Bij Jeremia 31,31-34 en Johannes 12,19-33Een van de lichtpuntjes van hoop in de donkere profetieën van Jeremia luidt: ‘Zie, er komen dagen (…) dat ze niet langer hoeven te onderwijzen – ieder aan zijn naaste en ieder aan zijn broeder – en te zeggen: ‘Ken de Heer!’ want iedereen ként Hem, van groot tot klein’ (Jer. 31,34). Zie ook Jeremia 4,4, waar het gaat om de besnijdenis van het hart. Het ideaal van de profeet lijkt dus een situatie te zijn waarin de Wet niet meer als uitwendige dwangbuis wordt ervaren, maar als een gezegende toestand van het hart: ‘niet
Het volledige Premium-artikel lezen?
Dit artikel is voor Premium-leden.
Log in en lees onbeperkt alles op Theologie.nl. Nog geen lid?
Krijg toegang tot ruim 11.500 artikelen, waaronder verdiepende vakinhoud, preekschetsen, exegeses, kindermomenten en preekvoorbeelden.
Bekijk Premium >
InloggenLid worden