Het komende rechtsgeding
Bij Openbaring 14,1-7(8), Jakobus 1,17-21 en Johannes 16,5-15
De evangelielezing is een fragment uit de lange rede die Jezus volgens Johannes heeft gehouden aan tafel, tijdens het laatste besloten samenzijn met de leerlingen voor zijn dood. Die rede begint in hoofdstuk 13 vanuit de voetwassing en het vertrek van Judas, en wordt daarna alleen van tijd tot tijd door vragen of opmerkingen van de leerlingen onderbroken. Ze loopt uit op het ‘hogepriesterlijk gebed’, dat heel hoofdstuk 17 in beslag neemt.
De Geest van God als ‘parakleet’, waarover het in het ingeroosterde fragment gaat, is al in Johannes 14,16 geïntroduceerd. Daar wordt hij ‘een andere parakleet’ genoemd, waarmee gesuggereerd wordt dat Jezus zelf tot dan toe die rol voor zijn leerlingen vervulde – tenzij men leest ‘een ander, namelijk de parakleet’.
De pleitbezorger
Die term uit de antieke rechtspraak wordt in de NBV adequaat weergegeven met ‘pleitbezorger’. Het gaat om iemand die in een geding voor je opkomt, in jouw voordeel spreekt. In de moderne rechtspraak, waar alle rollen geheel geformaliseerd zijn, valt deze rol aan de advocaat toe. In een antiek geding zijn deze rollen niet per se professioneel bezet. Zoals stam- of stadsoudsten – of de koning of de gouverneur, al naar gelang – geacht worden als rechter op te treden, treedt bij de betreffende gelegenheid iemand als aanklager (Hebr.: sathan, Gr.: diabolos) op en hopelijk iemand anders als pleitbezorger van de beklaagde – de parakleet. Er is wel beweerd dat die rollen naar onze huidige maatstaven het meest lijken op de ‘getuige à charge’ versus ‘getuige à décharge’.
Ik heb altijd geworsteld met die lastige drieslag in de verzen 8-11 van Johannes 16: dat de parakleet de wereld ‘zal overtuigen omtrent zonde, omtrent gerechtigheid en omtrent oordeel’ (in het Grieks driemaal het voorzetsel peri). Vooral bij de uitwerking in de volgende drie verzen lijkt het of er drie ongelijke grootheden in het spel zijn, zonder inzichtelijk verband: bij ‘zonde’ hoort ‘dat ze niet in Mij geloven’; bij ‘gerechtigheid’ hoort ‘dat Ik naar de Vader ga en jullie Me niet meer zullen zien’; en bij ‘oordeel’ hoort ‘dat de overste van deze wereld geoordeeld is’.
Christus in het gelijk gesteld
Hier helpt het om het beeld van de pleitbezorger in een rechtsgeding voor ogen te hebben. Opkomend voor de beklaagde moet hij aanwijzen wie volgens hem in het ongelijk staat (‘zonde’), zeggen wie in het gelijk staat (‘gerechtigheid’), en verklaren wat de uitkomst van het geding zou moeten zijn (‘oordeel’). Uit die drieslag bestaat als het ware de pleitrede. Misschien is dan wel het meest opmerkelijke dat de leerlingen van Jezus zelf in die pleitrede helemaal niet in het spel zijn. Hun tegenspelers worden in het ongelijk gesteld omdat ze zich niet in geloof met Christus verbinden; het ‘verdwijnen’ van Christus (dat Hij weggaat en niet meer gezien wordt) is in de pleitrede geen teken van afgang of verlies, maar het onderstreept zijn gelijk in het geding: Hij gaat naar de Vader. Per saldo trekt de overste van de wereldmachten aan het kortste eind.
De pleitbezorger neemt het niet op zo’n manier voor de volgelingen van Jezus op dat hij de kerk in haar gelijk stijft. Hij wijst het gelijk toe aan Christus, die ook zij (wij) niet meer zien. Om deel aan dat gelijk te hebben, moeten leerlingen van Jezus het omgekeerde doen van degenen die ongelijk krijgen: ze moeten wél in Christus geloven, dat wil zeggen, zich met Hem verbinden, tegenóver de ‘overste van deze wereld’. Maar het gelijk krijgen ze niet in pacht, dat is met Christus bij de Vader ondergebracht. Dat is een belangrijke les voor de gemeente op weg naar Hemelvaartsdag. De Geest van Christus zal voor ons ten beste spreken, maar niet door het historische gelijk bij ons te leggen!
De Jakobuslezing, die in dit oeroude leesrooster wel wat karig geknipt is, sluit hier mooi bij aan: al het goede komt van boven en daarom is luisteren (ontvankelijkheid) geboden, in plaats van het doorzetten van je eigen grote gelijk of het uitleven van je eigen verontwaardiging over de wereld – zo parafraseer ik nu maar even. We zijn als gemeenschap een filiaal van de hemel dat voortdurend zal moeten terugkoppelen met die plek waarop wijzelf nog geen vat hebben.
Een eeuwig evangelie
De lezing uit Openbaring neemt in het oude leesrooster de plaats in van de profetenlezing. Omdat het ook hier over oordeel gaat, is het aantrekkelijk om de tekst naast het ‘geding’ uit Johannes 16 te leggen, en te bezien hoe het in de Openbaringtekst verdeeld is wat betreft gelijk, ongelijk en eindoordeel. Dan hangt het er wel erg van af hoe je de perikoop snijdt. Openbaring 14 vers 8, over Babylon, leest gemakkelijk als een parallel met de ‘overste van deze wereld’ die in Johannes al geoordeeld is. De vrijgekochten, geordend in twaalf keer twaalf keer duizend als een Israël in het kwadraat, staan om het Lam geschaard als degenen die uiteindelijk gelijk hebben gekregen – het gelijk van de weerloze liefde, van het Lam. Dat is dus geen schetterend gelijk vol leedvermaak voor het volk aan de overkant.
Hoe zit het in Openbaring 14 dan met het ongelijk? Binnen de ingeroosterde perikoop wordt over alle volken nog altijd ‘een eeuwige goede boodschap gegoedeboodschapt’ (vers 6). Zouden we de lezing laten doorlopen, dan komt ook het ‘wee’ aan de orde voor wie op het verkeerde paard wedt. Blijkbaar wilden ook de roostermakers van ver vóór Luther graag voorkomen dat de streep tussen de mensen met het eeuwige gelijk en ongelijk al hier en nu zou worden getrokken. Die engel in het hemelmidden (vers 6) met zijn bevrijdende woorden, die houden we zo lang mogelijk in de lucht.