Hervorming en Catholiciteit
De bijdrage van het Hilversums Convent (1947-1955) aan het gesprek over de katholiciteit van de kerk.[1]
Inleiding
Het is 10 oktober 1947. Een tiental aanwezigen, zeven predikanten en drie gemeenteleden, allen betrokken bij de liturgische beweging in de Nederlandse Hervormde Kerk (NHK), vergadert in de pastorie van de Hilversumse predikant Ds J. Loos. Zij zijn ontevreden over de nieuwe, in hun ogen veel te protestantse koers die hun kerk na de oorlog is ingeslagen en ze besluiten tot oprichting van een Convent om zich vanuit ‘evangelisch-catholiek’ gezichtspunt te bezinnen op vragen omtrent liturgie, sacrament, ambt en ecclesiologie. Tevens besluiten zij tot het opstellen van een gezamenlijke verklaring.[2] Vier weken later, op 7 november, de gedenkdag van Willibrord, de patroon van de Nederlandse kerken, wordt de Verklaring gericht tot allen die de kerk van Jezus Christus liefhebben vastgesteld, ondertekend en toegezonden aan alle hervormde predikanten.[3] Dit is het begin van een nieuwe beweging in de NHK: het Hilversums Convent (HC). Wat bezielde deze mensen, waar stonden ze voor, wat waren hun wortels en wat was het effect van hun optreden? In dit artikel worden deze vragen beantwoord, voornamelijk aan de hand van het tamelijk uitgebreide bronnenmateriaal dat bewaard is gebleven: het archief van het HC, artikelen en brieven van betrokkenen, kerkeraadsstukken etc.
In de kerkhistorische handboeken kreeg het HC aanvankelijk weinig aandacht. In zijn Nederlandse Kerkgeschiedenis noemt O.J. de Jong het HC terloops in het hoofdstuk Herstel, Vernieuwing, Toenadering (1945-1965), in verband met zijn bespreking van O. Noordmans als één van de vernieuwers van de na-oorlogse Hervormde theologen.[4] A.J. Rasker wijdt er één regel aan in zijn bespreking van het ambtsrapport van de commissie-Van Ruler.[5] Wat de meer recente handboeken betreft, in dat van Selderhuis (2006) wijden Harinck en Winkeler er een (nogal slordige) alinea aan in hoofdstuk 7, ‘De twintigste eeuw’, in de paragraaf over de oecumene[6], terwijl Lieberg/Eynatten (2005) er geheel over zwijgen. Voor een meer grondige informatie moeten we te rade gaan bij J. Loos (1960),[7] J.F. Lescrauwaet (1957),[8] twee artikelen uit de kring van Liturgische Beweging, respectievelijk van A. Soeting (1975) en R. Boon (1981),[9] de monografie van P. Staples (1991),[10] de doctoraalscriptie van K. Datema (1993)[11] en – ten slotte – de lemma’s J.M. Gerritsen[12] en J. Loos [13] in het BLNP (NB. Een pluim op de hoed van de redactie, die ook aan de Rooms-katholiek geworden Loos een plaats in deze galerij van protestantse godgeleerden heeft toegekend: dat is met recht wat Van Deursen noemt: ‘recht doen aan gestorvenen’.[14]
De context van het Hilversums Convent
De toonaangevende leden van het HC waren lid van de Liturgische Kring, een groep van voornamelijk hervormde theologen, die vernieuwing van de kerk beoogde door herstel van de liturgie in ‘catholieke’ zin. Deze kring onderhield nauwe relaties met de Ethische Vereniging en de daaruit voortgekomen Vereniging Kerkopbouw, die op haar beurt weer sterke impulsen onderging van de Oecumenische Beweging. Daarmee zijn als context van het HC drie bewegingen aangegeven, die – hoe verschillend ook van invalshoek – nauw met elkaar samenhangen: de liturgische beweging, de oecumenische beweging en de reorganisatiebeweging. Over alle drie een enkel woord.
De liturgische beweging[15]
In 1921 richt Ds H.W.Creutzberg, de predikant van de door hem naar anglicaans model gebouwde Haagse Duinoordkerk,[16] samen met de jonge predikant G. van der Leeuw, leerling van J.H.Gerretsen, (‘de vader van de Liturgische Beweging’[17]) – op verzoek van de Ethische Vereniging – de Liturgische Kring op. Voorzitter wordt G. van der Leeuw. Doel van de kring is: leiding geven aan de liturgische praktijk in de kerk door middel van studie en publicaties.
De gangmakers van de liturgische beweging in ons land zijn dus vertegenwoordigers van de ‘Ethische Richting’ geweest.[18] Dat blijkt onder meer uit hun aandacht voor het esthetische in de eredienst (J.H.Gerretsen), hun openheid voor de oecumenische beweging (W.H. van de Pol) en vooral: hun voorliefde voor de incarnatie-theologie van de Anglicana (G. van der Leeuw) – allemaal typisch ‘ethische’ trekjes. Al is er binnen de liturgische kring ook invloed merkbaar van de Duitse hoogkerkelijke beweging (Fr. Heiler),[19] het is vooral de Anglicana die met haar schone liturgie vanuit Engeland hoofd en hart van velen verovert. Zie b.v. W.H. van de Pol, Liturgie (1931)[20][21] en G. van der Leeuw, Liturgiek (1939).[22]
De liturgische beweging krijgt echter een principiële tegenstander in de van huis uit eveneens ethische theoloog O. Noordmans. In 1939 trekt deze ten strijde tegen de dissertatie van Van de Pol over Newman. Hij ziet in de liturgische beweging ‘het spook van het anglicanisme’ = de incarnatietheologie = Newman! Op hun beurt bestreden Van der Leeuw c.s. (terecht) Noordmans’ eenzijdige visie op de Anglicana (die hij identificeert met Newman), evenals trouwens zijn niet minder eenzijdige visie op de Reformata (die hij identificeert met het Puritanisme).[23]
De oecumenische beweging[24]
Na in de jaren dertig van de vorige eeuw ook in ons land op gang te zijn gekomen en gedurende de oorlog ondergronds te zijn gegaan, maakt de oecumenische beweging in 1946 een nieuwe start: de Oecumenische Raad van Kerken in Nederland wordt opgericht en H. van der Linde, lid van het HC, wordt tot studiesecretaris benoemd. Op die post zal hij het thema ‘evangelische katholiciteit’ nadrukkelijk aan de orde stellen. Twee jaar later, in 1948, wordt in Amsterdam de Wereldraad van Kerken opgericht.
Intussen was een aantal leden van de Liturgische Kring sterk geboeid geraakt door een drietal oecumenische ontwikkelingen in Engeland:
(a) In 1946 houdt de aartsbisschop van Canterbury, Geoffrey Fisher, vurig voorstander van de oecumene (hij zal een van de eerste presidenten worden van de Wereldraad), in zijn beroemde Cambridge Sermon een pleidooi voor samenwerking tussen de Church of England en de Free Churches. Met een beroep op de Faith and Order-conferentie van Lausanne 1927, waar men het erover eens was dat het episcopale, het presbyteriale en het congregationele element alle drie een plaats dienen te krijgen in de ambtelijke structuur van een verenigde kerk, stelt hij de Free Churches voor om als eerste stap op weg naar die ene kerk ‘to take episcopacy into their own system (…) and try it out on their own ground first’.[25] Dit Engelse voorstel zal een paar jaar later in de NHK voor grote beroering zorgen.
(b) Als vervolg op de preek van Fisher komt er een dialoog op gang tussen de Church of England en de Free Churches en ten dienste daarvan verschijnt in 1947 het rapport Catholicity, geschreven door een groep anglo-katholieke theologen o.l.v. A.M. Ramsey, hoogleraar te Durham.[26] Men zoekt het normerend principe der katholiciteit in de zg. ‘Lambeth-vierhoek’, de vier basiselementen die de Anglicaanse Kerk als voorwaarde stelt voor kerkelijke hereniging: de heilige Schrift als het geopenbaarde woord van God, de beide vroeg-christelijke credo’s, de sacramenten van doop en avondmaal en de apostolische successie. Het rapport trok sterk de aandacht van de Liturgische Kring en een aantal jaren later zou het worden uitgegeven in een vertaling van W. Barnard en G.W. Oberman (lid van de Kring en van het HC).[27]
(c) Onder de titel Apostolic Ministry verschijnt, in diezelfde tijd (1946), onder redactie van E. Kirk, bisschop van Oxford, een sterk anglo-katholiek gekleurde bundel opstellen over het apostolisch ambt. Het boek – met name het opstel van Gregory Dix, ‘The Ministry in the early Church’ – zal grote invloed krijgen op de ambtsopvatting van sommige leden van het HC. Daarmee was het thema van de apostolische successie ook op de tafel van de Liturgische Kring terecht gekomen en – zoals weldra blijken zou – van heel de NH-Kerk – uitgerekend op een moment dat men het na een lange strijd eens was geworden over reorganisatie van de kerk in presbyteriaal-synodale zin.
De reorganisatiebeweging[28]
Sinds de jaren dertig ijverden twee bewegingen, Kerkherstel (1930) en Kerkopbouw (1931), voor afschaffing van de besturen-kerk (1816) en invoering van een nieuwe kerkorde. Kerkherstel in gereformeerd presbyteriaal-synodale richting, Kerkopbouw in open oecumenische richting.[29]
De vereniging Kerkopbouw[30] was opgericht op initiatief van enkele ethische theologen (o.a. A.M. Brouwer, G. van der Leeuw en G.W. Oberman), die daartoe geïnspireerd werden door de Lambeth-conferentie van 1930.[31] In het beginselprogram van Kerkopbouw wordt de NH-Kerk opgeroepen zich meer bewust te worden van haar ‘eenheid en oecumeniciteit als tak van de Apostolische en Katholieke Kerk’. Behalve voor de oecumene was er in Kerkopbouw ook veel aandacht voor liturgische vernieuwing, zoals b.v. blijkt uit het rapport Het wezen van den Eredienst (1933),[32] dat volgens G. van der Leeuw, onder wiens voorzitterschap het rapport was opgesteld, ‘zeker het inzicht van de Liturgische kring weergaf.[33] Ook de ambtsvraag werd binnen Kerkopbouw gesteld, maar men was – in tegenstelling tot Kerkherstel – minder gefixeerd op het presbyteriaal-synodale stelsel. Men zag wel degelijk de waarde in van het episcopale systeem. Zo signaleert O. Noordmans in zijn Beginselen van kerkorde (1932) een tekort aan ‘ware bisschoppelijke geest’ in de gereformeerde traditie.[34] Ook wordt in het reorganisatievoorstel van Kerkopbouw (1934) een plaats ingeruimd voor de nieuwe figuur van de ‘moderator’.[35] Verder stelt de voorzitter van Kerkopbouw, de Utrechtse Nieuwtestamenticus A.M. Brouwer, in 1937 de presbyteriaal-synodale kerkregering ter discussie[36] en vraagt Van der Leeuw in verschillende geschriften ruimte voor episcopale elementen in de kerkorde.[37]
Nadat de reorganisatiestrijd in een impasse was geëindigd, kreeg een door de synode ingestelde Commissie Kerk en Gemeenteopbouw in 1942 de opdracht de weg te banen voor een nieuwe kerkorde in synodaal-presbyteriale geest. De commissie-Wagenaar ontwerpt tijdens WO II een werkorde, die in 1945 wordt goedgekeurd, waarna op 24 november 1947 de voltooide ontwerp-kerkorde tijdens een bijzondere zitting van de synode in Utrechtse Domkerk aan de synode wordt aangeboden.[38]
De oprichting vand het Hilversums Convent
Inmiddels was er vanuit de Liturgische Kring een tegenbeweging op gang gekomen in de vorm van het Hilversums Convent, genoemd naar de Hilversumse predikant Ds J. Loos, in wiens pastorie op 10 oktober 1947 de eerste bijeenkomst van het Convent gehouden werd. Onder de leden komen we onder meer de namen tegen van de predikanten J. Loos, Hilversum (Bethlehemkerk),[39] J. M. Gerritsen, Wichmond,[40] J.K. van den Brink, Assendelft,[41] G. W. Oberman, Utrecht,[42] H. Miskotte, Zwolle[43] en L. Brink, Velsen.[44]
Tot het convent behoorden ook enkele niet-theologen, onder meer: Baronesse Th. A. Lynden-van der Brugghen. Zij heeft als secretaresse van het convent veel interessant materiaal verzameld en bewaard, te vinden in het archief-Van Lynden;[45] Mr W.J. Kolkert, substituut-officier van Justitie, Zeist (lid GKN, later overgegaan naar de Evangelische Broedergemeente); J. van Staveren, Utrecht (NH), journalist bij het Utrechts Nieuwsblad en redacteur van het gerenommeerde kerkblad Hervormd Utrecht (later oud-katholiek geworden).
Enigszins op afstand, maar zeker in het begin wel sympathiserend, stonden: J.N. Bakhuizen van den Brink, kerkhistoricus te Leiden en lid – later voorzitter – van de Liturgische Kring, als opvolger van G. van der Leeuw; H. van der Linde, de reeds genoemde studiesecretaris van de het jaar daarvoor opgerichte Oecumenische Raad, in 1947 gepromoveerd op het proefschrift Rome en de Una Sancta.[46]
De opzet van het convent was breder dan alleen Nederlands Hervormd: men telde ook een Anglicaan onder de leden, enkele Oud-Katholieken en zelfs een aantal Rooms-Katholieken, terwijl er ook contacten waren met de toen nog onbekende communiteit van Taizé in Frankrijk, de EvangelischÖkumenische Vereinigung in Duitsland en de Benedictijnen van de Keizersberg te Leuven.[47]
Toen het ledental groeide koos men voor een indeling in drie kringen: de binnenste kring (de ondertekenaars van de Verklaring), de wijde kring van financieel bijdragende leden en de nog wijdere kring van belangstellenden, die alleen maar de bijeenkomsten van het convent bezochten.[48]
Vanaf 1953 werd ook een bescheiden periodiek uitgegeven, Hervorming en Catholiciteit. Het blad verscheen vier keer per jaar en bevatte naast allerlei informatie, zoals de kerkelijke kalender, verslagen van conferenties en regionale bijeenkomsten, ook inhoudelijke artikelen, veelal van J.M. Gerritsen.[49] Vanaf 1964 ging het blad samen met Communiteit, een tijdschrift gericht op spiritualiteit, onder redactie van A.F.L. van Dijk. Het laatste nummer daarvan verscheen in november 1965.
Doelstelling
De directe aanleiding tot het ontstaan van het HC was de eerder genoemde preek van Geoffrey Fisher, aartsbisschop van Canterbury, gehouden in 1946.[50] Ds Loos, die al langer nauwe relaties onderhield met de Kerk van Engeland en was gaan twijfelen aan de geldigheid van zijn ambt, was zo getroffen door deze preek, dat hij besloot een aantal geestverwanten bijeen te brengen met de bedoeling de vraag van Fisher ook in Nederland aan de orde te stellen. Wellicht zou er in de toekomstige presbyteriaal ingerichte Nederlandse Hervormde Kerk ruimte geschapen kunnen worden voor hen die op grond van studie van de bijbel en de kerkvaders tot de overtuiging waren gekomen dat een episcopale wijding voorwaarde was om als predikant in de Nederlandse Hervormde Kerk te kunnen functioneren.[51] Tijdens de zopas genoemde bijeenkomst op 10 oktober 1947 stelde Loos dan ook voor deze zaak in de kerk aan de orde te stellen door gezamenlijk een Verklaring op te stellen en deze op ruime schaal te verspreiden.[52]
Toch is het een misverstand om het ontstaan van het HC uitsluitend te motiveren vanuit de persoonlijke problematiek van Loos. Het Convent wilde – vooral onder invloed van zijn theologische leidsman (en later ook voorzitter) J.M. Gerritsen – de ambtsvraag niet los zien van het herstel van de liturgie, de kerk, haar sacramenten en heel haar spiritualiteit. Het doel was: een totale heroriëntatie aan de Kerk van de eerste eeuwen: de ene, ongedeelde katholieke en apostolische Kerk. In één woord: het ging het HC om de evangelische catholiciteit (niet met een ‘k’, maar met een ‘c’: om vereenzelviging met de Romana te vermijden!) van de kerk: zie artikel 1 van de stichtingsakte (1952): ‘De stichting (bedoeld is H en C) heeft ten doel door bevordering van Catholiek geloven en leven binnen de kerken der Hervorming te werken voor kerkelijke hereniging in Catholieke zin’.[53] Daarbij keek men vooral naar de Anglicana, een kerk die zowel protestant is als katholiek.
In de praktijk richtte het merendeel van de leden zich op de liturgie, met name de sacramenten, maar ook het getijdengebed, de biecht en de oecumene kregen veel aandacht. De ambtsvraag vormde dus slechts één van de aandachtspunten van het HC. Dat het convent veelal wordt geïdentificeerd met ‘de kwestie Loos’ en de vraag naar de apostolische successie heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat juist die ‘kwestie’ enkele jaren later zo’n enorme commotie zou veroorzaken in de NHK.
Activiteiten
Het HC organiseerde talrijke aktiviteiten. De belangrijkste daarvan zijn de volgende.
Artikelen
Men publiceerde aanvankelijk in het tijdschrift Kerk en Eredienst (KE), dat in 1946 was voortgekomen uit de liturgische beweging. De redactie bood de leden van het HC ruimte voor soms diepgravende theologische beschouwingen over ecclesiologische, oecumenische en liturgische onderwerpen. Ik geef twee karakteristieke voorbeelden:
– J.M. Gerritsen, ‘Evangelisch-Katholiek’ (1947).[54] Dit artikel, aanvankelijk verschenen in het Weekblad van de Nederlandse Hervormde Kerk (WNHK), leidde tot een felle discussie tussen Gerritsen, Van der Leeuw en J.H. Semmelink enerzijds en A.F.N. Lekkerkerker en K.H. Miskotte anderzijds.[55] Gerritsen had het begrip ‘evangelisch-katholiek’ als volgt omschreven:
Het eerste lid daarvan bedoelt op positieve wijze onze reformatorische oorsprong en de erkenning van de Reformatie uit te spreken. Het tweede lid duidt aan, dat wij niet bij de Reformatie van de zestiende eeuw willen blijven staan, maar vanuit ons geloof in de ééne Kerk op grond van de historische aanwijsbaarheid van de ongedeelde Kerk der eerste eeuwen onze kerk in de richting van de Una Sancta der toekomst willen stuwen’.[56]
Lekkerkerker zag hierin een miskenning van het eigene van de Reformatie, maar tegelijk gaf hij toe dat een afdoend antwoord aan Rome nog steeds op zich liet wachten. K.H. Miskotte reageerde daarop met de stelling dat het afdoende antwoord al lang gegeven is: door Karl Barth – waarop Van der Leeuw en Semmelink schreven dat een kerk die welke theologie ook als het definitieve antwoord beschouwt Roomser is dan de paus. In zijn slotartikel ‘De universeele Catholica’ schrijft Gerritsen dat hij de betekenis van de Reformatie in genen dele wil ontkennen, maar dat hij slechts heeft willen waarschuwen tegen de ‘verenging die onze kerk bedreigt’, wanneer wij haar isoleren van het grote geheel van de universeele Catholica’.
– J. Loos, ‘Vragen inzake de kerkorde’ (1949). In dit artikel, oorspronkelijk een toespraak voor het dispuut Vinculum Theologicum te Utrecht, reageert Loos op de in 1947 aangenomen ontwerp-kerkorde van de NHK met haar presbyteriale ambtsstructuur.[57] Stevig leunend op de eerder genoemde bundel Apostolic Ministry (Kirk) verdedigt hij op basis van de Schrift en de vroege kerk het episcopaat en de apostolische successie als voortzetting van de incarnatie. Wanneer de reformatie daarmee breekt, breekt zij in beginsel met het catholieke geloof. En wie buiten de apostolische successie geordend is, ‘vrage zich in ernst af, of hij tot de uitdeling der heilige sacramenten inderdaad wel bevoegd is’, een duidelijke verwijzing naar de Verklaring van het HC. Hij eindigt zijn betoog dan ook met de opmerking dat de roep van het HC om een bisschop gehoord wil zijn ‘als de roep van een man, die op een ijsschots afgedreven, naar zijn broeders op de vaste wal schreeuwt om hulp. Hoe meer er met ons roepen, des te eerder zal men ons van de overzijde horen’.[58]
Conferenties
Op het conferentiecentrum De Hoorneboeg te Hilversum werden (vanaf 1950) driedaagse conferenties gehouden (van vrijdagavond tot zondagavond), waar niet alleen lezingen over theologische en liturgische onderwerpen werden gehouden, maar waar – voor het eerst in de geschiedenis van de NHK – ook het dagelijks getijdegebed gebeden werd, vooral gestimuleerd door J.M. Gerrritsen, die daartoe het Nederlands Getijdenboek samenstelde, een bewerking van het Breviarium Monasticum van de Benedictijnen.[59] Op zondagmorgen was er een eucharistieviering onder leiding van Pfr W. Drobnitzky, een door de sterk katholiserende lutherse bisschop Friedrich Heiler gewijde Lutherse predikant en voorzitter van de Hochkirchliche Vereinigung.[60] Men volgde voor deze dienst de door Heiler samengestelde Deutsche Messe.[61] In totaal zijn er tussen 1948 en 1955 tien conferenties gehouden. Ze werden druk bezocht door predikanten, theologiestudenten en belangstellenden uit andere kerken.[62]
Verklaring gericht tot allen die de Kerk van Jezus Christus liefhebben
Wat echter de grootste impact heeft gehad op de kerk was de al enkele keren genoemde Verklaring die het HC in 1947 had opgesteld en aan alle NH predikanten was toegezonden. Het document was ook ter publicatie aangeboden aan het WHNK, maar omdat de redactie het alleen wilde opnemen mits voorzien van een redactioneel naschrift (hetgeen de opstellers weigerden) – kon de Verklaring pas in 1950 onder de titel Hervorming en Catholiciteit. Een Verklaring worden uitgegeven, in brochurevorm en met toelichtende commentaren van de opstellers. Dit laatste op advies van Bakhuizen van den Brink.[63][64][65] De uitgave werd een ‘ongehoord succes’ (Loos), omdat er veel publiciteit aan werd gegeven.[66]
De ondertekenaars spreken hun blijdschap uit over het alom oplevend kerkelijk besef en over het oecumenisch streven, maar zij uiten hun bezorgdheid over de verabsolutering van bepaalde inzichten binnen het gereformeerd protestantisme, met name in de puriteinse gestalte die het in ons land heeft aangenomen. Hun theologisch uitgangspunt is de in anglo-katholieke kringen gekoesterde visie op de incarnatie, die zich voortzet in de traditie van de kerk, met name in de opvolging van de bisschoppen vanaf de apostelen tot nu toe. Op grond daarvan roept de verklaring de kerken op tot bezinning op de vier in de eerder genoemde ‘Lambeth-vierhoek’[67] genoemde criteria van een waarlijk ‘catholieke’ kerk: aanvaarding van de Heilige Schrift, het credo van de kerk, de sacramenten van doop en avondmaal en het ‘historisch episcopaat’, een uit de anglicaanse theologie afkomstige term (historic episcopate), waarmee bedoeld is het episcopaat zoals het door de eeuwen heen zonder onderbreking is overgeleverd.
Het vierde punt van de Verklaring luidt:
Wij geloven, dat de Vleeswording des Woords zich voortzet in de Heilige Kerk tot de voleinding der eeuwen. Daarom belijden wij, dat de Kerk het Lichaam is van den Zoon Gods, waarin Hij zelf onder ons voortleeft, en dat Hij in haar het ambt der Apostelen en Opzieners heeft ingesteld, door welke Hij zijn heerschappij onder ons wil uitoefenen.
Wij geloven, dat Hij aan der oplegging der handen door de van Hem verordineerde Opzieners voor alle tijden de mededeling van zijn Heiligen Geest verbindt en dat het ambt berust op een bijzondere genaderoeping en afzondering tot dezen heiligen dienst door den Heer der Kerk Zelf. Wij stellen daarom de vraag of het enige Kerk geraden is, zich aan deze apostolische successie te onttrekken en of het ambt niet geheel onvoldoende gewaardeerd wordt door het slechts te zien als een verbijzondering van het ambt aller gelovigen; voorts of wij niet spelen met de Goddelijke genade, wanneer wij met veronachtzaming dezer van het begin af onderhouden overlevering der Kerk, – zonder ons de vraag te stellen of wij tot de uitdeling der Heilige Sacramenten de Goddelijke volmacht bezitten en zonder ernstig te zoeken naar de oplossing van dit probleem – rustig voortgaan met de bediening der Heilige Sacramenten.[68]
Het commentaar bij dit gedeelte in de bundel Hervorming en Catholiciteit is van de hand van Loos.[69] Daarin stelt hij – op grond van de openbaring in Jezus Christus, zoals die is vastgelegd in de Heilige Schrift, en in overeenstemming met de geloofsbelijdenis der ongedeelde kerk – dat de bisschop en niet de Geneefse ouderling de eigenlijke ambtsdrager is in de Kerk. Het ambt komt tot ons van Christus langs de lijn der apostolische successie. ‘Iedere ‘kerkorde’, die niet op deze wijze apostolisch is, berust op een constructie, om niet te zeggen op een fictie’. Daarom is de breuk die de Reformatie met een beroep op het sola scriptura op het gebied van het ambt heeft teweeggebracht, zo bedenkelijk en betreurenswaardig: het betekent dat zowel het lutheranisme als het calvinisme on-catholiek zijn. Zonder de traditie komen we niet uit. Loos concludeert: ‘Wie bereid is naar de Schrift in samenhang met de Traditie der Kerk te luisteren, omdat hij erkent, dat de Kerk de Schrift nooit alleen gelezen heeft, die komt tot de conclusie, dat de bisschoppen, als opvolgers der apostelen, de legitieme herders van de kudde van Christus zijn’.
De reacties op de Verklaring
De reacties waren veelal stormachtig. Van der Leeuw was woedend, zoals blijkt uit een brief van zijn hand: ’dit gaat niet naar de Catholieke kerk, maar naar Rome’,[70] Lekkerkerker schreef dat het HC bezig is het tafellaken met de kerk der Reformatie door te snijden[71] en Dankbaar besluit zijn 13 pagina’s tellende bespreking van de Verklaring met de zin: ‘Christus is gevangen in een vorm van heilsbediening en kerkregering, die aan de eer van Hem en van zijn heilig Lichaam, de kerk, te kort doet’.[72] Maar ook geestverwant H. van der Linde had zijn bedenkingen: de vraag, welke bijdrage ‘het evangelische element zou kunnen leveren aan de nieuwe synthese van catholiserend en evangelisch denken’ komt nauwelijks expliciet ter sprake. ‘Wij lopen met dit soort publicaties gevaar in de hoek van de goed bedoelde, niet zeer ernstige en oecumenisch wat dilettanterende theologen te worden geschoven.’[73]
Zoals te verwachten, waren de reacties uit de kerken van de katholieke traditie positiever. Zo schreef N.G.M van Doornik in De Tijd, ‘dat we hier een zwenking naar het katholicisme voor ons zien, zoals de NHK nog niet eerder heeft beleefd’. Toch was hij niet optimistisch: ‘Het lijkt ons uitgesloten dat de Synodale leiding ooit met deze beweging wil onderhandelen aan de rondetafel. (…) ’De nieuwe kerkorde zal nooit bekroond worden met een bisschopswijding onder de gewelven ener hervormde kathedraal als voortzetting van de successio apostolica. ’[74] Maar De Oud-Katholiek concludeert: ’Hoezeer hier in deze groep verwantschap met het katholicisme bestaat – van verwantschap met Rome (wat iets geheel anders is) hebben wij niets kunnen bespeuren.’ (…) ‘Deze groep staat op oud-katholiek standpunt.’[75] Intussen had het moderamen van de synode – vooral op aandringen van de zeer oecumenisch gezinde secretaris-generaal E. Emmen – de opstellers van de Verklaring uitgenodigd voor een reeks gesprekken. Aanvankelijk hadden die een constructief verloop.[76] Op de vraag naar de schriftuurlijke onderbouwing van de catholiek-episcopale ambtsopvatting schreef Gerritsen een uitvoerige nota, die hij later zou uitwerken in zijn boek Het Apostolisch Ambt (1953), dat beschouwd kan worden als de ambtstheologie van het HC. [77]
De overgang van Ds J. Loos
Dan verschijnt in hetzelfde jaar (1950) in Engeland het reeds genoemde rapport Church Relations, opgesteld door een werkgroep van de Church of England (C of E) en de Free Churches, in het leven geroepen n.a.v. Fishers Cambridge Sermon uit 1946. Ook nu wordt aan de niet-episcopale kerken gevraagd ‘to take episcopacy in their system’. Het moderamen van de Hervormde synode vraagt het HC een memorandum op te stellen over dit rapport. Dit document, ondertekend door Van den Brink, Gerritsen, Loos en Miskotte, bereikt de synode in juni 1951.[78] Het liep uit op een aanbeveling aan de synode om, in goed overleg met de C of E, hetzij zelf het episcopaat in te voeren in de NHK – hetgeen men mogelijk achtte zonder in conflict te komen met haar presbyteriale kerkstructuur[79] – hetzij haar volle medewerking te verlenen ‘aan dezulken onder haar dienaren die om des gewetens wil een episcopale wijding tot het presbyteriaat niet menen te kunnen ontberen’.[80] Eén van de ondertekenaars, ds J. Loos, was echter dusdanig in gewetensnood gekomen, dat hij de beslissing van de synode niet kon afwachten en haar vroeg hem toestemming te geven tot het ontvangen van een additionele wijding door een bisschop van de C of E. De synode sprak echter uit (juli 1952) dat een dergelijke wijding in strijd is met de pas ingevoerde presbyteriaal-synodale kerkorde en wees het verzoek van Loos af.[81] Na allerlei geharrewar ging hij in 1955 over naar de RK Kerk en in 1963 ontving hij de priesterwijding. Daarmee werd hij de eerste gehuwde priester in Nederland sinds de Middeleeuwen.
Kerk in beroering: ‘de zaak Loos’
Het besluit van de Hervormde synode om ds Loos geen toestemming te verlenen tot het ontvangen van een additionele wijding door een anglicaanse bisschop riep veel emoties op, allereerst bij het HC. Dat reageert geschokt maar is niet van plan zich erbij neer te leggen. In een door Gerritsen en mevrouw Van Lynden ondertekende brief aan de synode, gedateerd 16 juli 1952, lezen we: ‘In gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift zal het Convent zijn streven naar het herstel van het apostolisch ambt voortzetten. Het Convent hoopt tot de bezinning op het wezen van het ambt het zijne bij te dragen.’[82]
Er verschijnen artikelen en ingezonden stukken in de dagbladen[83] en ook de kerkelijke pers staat bol van de reacties. Synodesecretaris F.H. Landsman probeert de gemoederen te sussen en schrijft in WNHK onder de titel ‘Wat is katholiek?’ vier artikelen waarin hij commentaar geeft op de achtergronden van het synodebesluit.[84] Op grond van de reformatorische opvatting van de apostolische successie – niet de historische continuiteit van het apostolisch ambt is beslissend voor het zijn of niet-zijn van de kerk, maar het gezag van het geschreven en gepredikte Woord – verdedigt hij weliswaar mét de synode de ‘echtheid’ van het ambt van dienaar des Woord in de NHK, maar tegelijk stelt hij dat de apostolische successie, zoals die in de ‘catholieke’ kerken wordt verstaan, tot op zekere hoogte te waarderen is als een teken van de zichtbaarheid en de continuiteit van de gemeente van Jezus Christus’. Vooral vanuit oecumenisch perspectief acht hij het dan ook belangrijk dat de synode er in haar besluitvorming op had aangedrongen dat het gesprek over het ambt dient te worden voortgezet.
In de modaliteitsbladen lieten de predikanten H. Harkema en L. Vroegindeweij een krachtig GB-geluid horen in respectievelijk De Waarheidsvriend [85] en het Gereformeerd Weekblad,[86] terwijl Dr.J.C. Kromsigt, Dr.G.J. Streeder[87] en Prof.dr.Th.L. Haitjema[88] een niet
Voor velen bepaald schokkend was een artikel van H. van der Linde in Woord en Dienst van 20 september 195 2,[89] waarin een pleidooi werd gevoerd voor een ruimhartige erkenning van de ‘Hervormd-catholieke modaliteit’ – en dat terwijl alle modaliteiten nog maar net waren opgeheven – althans in kerkordelijke zin. Th.L. Haitjema was er dan ook zo boos over dat hij er in de 2e druk van zijn De Richtingen in de NHK (1953) een heel hoofdstuk aan wijdde.[90]
Vermeldenswaard zijn verder enkele artikelen die het blad In de Waagschaal in die tijd publiceerde, namelijk van A.J. Bronkhorst, over ‘Spanningen rondom het ambt’[91] en van H. Berkhof over de Apostolische Successie.[92] Maar bepaald spraakmakend was de diepgravende artikelenreeks die O. Noordmans maandenlang voor In de Waagschaal schreef en waarop ik verderop nog zal terugkomen.
Ook de kerkbladen lieten zich niet onbetuigd. Zo gingen in Hervormd Utrecht de predikanten Oberman en Lekkerkerker in debat onder de titel ‘De katholiciteit van de Hervormde Kerk’. Eerstgenoemde had gesteld dat ‘onze gereformeerde vaderen meer katholiek – dus niet Rooms! – ingesteld waren dan de Hervormde Kerk van onze dagen, die steeds meer meegezogen wordt in een bedding waarbij het katholieke element bewust geheel of ten dele uitgebannen wordt’.[93] Waarop Lekkerkerker antwoordt: ‘Wij begeren de èchte katholiciteit en niet een valse. Een valse katholiciteit is het, die rust in de dusgenaamde ‘apostolische successie’.[94]
Maar vooral in de Hervormde gemeente te Hilversum, de classis Hilversum en de provincie Noord-Holland zat men met de zaak-Loos in de maag.[95] Na het voor hem ongunstige synodebesluit van 2 juli werd Loos vrijgesteld van zijn ambtswerk, maar al snel wilde hij weer gewoon aan het werk gaan als predikant van de NHK. Wanneer de kerkeraad eist dat hij dan eerst openlijk dient te verklaren dat hij van zijn dwalingen is teruggekeerd, weigert Loos dat – het is dan eind september 1952 – en meldt hij dat hij al in 1949 door de bisschop van Londen is aangenomen voor de priesterwijding in de Kerk van Engeland en dat hij van plan is naar die kerk over te gaan. Nu kan niemand er meer een touw aan vastknopen. Er worden gemeenteavonden gehouden, de visitatie komt er aan te pas, de gemeente raakt verdeeld in voor- en tegenstanders en er verschijnen artikelen in de pers, etc. Wanneer in het voorjaar van 1953 vanuit Engeland het bericht komt, dat er van de Hervormde kerk een jaarlijkse financiële bijdrage verwacht wordt voor het levensonderhoud van Loos en de kerkvoogdij van Hilversum zich daartoe bereid verklaart, ontstaan er nieuwe spanningen: Loos zegt alleen naar Engeland te willen vertrekken indien hij eerst als NH predikant in vollen rechte zal zijn hersteld en indien hij met onmiddelijke ingang weer aan het werk kan. De kerkeraad vindt dit onacceptabel en verklaart na overleg met het moderamen van de generale synode er niet aan te zullen meewerken dat Loos zijn ambtswerk hervat. Deze is het daar niet mee eens en dient een klacht in bij de commissie voor het opzicht. De wijkkerkeraad schrijft voor deze commissie een memorandum, gedateerd 9 juli 1953, waarin alle feiten op een rijtje worden gezet, en publiceert dat in het kerkblad. Maar dan – eind augustus: Loos is al ruim een jaar niet in functie – draagt het moderamen van de Provinciale Kerkvergadering (PKV) hem op zijn werkzaamheden ten spoedigste weer te hervatten. Wanneer Loos echter op 10 september geheel onverwacht ter kerkeraadsvergadering verschijnt en zonder nadere verklaring als voorzitter wil optreden, besluit de meerderheid zijn ambt neer te leggen. Loos schakelt de commissie voor bezwaren en geschillen in en legt haar een zeventien pagina’s tellende refutatio van het kerkeraadsmememorandum voor, maar de commissie verklaart zich onbevoegd tot handelen. Intussen had het moderamen van de PKV nog een poging tot verzoening gedaan, maar de breuk bleek niet meer te herstellen. Het eind van het lied is dat Loos op 11 januari 1955 ontheffing uit zijn ambt vraagt, wat hem op 15 januari, bijna per kerende post, wordt verleend. Een dag eerder, op 14 januari, had hij voor zichzelf, zijn echtgenote en zijn vier minderjarige kinderen het lidmaatschap van de ‘dusgenaamde Nederlandsche Hervormde Kerk’ opgezegd. P. Staples noemt de zaak-Loos a real tragedy.[96]
Reacties van geestverwanten
Interessant zijn ook de kritische reacties van enkele companen van Loos c.q. het HC. H. van der Linde, van het begin af aan op afstand bij het HC betrokken, had het tijdens de synodevergadering van 2 juli 1952 voor Loos opgenomen. Hij voerde het woord ‘als vriend en als iemand die sterkt in dezelfde lijnen denkt.’ Voor hem is de enig belangrijke vraag die van de geheelheid, van de catholiciteit der kerk. Hij dringt erop aan de opvattingen van het HC ten volle ernstig te nemen, zoals ook de vrijzinnigheid ernstig genomen wordt.
‘Ds Loos behoort tot een groep, die ten volle achter het belijden der kerk staat, doch zich naar de Catholiciteit uitstrekt. (…) De bedoeling van de oecumene is niet, dat de denominaties blijven wat ze zijn, maar dat ze tot een grotere volheid zullen komen’. Daarom pleit hij ervoor dat Loos zo lang mogelijk in de NHK gehandhaafd blijft en dat er een oecumenische oplossing van het probleem zal komen.[97]
Binnen het HC was niet iedereen blij met de handelswijze van Loos. Gerritsen verklaarde achteraf dat de leden zich van de kwestie hadden moeten distantiëren door Loos, toen nog voorzitter van het HC, tot aftreden te dwingen. Maar de meerderheid durfde dat niet aan, omdat men loyaal wilde blijven aan de voorzitter. Gerritsen noemde dit later ‘een noodlottig besluit’, omdat het HC vanaf die tijd met de kwestie-Loos is geïdentificeerd. ‘De hele zaak heeft de zaak van de catholiciteit onzegbare schade bero
Een derde sympathisant van het HC, J.N. Bakhuizen van den Brink, voorzitter van de Liturgische Kring, reageerde niet zozeer in kerkpolitieke, maar in theologisch-wetenschappelijke zin kritisch op de opvattingen van Loos en de zijnen, met name ten aanzien van de apostolische successie. Hij stelde namelijk in een artikel in Kerk en Eredienst[99][100] (oorspronkelijk een referaat voor de Liturgische Conferentie, later ten dele herhaald op een vergadering van het Kerkhistorisch Gezelschap[101]), dat de breuk van de Reformatie met de apostolische successie ter wille van de apostolische leer noodzakelijk was, maar wel van tijdelijke aard moest blijven. Immers, de successio apostolica en de successio doctrinae gaan beide terug op Christus en mogen daarom niet tegen elkaar worden uitgespeeld. Beide vormen van successie moeten volgens hem een plaats krijgen in de Kerk:
Het is traditioneel protestants om zich liever te beroepen op de successio van prediking en geloof of leer dan op de ambtssuccessie. (…) Wij voor ons houden dit voor een nood-uitkomst. Het miskennen van de betekenis der apostolische successie en der historie in het algemeen is altijd een kenmerk der secte geweest; het is dopers. De kerk daarentegen erkent de historie.[102]
Hij verlangt er dan ook naar dat de NHK weer de aansluiting bij de apostolische successie gaat zoeken en daarmee kiest voor het historische episcopaat, maar dit episcopaat zal altijd ondergeschikt moeten zijn aan de successio doctrinae.[103]
Deze ‘aanval’ op het HC was voor Van den Brink en Loos de druppel die de emmer deed overlopen: beiden bedankten voor de Liturgische Kring en Van den Brink ging een jaar later – eerder nog dan Loos – over naar de Rooms-Katholieke kerk.[104]
Rooms-Katholieke en Oud-Katholieke reacties
Vanuit de Romana werden, vooral door de oecumenisch geïnteresseerden, de ontwikkelingen rond het HC met belangstelling gevolgd. Het waren vooral de theologen die al betrokken waren bij de verschillende oecumenische gesprekskringen, die zich lieten horen. Zo schreef de (latere) oecumenicus J.C. Groot in het apologetisch tijdschrift Het Schild een aantal artikelen over de kwestie Loos en over het bisschopsambt bij de niet-Katholieken.[105] Van de zijde van het episcopaat werd discreet gezwegen.
Vanuit de Oud-Katholieke kerk, waar men veel dichter bij de opvattingen van het HC stond, werd voornamelijk in positieve zin gereageerd. Soms kritiseerde men openlijk de wijze waarop in de NHK met de vragen die het HC op tafel had gelegd werd omgegaan. Zo reageerde A.R. Heijligers in het voorjaar van 1954 op een artikel van F.H. Landsman in het weekblad De Hervormde Kerk, waarin deze gesteld had dat de toenemende belangstelling voor het bisschopsambt onder reformatorische christenen wel eens een ernstig gevaar zou kunnen betekenen voor een gezonde ontwikkeling van de oecumenische beweging: niet de aanvaarding van het bisschopsambt en daarmee de apostolische successie is voor de toekomst van de kerk beslissend, maar de zuivere prediking van het evangelie.[106]Heijligers reageert in een fel artikel in De Oud-Katholiek (dat als ingezonden stuk door de redactie van het WNHK was geweigerd) met de stelling dat de groeiende reformatorische belangstelling voor het bisschopsambt juist een gevolg is van de oecumenische beweging:
Alle eeuwen door heeft de Kerk dit ambt en bijgevolg de apostolische successie gekend, alleen de reformatie verbant dit ambt uit de kerk alsof zij daarmee zeggen wil, dat de Kerk vijftien eeuwen in dwaling geweest is over het ambt en dat vijftien eeuwen lang de kerkorde, die episcopaal was, onjuist is geweest, zodat de reformatie tegen de hele traditie der Kerk in de juiste kerkorde uit het Evangelie heeft afgelezen. Valt het te verwonderen wanneer mensen van gereformeerde huize ernstig gaan nadenken over ambt, apostolische successie, kerkorde, zuivere Evangelieverkondiging en rechte bediening der sacramenten en gaan twijfelen aan de juistheid van de reformatorische opvatting van het kerkbegrip? [107]
In een vervolgartikel, waarin hij reageert op een ingezonden stuk van de secretaris van de International League for Apostolic Faith and Order (ILAFO), neemt Landsman ‘niets terug van zijn vorige artikel en herhaalt hij zijn waarschuwing’.[108] Het betoog van Bakhuizen van den Brink was hem kennelijk ontgaan.
Van ‘Hilversums Convent’ tot ‘Convent voor Hervorming en Catholiciteit’
Wanneer er in korte tijd drie leden van het HC zijn overgegaan naar Rome,[109] ontstaat er verdeeldheid onder de overgebleven leden over de verder te volgen koers.[110] Loos, nog altijd lid van het convent, wil dat het oecumenisch karakter van het convent wordt benadrukt: ieder die de catholieke traditie is toegedaan mag lid worden. Miskotte wil banden aanknopen met de Oud-Katholieken.[111] Voorzitter Gerritsen is echter van mening dat het Convent in reformatorische vaarwateren moet blijven en dat er geen plaats meer is voor Rooms-Katholieken. De zaak-Loos heeft volgens hem onnoemelijk veel schade toegebracht aan de zaak waarvoor het convent staat. In een brief aan mevr. Van Lynden schrijft hij:
Jammer, maar tussen het vele mooie en goede in de RK kerk en mij staan als onoverkomelijke hinderpalen voortaan Loos, Laagwater en van den Brink. Voor een deel zijn dit gevoelskwesties. Maar voor een déél – want ik ben er zeker van, dat deze gebeurtenissen in oecumenisch opzicht verschrikkelijk zijn.[112]
Veelzeggend is in dit verband de ooit door Gerritsen gedane uitspraak, waaraan mevrouw Van Lynden hem in een brief herinnert: ‘Wanneer ik Rooms-Katholiek werd, zou ik ophouden catholiek te zijn’.[113] In elk geval wilde hij voorkomen dat het HC voortaan beschouwd zou worden als ‘een voorportaal van Rome’. In een rondschrijven aan de leden schrijft hij dan ook dat het convent een drievoudige roeping heeft:
(a) binnen de kerken der Reformatie te blijven en in deze kerken in toenemende mate plaats te geven aan catholiek geloof en leven’, (b) het erfgoed van de reformatie te helpen inbrengen in de éne Kerk van de toekomst en (c) voor de kerk van Rome een teken te zijn om zich steeds weer op het waarachtige catholieke geloof te bezinnen en om zich met ons op weg te begeven naar de éne, waarlijk catholieke Kerk.[114]
Deze stellingname van de voorzitter riep verwarring en verdeeldheid op. Na een lange periode van onzekerheid vindt Gerritsen in het voorjaar van 1955 dat er nu eindelijk eens duidelijkheid moet komen. Op de vergadering van ondertekenaars van de verklaring d.d. 20 mei stelt hij voor, het HC op te heffen en een nieuw Convent op te richten, met een nieuwe doelstelling en aan afgebakende positie tegenover Rome. Na een felle discussie blijkt de meerderheid achter Gerritsen te staan en zo werd het HC op 4 juni 1955 officieel opgeheven, om plaats te maken voor het – niet voor Rooms-katholieken toegankelijke! – Convent voor Hervorming en Catholiciteit.[115] Voortaan zouden niet zozeer oecumenische en ambtelijke vragen centraal staan (zoals Loos wilde), maar zou het gaan om het ontwikkelen van een ‘catholieke spiritualiteit’ en het uitdragen daarvan in de NHK, zodat deze kerk zich door spirituele vernieuwing langzamerhand zou ontwikkelen in de richting van de de Una Sancta: ‘Wij zijn niet een soort liturgische beweging, die een wat extreem karakter heeft, (…) het gaat ons niet om de liturgie, (…) het gaat ons ook niet om het ambt, (…) het gaat ons om het sacrament van de heilige Dis’ als het middelpunt van het liturgisch en kerkelijk leven. Vandaaruit ontstaat de waarachtige oecumenische gezindheid; weet men zich één met de Kerk der eeuwen (hetgeen tot uitdrukking komt in een ambt dat in de opvolging der apostelen staat); weet men zich geroepen tot levensheiliging, vooral tot uitdrukking komend in het dagelijks getijdegebed.[116]
Met het oog op het laatstgenoemde ontwikkelde Gerritsen plannen voor de stichting van een Broederschap of Orde, die in kerk en samenleving een liturgische en diaconale dienst zou moeten verrichten.[117] Hier vooral blijkt dat zijn hart lag bij de spiritualiteit, met name die van Benedictus en Franciscus:
Wij zullen genoeg Benedictijnse geest moeten hebben om de taak van het voortdurend gebed op ons te nemen en genoeg Franciscaanse geest om onszelf aan de wereld dienstbaar te kunnen maken.[118]
Hoezeer het nieuw opgerichte Convent voor Hervorming en Catholiciteit echter ook verschilde van het vroegere Hilversums Convent – een lang leven was het niet beschoren: Gerritsen overleed in 1962, en hoewel enkelen van zijn vrienden en collega’s het werk voortzetten, moest het Convent in 1981 wegens gebrek aan inspiratie en belangstelling worden opgeheven.[119] Waarmee meteen de vraag gesteld is, of daarmee ook de zoektocht naar evangelische katholiciteit ten einde was gekomen.
Doorwerking
Hoe ontijdig (en hoe gedateerd!) en voor de NHK onaanvaardbaar de wensen van het Hilversums Convent ook waren, toch heeft de beweging – vooral in de lijn van Gerritsen – op een aantal punten invloed gehad op de koers van de NHK, met name wat betreft de liturgische bezinning, het oecumenisch gesprek en de ambtstheologie. In het volgende zullen we nagaan hoe het gedachtegoed van het HC, niet pas na haar opheffing, maar eigenlijk al vanaf het begin, op genoemde drie terreinen heeft doorgewerkt.
De liturgische beweging wordt kerkelijk geïntegreerd [120]
In 1950 krijgt het tijdschrift Kerk en Eredienst van de Liturgische Kring een nieuwe – kerkbrede – redactie en een nieuwe ondertitel: die luidt niet meer ‘NH Tijdschrift voor Liturgie’, maar ‘Tijdschrift van de NH Kerk voor Liturgie’, een veelzeggende naamsverandering. De redactie zal zich voegen in het beleid van de NH Kerk, aldus W.A. Zeydner, de voorzitter van de Raad voor Kerk en Eredienst, in zijn ‘Ter inleiding’ bij de nieuwe jaargang 5.[121] Ook na deze ‘coup’ blijven diverse leden van het Hilversums Convent (onder meer J.M. Gerritsen, J.N. Bakhuizen van den Brink, H. van der Linde en R. Boon) echter belangrijke bijdragen leveren aan dit helaas al in 1959 ter ziele gegane tijdschrift, dat nog steeds als een Fundgrube geldt voor het liturgisch onderzoek.
In 1955 verschijnt het Dienstboek-in-ontwerp, waarin (althans in theorie!) de grondstrucuur van de samenkomst van de christelijke gemeente hersteld is. Als grondregel geldt: ‘er zij een dienst des Woords, een dienst der gebeden en een viering van het heilig Avondmaal’.[122] Dat wordt vooral zichtbaar in de ‘gereformeerd-oecumenische’ dienst van Schrift en Tafel, (orde van dienst IV in combinatie met III), afkomstig uit de Liturgische kring, waarin belangrijke elementen uit de dienst van de Kerk der eeuwen worden hersteld en bewaard.[123] J.M. Gerritsen heeft als representant van de hoogkerkelijk-oecumenische richting met zijn grote kennis van de liturgie, de patres en de hervormers een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming van dit Dienstboek.[124] Na zijn overlijden werd hij door Lekkerkerker herdacht als een zeer gewaardeerd lid van de commissie die het Dienstboek samenstelde.[125]
Begin jaren zestig ontstond er een samenwerkingsverband tussen de Prof. dr G. van der Leeuwstichting, de Liturgische Kring en de redactie van de door haar uitgegeven liturgische handreiking Het Jaar onzes Heren. Doel was ‘de willekeur waarmee doorgaans met de bijbel wordt omgesprongen in een protestantse kerkdienst tegen te gaan door het opstellen van een leesrooster, dat recht deed aan de structuren van de Schrift’.[126] Al snel vatte men het plan op om een oecumenisch kerkboek samen te stellen waarin voor elke zondag van het jaar de lezingen, liederen en gebeden zouden zijn geordend volgens de belangrijkste liturgische tradities van de westerse kerk. Het resultaat was de uitgave De adem van het jaar,[127]die tot de verschijning van het Dienstboek – een proeve (1998) voor vele gemeentes en voorgangers een rijke bron van inspiratie is geweest. Vanuit de Liturgische Kring c.q. het convent Hervorming en Catholiciteit was het opnieuw J.M. Gerritsen die tot aan zijn dood (1962) een belangrijke bijdrage geleverd heeft aan dit project.
Het oecumenisch gesprek wordt gestimuleerd [128]
(a) Het gesprek met Rome
Terwijl het officiële kerkelijk gesprek tussen Rome en Reformatie in ons land maar moeizaam op gang kwam,[129] waren het de theologen van de gezamenlijke gesprekskringen die met enthoussiasme met elkaar in gesprek gingen.[130][131] Mede met het oog daarop[132] verschijnt in 1951 de bundel Geloofsinhoud en Geloofsbeleving. Een peiling binnen Reformatie en Katholieke kerk in Nederland, onder redactie van H. van der Linde en F. Thijssen.[133] Deze – bij mijn weten eerste – gezamenlijke publicatie van Hervormde en Rooms-Katholieke theologen geeft een goed beeld van de wijze waarop men begin jaren vijftig met elkaar in gesprek was. Ons interesseren hier vooral de bijdragen van de Hervormde gesprekspartners. Sommige auteurs tonen een relatieve openheid voor het rooms-katholicisme (Bakhuizen van den Brink,[134] Gerritsen,[135] en Kohnstamm[136]), een enkeling (H. van de Linde) hoort zelfs er zelfs een vraag in aan de Reformatie: namelijk de vraag naar ‘het wezen en de katholiciteit der kerk’ (en het is een groep als Hervorming en Catholiciteit die zich daarvoor openstelt)[137] – maar juist die groep wordt ook in deze bundel nauwelijks serieus genomen. Zo schrijft Berkhof in zijn bijdrage ‘De stand van het credo in de NH Kerk’, ‘dat de catholiserende groep in de NHK zeer klein is en dat hun weg niet naar Rome schijnt te leiden, maar naar Canterbury of Constantinopel’[138] en Bronkhorst plaatst hen in zijn bijdrage ‘De orde der kerk naar Hervormd besef’ in een soort reservaat: ‘Hervorming en Catholiciteit zegt vele hervormden niet meer dan dat er blijkbaar ook binnen de Hervormde kerk Anglicanen met hoogkerkelijke neigingen kunnen worden aangetroffen, onder meer inzake kerkorde en ambtsbeschouwing’.[139] Hij voegt er echter aan toe te verwachten, dat de vragen die de diepere achtergrond vormen van de beweging, in de komende jaren met name vanuit de oecumenische discussie nog wel eens aan de orde zullen komen.
Zijn verwachting kwam uit, want een jaar later, in 1953, midden in het rumoer rond de zaak-Loos gaan H. van der Linde en O. Noordmans in het blad In de Waagschaal met elkaar in debat over het thema ‘katholiciteit’, naar aanleiding van het al eerder genoemde artikel van Van der Linde over ‘De Hervormd-Catholieke modaliteit’.[140] Met name het aandeel van Noordmans in dit debat, getiteld ‘Hervormde overpeinzingen’,[141] zou later beroemd worden vanwege een aantal (fraaie, maar niet altijd billijke) door hem gesmede typeringen waarmee de verhouding Rome-Reformatie op formule wordt gebracht: zo zou de Roomse Kerk leven van een ‘antiquarische katholiciteit’, gesymboliseerd door de Petrus, en de Gereformeerde van een ‘mystische katholiciteit’, gesymboliseerd door de Paulus. Eerstgenoemde zou op verleden gericht zijn (‘Petrus gaat’), laatstgenoemde op de toekomst (‘Paulus komt’), daarom heeft Rome bisschoppen en de Reformata ouderlingen. Fraaie typeringen, maar of Petrus en Paulus op deze manier tegen elkaar mogen worden uitgespeeld, is de vraag.[142]
(b) Het gesprek over katholiciteit
Ook binnen Faith and Order kwam het gevoelige thema ‘catholiciteit’ (en de daarmee verbonden apostoliciteit!) van de kerk maar moeizaam van de grond. Met als gevolg dat in 1950 (tijdens de conferentie te Lund) de ‘catholiek’ gekleurde International League for Apostolic Faith and Order (ILAFO) werd opgericht, als reactie op het te ‘protestantse’ karakter van Faith and Order.[143] Rooms-katholieke, oud-katholieke, anglicaanse en hoogkerkelijke protestantse gelovigen sloegen de handen ineen teneinde ervoor te waken, dat het ‘catholieke’ gedachtegoed in het eenheidsstreven van de Wereldraad ooit verloren zou gaan. Kernpunten van dat gedachtegoed waren voor hen het apostolisch geloof en de apostolische successie, geconcretiseerd in het drievoudige ambt van bisschop, priester en diaken. Het HC, vertegenwoordigd door J.M. Gerritsen, trad onmiddellijk na de oprichting toe als lid. In de bundel Barriers of Unity, verschenen in 1959, schreef hij een artikel ‘The Recovery of Episcopacy (The barrier of false paths)’.[144]
(c) Het gesprek met de Anglicana[145]
Het meest positief-oecumenische effect van het optreden van het HC is waarschijnlijk dat ten gevolge van ‘de kwestie Loos’ het gesprek tussen de NH kerk en de Church of England op gang is gekomen. Vooral dankzij de inspanningen van de toenmalige secretaris-generaal van de NHK E. Emmen en de Groningse kerkhistoricus W.F. Dankbaar werden er tussen 1958 en 1984 vier Conversations gehouden.[146] Aan de twee eerste daarvan, gewijd aan resp. de thema’s ‘Ministry and Sacraments’ (1958, Woudschoten) en ‘The people of God’ (1961, Lambeth Palace), nam ook de voorzitter van Hervorming en Catholiciteit, J.M. Gerritsen, deel.[147] De ambtsvraag, traditioneel een belangrijk thema voor anglicanen, kwam ook aan de orde tijdens het vierde gesprek (1984, Lambeth Palace), nu in verband met het in 1982 verschenen Limarapport van de WCC, waarin de vroegchristelijke ambststructuur (bisschop, presbyter, diaken) wordt aanbevolen als normatief voor alle kerken.[148]De gesprekken hierover evaluerend schrijft Staples:
The crucial question is whether this particular ‘convergence text’ has now placed the relationship between the Netherlands Reformed Church and the Church of England in a new context. The answer depends on whether the Netherlands Reformed Church is also prepared to consider this part of the Lima-text positively. In its official response to the div on Ministry, however, it is observed that it “gave many Protestant readers a pronounced ‘Catholic’ impression”. This could well be construed by Anglicans (and other Episcopalians) as a rather ominous sign![149]
Meer dan dertig jaar na de kwestie-Loos lijkt er, ondanks alle oecumenische dialogen over het ambt, op dit punt nog weinig te zijn veranderd.
Het gesprek over het ambt komt op gang [150]
(a) De commissie-Van Ruler
Eén van de effecten van de vraag van het HC om een additionele wijding was, dat de synode hoewel zij – op voorstel van de commissie van advies[151]– afwijzend had beslist, toch in haar besluitvorming had bepaald ‘dat aan de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie de bezinning omtrent het ambt en de grenzen van de Nederlandse Hervormde Kerk opgedragen blijft’. Ze deed dat niet alleen omdat er in de NHK blijkbaar verschillend werd gedacht over het ambt, maar ook uit oecumenische overwegingen (de intercommunie).[152] Uit de notulen van de vergadering van genoemde Raad, waarin het eerder genoemde Memorandum van het HC werd besproken, blijkt overigens dat er binnen dit gezelschap van meet af aan zeer verschillend werd gedacht over het gewicht van het presbyteriale systeem. K.H. Miskotte en G.C. van Niftrik zijn van mening dat er bij de aanvaarding van de kerkorde een geestelijke beslissing is gevallen. Van Ruler antwoordt dat de episcopale mogelijkheid niet principieel is afgewezen. De commissie voor de kerkorde heeft zich niet principieel met deze materie beziggehouden, maar zich aangesloten bij de traditie van de kerk van Nederland. Bakhuizen van den Brink zegt dat inzichten als die van het HC bij de voorbereiding van de nieuwe kerkorde te weinig aan bod zijn gekomen. Het presbyteriaal-synodale systeem mag niet verabsoluteerd worden:
Het mag in de stad Utrecht zeker ook gezegd worden, dat het NT niet ondubbelzinnig het systeem van presbyteriale kerkregering voorschrijft. De Raad moet deze dingen ernstig theologisch overwegen. De Hervormde Kerk zal comprehensiveness moeten bezitten, opdat zij niet versmalle tot een secte. [153]
Hoe dan ook, in opdracht van de synode benoemt de Raad in 1952 een commissie die zich onder voorzitterschap van Van Ruler moet gaan bezinnen op de problematiek rond het ambt. De commissie, die grotendeels was bemand door dezelfde theologen die ook in de synodale adviescommissie inzake de kwestie-Loos hadden gezeten, bestond uit vertegenwoordigers van de drie in de NHK vertegenwoordigde zienswijzen: de presbyteriaal-synodale, de laagkerkelijk-congregationalistische en de hoogkerkelijke. Hervorming en Catholiciteit was erin vertegenwoordigd met J.M. Gerritsen (tot 1962, het jaar van zijn dood),[154] H. van der Linde (tot 1960, het jaar van zijn overgang naar Rome)[155] en J. Loos (tot 1955, het jaar van zijn overgang naar Rome). Veertien jaar (van 1952-1965) heeft de commissie gewerkt aan het ontwikkelen van een (‘Hervormde’) visie op het ambt,[156] maar toen zij met haar eindrapport bij de Raad voor de zaken van Kerk en Theologie kwam, werd het niet aanvaard (1965). Het belangrijkste argument: de erin beschreven ambtsopvatting is naar het oordeel van de Raad te eenzijdig presbyteriaal. Uit de notulen blijkt dat de stem van Berkhof – inmiddels lid geworden van het Centraal Comité van de WCC – bij deze afwijzing van grote invloed is geweest. Hij was van mening dat in deze tijd het gereformeerd-presbyteriaal systeem niet zo sterk moet worden geaccentueerd. Ook moet de tegenstelling presbyteriaal-episcopaal niet zo centraal worden gesteld: de kwestie van het ambt moet in breed oecumenisch verband worden bezien.[157]
(b) Het rapport-Berkhof
Het verwondert ons dan ook niet dat Berkhof, bijgestaan door een ‘beraadsgroep’, in opdacht van de synode aan het werk ging om een nieuw rapport te schrijven. Voor de beraadsgroep waren geen vertegenwoordigers van Hervorming en Catholiciteit gevraagd: de groep die de aanleiding had gevormd tot de bezinning op het ambt, was buiten spel gezet.[158] Het rapport-Berkhof, getiteld Wat is er aan de hand met het ambt?, werd in 1968 door de synode aanvaard,[159] maar het is nooit ‘de’ Hervormde ambtsopvatting geworden. Het stuitte op veel kritiek, niet alleen vanuit de Gereformeerde Bond (W. Balke),[160] de Confessionele Vereniging (G.C. van Niftrik)[161], maar ook vanuit de hoek van Hervorming en Catholiciteit (L. Brink) – ondanks de kleine opening naar een bepaalde vorm van episcopaat.[162] In het denken over het ambt binnen de NHK heeft het gedachtegoed van het HC vermoedelijk het minst doorgewerkt. Het gesprek over het ambt, in 1952 begonnen naar aanleiding van de ‘kwestie Loos’, kwam in elk geval in 1968 tot een voorlopig einde, zonder dat aan de intenties van de beweging tegemoet was gekomen.
Afsluiting
Men kan het HC afdoen als een enigszins bizar fenomeen in de naoorlogse geschiedenis van de NHK, men kan er wat lacherig over doen (wat vaak gebeurd is!) en overgaan tot de orde van de dag. Men kan ook zeggen: deze mensen hebben de moed gehad om tegen de theologische en kerkelijke tijdgeest in de vraag naar de katholiciteit van de kerk aan de orde te stellen. Achteraf gezien op een theologisch soms aanvechtbare en op een kerkpolitiek gezien niet altijd verstandige manier, maar wel zodanig dat de kerk er niet omheen kon. Het resultaat is in elk geval dat veel van wat het HC bezielde geïntegreerd is in de NHK – vooral op liturgisch gebied, getuige de verschijning van het Dienstboek, een proeve I (1998) en II (2004).
Maar het thema ‘evangelische catholiciteit’, met name ten aanzien van het ambt van episkopè, is nog steeds actueel, zeker nu de NHK is opgegaan in de PKN en deze kerk de Confessio Augustana in haar confessioneel bestand heeft opgenomen, waarin het bisschopsambt als vanzelfsprekend wordt beschouwd.[163] Het is dan ook te betreuren dat in het jaar 2007, precies 25 jaar na de verschijning van het Limarapport,[164] waarin aan de niet-episcopale kerken gevraagd werd hun staan in de continuïteit van de apostolische traditie te versterken en te verdiepen met het teken van de episcopale successie, de vraag van het Hilversums Convent niet opnieuw is opgepakt. Hoe dan ook, de vraag die P. Staples in zijn boek over de Liturgische Beweging stelde is nog steeds terzake: zal de NHK de uitdaging van een reformed catholicity aandurven?[165] Pas wanneer die vraag in de nieuwe context van de PKN positief beantwoord is, zal recht gedaan zijn aan wat het Hilversums Convent ten diepste bewoog.[166]