Menu

Premium

Het licht (ver)schijnt ook voor de volkeren

Epifanie (Jesaja 60,1-6, Psalm 72, Efeziërs 3,1-12 en Matteüs 2,1-12)

In Psalm 72,10-11 wordt verteld dat koningen uit de volkeren zullen neerbuigen voor ‘de koning(szoon)’ met geschenken. In Jesaja 60,3.6 wordt verteld hoe de volkeren naar Sions stralende licht komen met hun koningen en met goud en wierook, in Matteüs 2 gaat het echter niet over ‘koningen’, maar over ‘wijzen’ of ‘magiërs’ die achter het licht van een ster aangaan om een pasgeboren koningskind te vinden. Maar zonder de Schrift komen ze er niet. Ook Paulus betrekt de volkeren erbij (Ef. 3,1-12).

In het oude Midden-Oosten bestond een hoogstaande wetenschap van sterrenkunde (astronomie) en van sterrenwichelarij (astrologie). Deze oude wetenschap wordt in Matteüs 2 in dienst genomen van het verhaal van de Eeuwige. Magiërs (Gr.: magoi – NBV21, NB), geleerden op het gebied van de sterren, komen aan in Jeruzalem op zoek naar een nieuwgeboren koning (2,1), want zij hebben ‘zijn ster gezien in het Oosten’ (2,2). Je kunt erom lachen, maar je kunt je ook verwonderen over de sterrenpracht van het heelal: zijn al die sterren niet ‘het werk van uw vingers’ (Ps. 8,4 – NBV21)? Het blijft verrassend dat deze mensen zich door een ster laten leiden om op weg te gaan naar een nieuwgeboren koning. Die willen ze ‘aanbidden’ (NBV21), ‘huldigen’ en ‘hulde bewijzen’ (NB; Gr.: proskuneoo – 2,2.11, vgl. 2,8).

Dit herinnert aan het ‘neerwerpen voor hem’ in Psalm 72,11. Misschien is het ook een verwijzing naar de profetie van Bileam: ‘Een ster gaat op uit Jakob’ (Num. 24,17).

Kennis van de Schriften

Vanuit de algemene kennis van deze wereld zou je een nieuwgeboren koning ‘natuurlijk’ in Jeruzalem verwachten. Dat is immers de koningsstad met paleizen en een tempel. De geleerden komen aan in Jeruzalem ‘in de dagen van koning Herodes’ (2,1 – NB). Herodes blijkt van niets te weten en hij ‘schrok hevig’ (NBV21), ‘is geschokt’ (NB; Gr.: etarachthè) en heel Jeruzalem met hem (2,3). Dat is niet zo vreemd, want ze wisten nog niets van een nieuwgeboren koning. Voor verrassende dingen kun je het best de schriftgeleerden om uitleg uit de Bijbel vragen, dat weet Herodes als koning van Israël. De boekrol van de profeet Micha wordt geraadpleegd. Daarin wordt de plaats ‘Betlehem in Juda’ (2,5.6; vgl. 2,1) in verband met de geboorte genoemd.

Opvallend genoeg heeft Micha het niet over de verwachting van een ‘koning’, maar van een ‘leidsman’ (Mi. 5,1). Het woord ‘koning’ is besmet geraakt door de zittende koningen uit Tenach. Ook de huidige zittende koning, Herodes, blijkt in de loop van het verhaal niet aan de verwachtingen van een koning van God te voldoen. Bij de verwachte ‘leidsman’ in de profeet Micha gaat het om ‘het weiden van mijn volk Israël’ (Mi. 5,1; Mat. 2,6). In de stad Betlehem begon David ooit als herder. Herderschap zal deze nieuwe ‘leidsman’ ook kenmerken, zoals eens David (2 Sam. 5,2).

In het geheim

De wijzen met hun universele geleerdheid hebben de bijzondere bijbelse kennis van de schriftgeleerden nodig om de plaats van de nieuwgeboren koning te vinden. Omgekeerd zouden de overpriesters en de schriftgeleerden (2,4) iets kunnen leren van het enthousiasme en de eerbied van de magiërs. Waarom gaan de overpriesters en de schriftgeleerden niet mee naar Betlehem? Wie er wel (snode) plannen heeft om naar Betlehem te gaan, is koning Herodes. Dat is niet helder en open, want Herodes roept ‘in het geheim’ (NBV21), ‘in het verborgene’ (NB; Gr.: lathrai – 2,7) de wijzen bij zich. Dit heimelijke staat in tegenstelling met de heldere ster en met de ‘epifanie’ (Gr.: epifaneia), de verschijning van het kind voor de volkeren (Hebr.: gojim).

Grote vreugde

Opnieuw wijst ‘de ster, die zij in het oosten gezien hadden’ (2,9) de magiërs de weg. Schrift en universum werken samen. ‘Zij verheugden zich met zeer grote vreugde’ over het opnieuw verschijnen van de ster (2,10). De ster (Gr.: astèr) is een themawoord, het komt in totaal driemaal voor (2,2.9.10). In het huis zien ze ‘het kind met Maria, zijn moeder’ (2,11). Er is sprake van grote eerbied: ‘ze vielen neer’ en ‘aanbaden hem’ (zoals ze van plan waren, vgl. 2,2). Dit hele verhaal herinnert aan Jesaja 60,1-6 en aan Psalm 72,10-11.

De ‘schatten’ die de wijzen meebrengen (goud, wierook en mirre), herinneren in het bijzonder aan Jesaja 60,6 (goud en wierook) en Psalm 72,15 (goud). Goud wordt wel gezien als koninklijk geschenk. Wierook gaat om de religieuze, goddelijke kant van Jezus. Matteüs spreekt echter ook over een derde geschenk: mirre. Dit is een heerlijk ruikend soort gom of hars. Het wordt gebruikt om een overledene te zalven (Joh. 19,39). Dit derde geschenk verwijst naar de begrafenis van Jezus. Bij Epifanie denkt Matteüs ook al aan Pasen.

Dreiging op de achtergrond

Zoals we gehoord hebben, klinkt bij alle vreugde op de achtergrond de dreiging door van de zittende koning Herodes. Niet alleen heeft deze koning de wijzen ondervraagd over het tijdstip ‘dat de ster verschenen was’ (2,7). Ook wil Herodes dat ze ‘nauwkeurig navraag doen naar het kind’ (2,8) en hem verslag doen, ‘opdat ik ook kom om hem te aanbidden’ (Gr.: proskuneoo – 2,8). De wijzen krijgen nu echter een ‘godsspraak’ (Gr.: chrèmatisthentes – 2,12, eigen vertaling; vgl. Luc. 2,26).

Andere vertalingen van dit woord zijn ‘gewaarschuwd’ (NB) en ‘omdat ze de aanwijzing hadden gekregen’ (NBV21). Dit gebeurt ‘in een droom’. Het gaat erom dat ze ‘niet terugkeren’ (Gr.: mè anakampsai – 2,12) naar Herodes. De vreemdelingen nemen de godsspraak serieus en ‘wijken uit’ (Gr.: anechoorèsan – 2,12). Ze gaan langs een andere weg terug naar hun land. Meteen daarna zal ook Jozef een droom krijgen om hem te waarschuwen (2,13). Deze nieuwgeboren ‘leidsman’ is een bedreiging voor alle bestaande machten door de eeuwen heen.

Deze exegese is opgesteld door Willemien Roobol.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken