Het eerste en het tweede gebod
8e zondag van de herfst (Marcus 12,28-34 en Leviticus 19,1-2.9-18)
De context is niet onbelangrijk bij dit gedeelte uit Marcus. Na twee eerdere leergesprekken (12,13-17 en 12,18-27) horen we hier het derde leergesprek. De gesprekspartner is ditmaal een schriftgeleerde (Gr.: grammateus, 12,28). De leergesprekken volgen op de vraag naar Jezus’ bevoegdheid (Gr.: exousia, 11,28). Marcus’ versie van dit derde leergesprek is veel vriendelijker dan die van Matteüs (22,34-40). Bij Marcus gaat het niet, zoals bij Matteüs, om ‘beproeven’ (Gr.: peirazoo, 22,35), maar om waardering: ‘ziende, dat Hij hun goed had geantwoord’ (12,28, eigen vertaling). Die waardering is uiteindelijk wederzijds.
Terwijl in de eerdere leergesprekken volgens Marcus de gesprekspartners bestaan uit farizeeën, herodianen (12,13) en sadduceeën (12,18), is het nu ‘een van de schriftgeleerden’ (Gr.: eis toon grammateoon, 12,28) die Hem de belangrijke vraag stelt (Gr.: epèrootèsen): ‘Wat is het eerste gebod (Gr.: entolè) van alle?’ In de versie van Matteüs wordt niet gevraagd naar ‘het eerste gebod’, maar naar ‘het grote gebod’ (Mat. 22,36). Bovendien zijn het daar de farizeeën die deze vraag stellen (22,34). Als je bedenkt dat er 613 geboden (mitzwot) zijn in de Tora, waarvan 248 geboden en 365 verboden, dan gaat het in ‘het eerste gebod’ dus om de kern.
Sjema Jisrael
Jezus sluit geheel aan bij de joodse traditie, als Hij op de vraag naar het eerste gebod een antwoord geeft dat refereert aan Deuteronomium 6,4-5. Zo zegt Deuteronomium: ‘Hoor, Israël! – de Ene is onze God, de Ene alleen! Liefhebben zul je de Ene, je God, met heel je hart, met heel je ziel, en met al je macht!’ (NB). In Marcus 12,29-30 zegt Jezus: ‘Hoor, Israël, de Heer is ons God, de Heer is één; liefhebben zul je de Heer, je God, uit heel je hart, uit heel je ziel, uit heel je verstand, en uit heel je kracht’ (NB). Het is interessant om te zien dat in de evangelietekst ‘uit heel je verstand’ (Gr.: ex holès tès dianoias) wordt toegevoegd aan de tekst van Deuteronomium 6,4-5. Noch in de Hebreeuwse grondtekst, noch in de Septuagint wordt dit gevonden.
Zou dat te maken hebben met de nadruk op het denken in de Griekse denkwereld? In het antwoord van de schriftgeleerde zullen we nog een ander opvallend woord zien, het Griekse sunesis, ‘verstand’ of ‘begrip’ (12,33).
In Deuteronomium wordt al snel duidelijk hoe wezenlijk, hoe essentieel dit gebod is. En dat niet alleen voor je hart, niet alleen voor je ziel. Het zou je de hele dag moeten vergezellen: thuis, onderweg, of je neerligt of bij het opstaan. Het zou als een teken op je hand, als een voorhoofdsband tussen je ogen en op de deurposten van je huis moeten staan geschreven (Deut. 6,6vv.). In de joodse traditie kun je dan ook de tekst van het sjema terugvinden in kleine kokertjes op handen, in voorhoofdsbanden en op deurposten. Het sjema wordt wel de belijdenis van het jodendom genoemd.
Het tweede gebod
Kort en krachtig benoemt Marcus meteen het tweede gebod: ‘Tweede is dit’ (12,31 – NB). Het is: ‘Heb je naaste lief als jezelf.’ In Leviticus (19,18b) wordt dit gebod onmiddellijk met de Godsnaam verbonden: ‘Ik, de Ene’ (NB; Hebr.: ani JHWH; LXX Gr.: ego eimi kurios). Dit tweede gebod is helemaal verbonden met JHWH, zoals ook Leviticus 19,1-2 laat zien. Hoe heb je je naaste lief in de praktijk volgens Leviticus 19?
Allereerst gaat het erom dat je iets overhebt voor de arme en de vreemdeling (19,9-10). Verder gaat het om niet stelen, liegen en bedriegen, niet afpersen en roven (19,11.13). Een blinde en een dove moet je goed behandelen (19,14). De rechtspraak moet zuiver zijn (19,15) en je mag niet lasteren (19,16). Ten slotte: je zult niet wraakzuchtig en haatdragend zijn (19,18). Liefhebben als jezelf betekent dus op zijn minst dat je anderen zo behandelt als jijzelf behandeld zou willen worden. Maar het gaat in Leviticus 19 met name om oog hebben voor de arme, de vreemdeling en de zwakke.
Wederzijdse waardering
De waardering van de schriftgeleerde blijkt duidelijk uit de woorden ‘prachtig’ (Gr.: kaloos, 12,32) en ‘naar waarheid’ (Gr.: ep’alètheias, 12,32). Hij parafraseert het eerste gebod en benadrukt daarmee het monotheïsme van het jodendom: ‘Dat Hij één is en geen ander behalve Hem’ (12,32 – eigen vertaling). In vers 33 wordt naast elkaar tweemaal het woord ‘liefhebben’ (Gr.: agapaoo) gebruikt, eerst voor ‘Hem’ (Gr.: auton) en dan voor je ‘naaste’ (Gr.: plèsion, zoals in 12,31). Liefhebben is het kernwoord. De schriftgeleerde vergelijkt de geboden met brandoffers en rookoffers. Op de achtergrond kun je daarbij denken aan Hosea 6,6, waar God ‘liefde wil, geen offers’ en waar ‘met God vertrouwd zijn meer waard is dan enig offer’ (NBV21). In 1 Samuel 15,22 wordt ‘gehoorzaamheid’ belangrijker (‘beter’) gevonden dan offers (NBV21).
Jezus, ‘hem ziende, dat hij verstandig geantwoord had’ (12,34 – eigen vertaling), geeft als antwoord: ‘Je bent niet ver van het Koninkrijk Gods’ (NB). In het Koninkrijk Gods worden de geboden van de Tora (na)geleefd, zoals Jezus heeft laten zien. Liefhebben staat er centraal.
Na dit gesprek durft niemand meer iets te vragen (Gr.: eperootaoo, 12,34, vgl. vs. 28). Jezus komt wel zelf aan het woord in de volgende verzen, waar het ‘messiasgeheim’ als het ware wordt onthuld (12,35-37).
Deze exegese is opgesteld door Willemien Roobol.