9-10.13-14, Efeziërs 1,17-23 en Lucas 24,49-53
Als enige van de vier evangelisten besluit Lucas zijn evangelie met Jezus’ hemelvaart, waarmee ook zijn boek Handelingen (1,9-11) begint. De hemelopneming bij Marcus (16,19) is een late toevoeging uit de tweede eeuw. Het onwaarschijnlijk knappe van deze paar verzen is dat Lucas, anders dan bijvoorbeeld de schrijver van Efeziërs, iets wat eigenlijk niet onder woorden te brengen is realistisch en levendig beschrijft, óók begrijpelijk voor kinderen.
Kinderen zien het tafereel heel fysiek en tekenen bijvoorbeeld wolken met twee voetjes eronderuit. Het spreekt zeker de volgelingen van Jezus aan en roept op tot dankbaar gedenken en tot activiteit, terwijl het tegelijkertijd aansluit bij de denkwerelden van joden, Grieken en Romeinen.
Door de Hebreeuwse Bijbel loopt als een rode draad het vertrouwen dat de Eeuwige zijn getuige zal opnemen en dat dat gebeurt volgens het paradigma van de ‘ontrukking’, zoals van Henoch, Mozes en Elia. Dat vertrouwen is ook te vinden in de wijsheidsliteratuur (Wijsheid 4,7-14; Sirach 48,9), met een echo in het Magnificat. In de apocalyptiek komt deze thematiek terug op grond van oude wortels als Genesis 5,24 en 2 Koningen 2,1-18. En ook de oudste christelijke auteurs, zoals Justinus, Tertullianus en Lactantius, hebben Jezus’ hemelvaart begrepen als ‘ontrukking’, zoals bekend was in de hellenistische wereld. Want ook in het hellenisme is nagedacht over de beloning van de rechtvaardige na zijn dood. In het Grieks-Romeinse denken zijn de goden superieur aan mensen, omdat zij onsterfelijk zijn en eeuwig leven in een niet gekende ruimte. Grote helden zoals Hercules en Romulus, de medestichter van Rome, kregen het recht van deelname aan het godenrijk. Door een soort metamorfose werden zij na hun dood daarin opgenomen en onsterfelijk. Met zijn beschrijving van Jezus’ hemelvaart voegt Lucas zich in die joods-hellenistische denkwijzen, maar alleen naar de vorm, want er is dit essentiële verschil: Jezus werd niet opgenomen tot bij God als een gestorven held, maar als de levende Heer. Hij keert terug naar zijn oorsprong.
Lucas laat de waarheid van Jezus’ opstanding langzaam doordringen tot zijn volgelingen. Eerst wordt die gemeld aan de vrouwen bij het graf, maar hun wordt beuzelpraat verweten. Petrus gaat kijken en is vol verwondering. Daarna verschijnt Jezus op de weg naar Emmaüs aan twee leerlingen; en wanneer zij terug in Jeruzalem verslag uitbrengen, verschijnt Jezus daar aan alle leerlingen, eet met hen en spoort hen aan in de stad te blijven totdat zij ‘bekleed worden met kracht van boven’ (Lucas 24,49).
En het gebeurde terwijl Hij hen zegende
Is dit een impliciete verwijzing naar het Pinkstergebeuren, dat in Handelingen uitgebreid wordt vermeld? Immers, na Jezus’ opdracht in de stad te blijven, voert Hij hen zelf de stad uit tot in de buurt van Betanië. Daar vindt Jezus’ hemelvaart plaats als zijn definitieve afscheid, dat al werd aangekondigd aan het begin van zijn gang naar Jeruzalem (Lucas 9,51). Die ‘kracht van boven’ wordt de bron van ‘grote vreugde’ (Lucas 24,52) voor de leerlingen. Tot dan sprakeloos en passief gebleven, tonen zij nu positieve emoties en activiteit.
‘En het gebeurde’ (Gr.: kai egeneto): met die uitdrukking wordt altijd aandacht gevraagd voor iets bijzonders dat gaat gebeuren. Dat krijgt door de bijzondere woorden die Lucas gebruikt een liturgische lading die doet denken aan Sirach 50,20-24 (LXX). Zo heeft het omhoog heffen van de handen geen parallel in het Nieuwe Testament. Al zegenend besluit Jezus zijn ‘werk’. Jezus gaat ‘weg staan’ van de leerlingen. Dat benadrukt het afscheid, de exodus waarover Jezus al sprak op weg naar Jeruzalem (Lucas 9,51). Jezus wordt opgeheven (passivum divinum) naar het hemelgewelf. Hetzelfde werkwoord (Gr.: anaferein) wordt gebruikt als toen Jezus’ ouders hem in de tempel opdroegen aan de Eeuwige (2,22). En tot dan sprakeloos en passief gebleven, buigen de leerlingen zich nu in aanbidding (Gr.: proskuneoo), een woord dat uitsluitend wordt gebruikt voor goddelijke aanbidding (vgl.: Genesis 22,5 [LXX]; Lucas 2,20).
Grote vreugde
Met verwijzingen naar het begin sluit Lucas zijn evangelie af. Jezus’ werk is voltooid. In plaats van verslagenheid vanwege de scheiding ervaren de leerlingen door de kracht van boven grote vreugde. ‘Grote vreugde’ is bij Lucas altijd de reactie op het heilsgebeuren en loopt als een rode draad door zijn evangelie (Lucas 1,14; 2,10; 8,13; 10,17; 13,17; 15,7.10; 19,6.37; 24,41). De leerlingen nemen de grote vreugde van de engelen bij Jezus’ geboorte over (Lucas 2,10). In hun lofprijzing klinken de lofprijzingen mee van Zacharias na de geboorte van Johannes (Lucas 1,64) en van Simeon bij de opdracht van Jezus in de tempel, omdat de Eeuwige zich het lot van zijn volk had aangetrokken. Het evangelie eindigt waar het begon: in Jeruzalem in de tempel.
Daniëls visioen lijkt een verbeelding van wat er in de hemel gebeurde na de hemelvaart. ‘Met de wolken van de hemel kwam er iemand die eruit zag als een mens’ (Daniël 7,13-14). Voor Daniël personifieert deze persoon ‘het volk van de heiligen van de hoogste God’, dat het kwaad zal overmeesteren (Daniël 7,27). Voor de nieuwtestamentische schrijvers is Jezus, zoon van dat uitverkoren volk, die ‘Mensenzoon’ die voor altijd koning zal zijn voor de Eeuwige. Volgens de schrijver van de Efeziërsbrief brengt de Eeuwige de kosmos bijeen onder Jezus’ koningschap en is dat proces bij zijn hemelvaart begonnen (Efeziërs 4,10).
Het is aan zijn volgelingen om Hem te dienen als ‘volk van heiligen’. Allereerst door het houden van dat allergrootste gebod: respect te hebben voor de naaste, die een mens is zoals jij, die je dient te behandelen zoals jezelf behandeld wilt worden, ‘waarbij muren van vijandschap worden afgebroken’ (Efeziërs 2,11-22), als liefdedienst aan de Eeuwige. Daar realiseert zich zijn Koninkrijk. Het doet er dan niet toe ‘wat’ je bent – jood, christen of moslim, man of vrouw, zwart, blank, geel of bruin – maar hoe je bent. De vreugde in de hemel zal groot zijn.