Het lied van mijn lief en zijn wijngaard
3e zondag van de herfst (Jesaja 5,1-7)
In Jesaja 5,1-7 zingt een geliefde in energieke, agrarische en beeldende taal. Taal die je in het boek Hooglied verwacht. Een wijnbouwer zwoegt zwetend voor zijn druiven. De oogst valt vies tegen. De bittere teleurstelling van de wijnbouwer slaat om in juridische taal van oordeel. Cultuur wordt verwildering, schepping wordt chaos. Ten slotte duidt Jesaja de metafoor en trekt deze door naar het geleefde leven: als je een liefdesband met de God van het recht aangaat, verwacht Hij recht. Maar Hij vindt onrecht.
Jesaja 5,1-7 is een liefdeslied waarin de krachtige metafoor van de wijngaard centraal staat. Het is een zelfstandig tekstgedeelte. Vanuit het slotvers weet de hoorder dat de HEER de geliefde wijnbouwer is en Israël de wijngaard. Degene die zingt is de profeet Jesaja. Jesaja 5 staat in de literaire context van Jesaja 1–12. In dit deel staan oordeel over Israël en uitzicht op redding centraal. Het oordeel is een rechtsgeding dat opkomt uit het verbond tussen God en Israël. Israël houdt zich niet aan het verbond. God is ontdaan door het sociale onrecht dat de politieke leiders in Israël begaan en toestaan.
De literaire structuur van het lied is het eenvoudigst te doorgronden door te kijken naar de spreker en de functie van zijn bericht. In vers 1a introduceert de profeet het lied. Vers 1b-2 is een verhalend begin. De profeet bezingt hier als verteller het zorgvuldige zwoegen van de wijngaardenier. In vers 3-4 laat de verteller het kernpersonage van het lied spreken: de wijnbouwer zelf spreekt zijn gekrenkte verwachtingen uit. In vers 5-6 vervolgt hij met zijn plannen van afbraak. In het slotvers, vers 7, sluit de profeet het lied af met een duiding van de metafoor.
Zwetend zwoegen
Het lied van de wijngaard geeft een inkijkje in het landbouwleven in de tijd van Jesaja. De wijngaardmetafoor zal de Judeeërs hebben aangesproken. In Juda groeiden veel druiven, zodat de eerste hoorders delen van het lied wel aan den lijve ondervonden zullen hebben. De bezongen agrarische handelingen laten de alomvattende zorg en verregaande investeringen van de wijnbouwer zien.
Eerst kiest de wijnbouwer de beste grond uit. De uitdrukking ‘op een hoorn van een zoon van olie’ (5,1) geeft aan dat de wijngaard geplant werd op vruchtbare grond. De hoorn kan daarnaast ook de vorm van de wijngaard aanduiden, die mogelijkerwijs terrasgewijs gelegd werd, met druiven over de grond en muren. Daarnaast blijkt uit het cultiveren van de grond en het verwijderen van de stenen het zwetend zwoegen van de wijnbouwer. Door de vele stenen was dit immers zwaar werk. Het bouwen van een wachttoren toont de zorgzaamheid van de wijnbouwer en zijn duurzame bedoelingen. In het uithouwen van de perskuip ten slotte zien we de verwachting van een goede oogst.
Schepping wordt chaos
In 5,3-4 verandert de persoonsvorm. De taal heeft wat weg van die van een aanklager in een rechtszaal. Wanneer de wijngaardenier – dat is God – de inwoners van Jeruzalem en het volk van Juda oproept om te oordelen tussen Hem en zijn wijngaard, dan vraagt Hij hun eigenlijk om recht te spreken over zichzelf. Daarmee lijkt de vraag op een oproep tot inkeer of bekering. In hedendaagse termen: een oproep tot zelfreflectie. Op vergelijkbare wijze confronteert Natan David met zijn zonden (2 Sam. 12,1-10). In vers 4 wordt de impliciete vraag expliciet gemaakt. Het onderstreept wat al duidelijk was: de mislukking ligt niet aan de eigenaar. Het gebruik van het werkwoord ‘verwachten’ (Hebr.: qawah) laat de veranderde en voortgaande situatie zien: in 5,2 een imperfectum, in 5,4 een perfectum.
De verzen 5-6 geven vervolgens een omkering van de verzen 1b-2. De schepping verandert in ‘chaos’ (Hebr.: batah). De wijnbouwer besluit niet alleen de wijngaard te laten verloederen, maar zelfs die bewust te vernietigen. Dragende en beschermende delen zoals de haag en de muur worden weggehaald. De wolken zullen beter luisteren naar de wijnbouwer dan de druiven: Hij verbiedt hun het gebied nog te beregenen.
Achterliggende situatie
Jesaja 5 stamt uit de regeringstijd van koning Jotam (742-735 v.Chr.). Zijn zestienjarige regeringsperiode kenmerkte zich door de combinatie van welvaart en bittere armoede (cf. 2 Kon. 15). Bovendien tolereerde hij afgodenplaatsen. De profeet Jesaja kaart het sociale onrecht aan, dat met name veroorzaakt wordt door een corrupte elite (cf. Jes. 7). Daarnaast zien we in deze tijd de expansiedrift van de Assyrische koning Tiglat Pileser, die sinds 745 aan de macht was. In de dreigende situatie die daardoor ontstond, zocht het kleine koninkrijk Israël bescherming bij Egypte, een keuze die gezien de exodusgeschiedenis zeer gevoelig lag (cf. Jes. 30). Ten slotte kwamen Noord- en Zuid-Israël tegenover elkaar te staan, waardoor het oude messiaanse geloof in de davidische dynastie in de knel kwam.
De verwoesting van de wijngaard wordt wel in verband gebracht met de ballingschap, maar die vond pas ongeveer 144 jaar later plaats. De eerste hoorders van Jesaja’s lied hebben deze ballingschap niet meegemaakt. Ook Psalm 80 legt een verband tussen de metafoor van de wijngaard en de ballingschap, maar daar is de uitwerking anders. Wel zien we ook daar hoe God, sociale omstandigheden en politieke keuzes op elkaar betrokken worden.
Jesaja sluit af met een uitleg van het lied (5,7). De mannen van Juda worden ‘plant van mijn vreugde’ genoemd. Dat Juda een plant is, laat zien hoe innig Juda en God verbonden zijn. De rijm en parallellie in het Hebreeuws onderstrepen het contrast tussen de verwachting en de uitkomst. De HEER verwachtte recht en gerechtigheid, maar er kwam onrecht en hulpgeschreeuw. In het vervolg beschrijft Jesaja in een zesvoudig wee het sociale onrecht (5,8-24) en de straf die daarop volgt (5,25-30).
Deze exegese is opgesteld door Lydia de Kok-Meeuse.