Het gebod van de liefde
Bij Johannes 15,9-17(20)
Vandaag het vervolg van Jezus’ woorden rond de (werking van de) wijnstok. In de eerste acht verzen van Johannes 15 – dat natuurlijk het beste in zijn geheel gehoord kan worden – gaat het eerst over de relatie, het vastzitten van de ranken aan de wijnstok, en de mogelijkheid om losgesneden te worden, los te raken. Maar vervolgens ook over de concrete toepassing van dit beeld van de wijnstok, de wijngaardenier, de ranken, die gelegen is in het onderhouden van het woord van Jezus zelf, of dat Jezus zelf is (zie de meditatie Johannes 1). De relatie, verbondenheid tussen de leerlingen en Jezus, tussen de leerlingen en de Vader en tussen Jezus en de Vader, wordt getypeerd als het onderhouden van het woord. Het woord dat Jezus is en spreekt en dat van de Vader komt.
Vandaag wordt het beeld verder uitgediept met de opmerking, dat de ranken niet alleen het beste gedijen wanneer ze verbonden blijven met de wijnstok, maar dat de liefde die de Vader aan deze Zoon heeft geschonken het levendmakende sap is dat het geheel wasdom geeft.
Liefde is het doen van de geboden
De verzen 9 en 10 tekenen nogmaals de eenheid van de Vader en de Zoon, van deze mens Jezus met de Eeuwige, als een liefdesrelatie. De liefde is het uitgangspunt. De Vader heeft zijn liefde geschonken aan de zoon. En allen die willen delen in de relatie, zullen ook door die liefde en vanuit die liefde leven. Die liefde is geen vaag begrip of emotioneel gevoel, geen bevlieging of sleur, het is een effectieve liefde die telkens wordt gevoed door het onderhouden van de geboden, het doen van de Tora. Daardoor wordt de liefde zichtbaar, effectief. Want de geboden, de woorden zelf, zijn vervuld van liefde. Het zijn aanwijzingen, gratis adviezen, beproefd door de Eeuwige zelf, die vanuit het vruchtbeginsel van de liefde worden aangereikt. Het kan niet anders dan dat je door deze adviezen op te volgen, verbonden zult blijven met Jezus en door Hem met de Vader: ‘Wanneer je je houdt aan mijn geboden, dan zúl je in mijn liefde blijven – evenals Ik mij steeds heb gehouden aan mijn Vaders geboden en zo in zijn liefde blijf’ (zo vertaalt M. van der Zeyde).
Eerste en laatste wilsbeschikking
Waar zijn we ook alweer? We zitten aan de maaltijd, op de avond voor Jezus’ lijden. De Pesachmaaltijd wordt gevierd, de bevrijding uit het land van de dood presentgesteld. Het teken van de ultieme dienstbaarheid – de voetwassing – is zichtbaar gemaakt. Als voorbeeld, opdat de leerlingen zich ook zo ten opzichte van elkaar en anderen gaan gedragen. Daarnaast spreekt Jezus zijn vrienden toe met woorden die ze niet licht zullen vergeten, over de ware wijnstok, over de wijngaardenier, over de liefde. ‘Dit alles heb Ik tot jullie gesproken, opdat mijn blijdschap in jullie zal leven en jullie blijdschap haar volheid bereikt’ (15,11). Geen verdriet, geen droefenis. Blijdschap! Niet alleen de woorden (die gedaan moeten worden), niet alleen de liefde (die door die woorden bewezen wordt), maar ook de blijdschap tekent de relatie. ‘Mijn blijdschap is jullie blijdschap, ja bereikt in jullie haar volheid!’
En dan valt in vers 12 opnieuw het woord ‘opdracht’, ‘gebod’. ‘En dan is dit de opdracht die Ik je geef: hebt elkander lief, zoals Ik jullie heb liefgehad’ (zo M. van der Zeyde), of ‘Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben zoals Ik jullie heb liefgehad’ (zo NBV 2004). De nadruk ligt op ‘míjn’. Alsof Jezus zich hier onderscheidt van de Vader. Wat natuurlijk niet zo is, maar de omstandigheid – zijn laatste woorden – en zijn relatie met deze concrete vrienden doen Hem nog een keer de zaak helder stellen. Een zaak die Hij al eerder aan de orde had gesteld, namelijk direct na het teken van de voetwassing. Daar spreekt Jezus trouwens over een ‘nieuw’ gebod (13,34), ofschoon er niets nieuws is aan dat aloude gebod (Lev. 19,18), om elkaar, God en je naaste lief te hebben.
Vriendschap door de dood heen
Vanaf vers 13 wordt de liefde, het gebod dat de relatie tussen Jezus en zijn leerlingen, tussen Jezus en de Vader en tussen de leerlingen en de Vader aanduidt, nader getypeerd als ‘vriendschap’. Die vriendschap overstijgt de grens van leven en dood, want nu gaat het over ‘je leven inzetten’. Dat doet Jezus en dat gaat ook op voor zijn relatie met de leerlingen na Pasen, wanneer Hij hen op de avond van de eerste dag van de week weer – nieuw – ziet (Joh. 20). Dat doet ook de goede herder: zijn leven inzetten voor zijn schapen en het voor hen opnemen tegenover de wolf. In heel dit vierde evangelie gaat het in alles altijd over alles. Ook over de eenheid van Jezus met zijn vrienden: ‘Ik noem je geen dienstknechten meer, jullie heb Ik de naam vrienden gegeven’ (15,15). Alles wat Hem overkomt, zoals de wereld die Hem haat, zal hun overkomen. Zij zullen hun eigen leven in dat van Hem herkennen. En ze zullen het alleen maar kunnen volhouden, hun twijfel en angst overwinnen, als ze zich geheel en al in Hem weten: dat ze leven door de liefde waarvan God de oorsprong is en die Hij hun van den beginne en opnieuw door Jezus geschonken heeft. Daarmee heeft Hij hen deelgenoot gemaakt aan het leven met de Eeuwige, het eeuwige leven. Want dat is ‘dat zij U kennen, Vader’, in ditzelfde grote gesprek aan tafel, als slotgebed door Jezus gebeden (17,3).
Vriendschap die blijft, onopgeefbaar. Vruchtdragend, zoals ranken verbonden met de wijnstok, hoewel teruggesnoeid (15,2), blijvend vrucht dragen, door het doen van de geboden en het doen van de liefde. Zo zal de blijdschap, de vreugde van Pasen, haar volheid bereiken (15,11).
Wie nog een aanvulling wil op deze woorden uit het evangelie over vriendschap en liefde, kan opnieuw terecht bij de johanneïsche traditie door uit de Eerste Brief van Johannes te lezen (4,7-21). Deze spreekt uit dezelfde geest en komt wellicht uit dezelfde pen.