Menu

Premium

Hoe het heil in de preek wordt bemiddeld

Dit is hoofdstuk 7 uit ‘Marginaal en missionair’ van dr. W. Dekker.
Het complete boek is als e-book verkrijgbaar.

De preek is van vitaal belang voor de heilsbemiddeling. Daarom dient ze in het protestantisme weer de oorspronkelijke centrale plaats te krijgen, constateerden we in het vorige hoofdstuk. De preek is niet maar een toespraak van één of andere bijbelgeleerde. Het is God zelf, die het Woord neemt, door de mond van de prediker.

Spreken met verwachting

Om tot een herwaardering van de preek te komen moeten we ons grondig bezinnen op onze hermeneutiek. Lezen en interpreteren we de Bijbel als een verzameling teksten die tot historie zijn verklaard, en vervolgens moeten worden toegepast? Of beschouwen we de Bijbel als neerslag van het levende Woord van God, dat steeds opnieuw levend kan worden door de bemiddeling van de verkondiging? Wanneer dat laatste zo is, dan heeft de predikant een belangrijke bemiddelende functie en moet hij zoeken naar een dialogisch model, waarin de woorden van God en de leefwereld van vandaag voortdurend met elkaar in gesprek zijn. Bemiddeling is niet dat er iets op de kerkgangers neerdaalt, zonder dat ze zich daar bewust van zijn, bemiddeling vraagt juist dat ze er met hun hele bestaan in betrokken worden. Dat gebeurt doordat dat bestaan in al zijn facetten in de ontmoeting met God ter sprake wordt gebracht. Dat is een hoge inzet, maar met minder kunnen we niet toe.

De herwaardering van de preek vergt om te beginnen dat de voorganger op de kansel staat in de overtuiging door God zelf geroepen te zijn in de heilsbemiddeling. Na het gebed om de opening van het Woord en de leiding van de Heilige Geest mag hij verwachten dat zijn woord tot Woord van God wordt, dat mensen reëel door Hem worden aangesproken. Deze bemiddeling geschiedt niet automatisch.

De voorganger kan dat geheim niet zelf tot stand brengen, evenmin als de priester ex opere operato het sacrament kan bewerken zodat wijn en brood het lichaam van Christus worden voor degene die dit tot zich neemt. Het is een mysterie, dat geen mens in eigen hand heeft. Echter méér nog dan de priester bij de bediening van het sacrament, kan een predikant onbedoeld hindernissen opwerpen, die de bemiddeling blokkeren of belemmeren. Zelfs als de preek goed functioneert, zodat hoorders zich aangesproken weten en de relevantie van het evangelie voor hun leven inzien, spreekt God daardoor niet automatisch en komen mensen niet automatisch tot geloof. Dat blijft het geheim van de Heilige Geest, die het geloof in de harten werkt. Niemand heeft dat geheim in eigen beheer.

Het begint dus bij een ontvankelijke basishouding, de verwachting dat God door zijn dienaar wil spreken. Wanneer die er is, blijkt dat uit alles wat hij of zij in de dienst zegt, van de eerste tot de laatste zin. Zeker blijkt het in het gebed om de opening van het Woord en de verlichting door de Geest. Dat gebed moet een eenvoudig en diep afhankelijk smeekgebed zijn zonder teveel omhaal van woorden. Ik betrap mezelf er nogal eens op, dat ik dit gebed misbruik als een soort voorschot op de preek. Dan ben ik te vol van mezelf en van wat ik wil zeggen in plaats van te beseffen dat de woorden mij gegeven moeten worden. Het gaat hier om de vraag naar het meest essentiële: spreek Gij zelf in mij het rechte Woord en stel ons in de ware luisterhouding. Spreek Heer, wij uw knechten horen. In het besef dat alles wel in gereedheid is gebracht, ontbreekt ons één ding: dat U zelf komt en ons opzoekt en door de woorden heen tot ons spreekt.

Horen met verwachting

Het is van groot belang dat de gemeente op haar beurt ook in die verwachting leeft. Bij veel gemeenteleden is dit besef afwezig of te veel weggezakt. De kerkdienst staat niet meer onder de hoogspanning van de heilsbemiddeling, maar is vermenselijkt en verburgerlijkt: we hebben een fijne dienst met elkaar, de kinderen doen ook nog wat en na afloop drinken we koffie. Daar is niets mis mee, maar wanneer het sociale aspect van de dienst gaat overheersen, wordt de heilsbemiddeling belemmerd.

Het kan ook zijn dat de persoon van de voorganger te veel centraal staat. Hoeveel ruimte is er voor de Geest om iets onverwachts tegen ons te zeggen, wanneer wij uitsluitend naar de voorganger van onze keuze gaan, zoals in de brede protestantse kerk nog heel veel gebeurt? Er is weleens voor gepleit om niet meer in het kerkblad af te drukken wie de voorganger is. Dat voorstel heeft het bijna nergens gehaald. Wanneer het zou gebeuren, zou het protest niet van de lucht zijn. Merkwaardig is dat. Het geeft aan hoe wij als protestanten ter kerke gaan. Zijn we echt gericht op het eigenlijke, de bemiddeling van Gods Woord en daarmee het geheim van Gods aanwezigheid in ons midden?

Wanneer in de gemeente niet de verwachting leeft dat op de golflengte van de hemel wordt uitgezonden, maar dat het gebeuren van de verkondiging een meer aardse uitzending is, dan loopt de predikant het gevaar daarin mee te gaan. Omgekeerd geldt dat ook: als de predikant in zijn bidden en spreken niet laat merken dat hij iets bijzonders verwacht, dan zal de gemeente dat ook niet doen. Beide verwachtingen beïnvloeden elkaar.

In gesprek met predikanten over dit thema valt me op dat dit bewustzijn inzake de heilsbemiddeling eerder latent aanwezig is dan dat het vooropstaat. Wanneer hun tijdens cursussen over de prediking gevraagd wordt naar het belang van de preek, dan komen er antwoorden als: de gemeente moet leven bij het Woord van God, ze moet leren uit de Bijbel; alleen Gods woorden zijn belangrijk, we moeten die elke keer weer horen, als bemoediging, troost, vermaning. Dat is allemaal waar, maar het meest essentiële wordt niet genoemd, namelijk dat God zichzelf tijdens de preek bemiddelt.

Doordat dat besef niet prominent aanwezig is, komt de prediking meer te liggen op het vlak van onderwijs, catechese, uitleg, bijbelkennis, moraal, regels voor het leven. Preekanalyse tijdens cursussen van Areopagus (www.areopagusizb.nl), brengt voortdurend aan het licht dat een groot deel van de preek bestaat uit onderwijs, parafrase van het bijbelgedeelte of beschouwingen over het leven, een klein deel bestaat uit pastorale bemoediging en maar een heel klein deel is verkondiging in de pregnante betekenis van het woord: het present stellen van het heil in het midden van de gemeente.

Verlangen naar de ontmoeting met God

Op 16 april 1961 hield K.H. Miskotte een indrukwekkende preek in de Willem de Zwijgerkerk te Amsterdam met als thema: ‘Als het verlangen sterft’. De preek is mede geboren uit zijn verontrusting over hetgeen verteld was op de ‘Hervormde toogdag’ op 22 maart 1961, waar het thema luidde: ‘Hoe wordt de kerkdienst een feestelijk gebeuren?’

Miskotte is verbijsterd over de vraag en nog meer over de antwoorden, die daar werden gegeven, terwijl het toch keurige antwoorden waren, in de geest van dat er meer gemeenschapsbeleving in de kerkdienst moest komen en zo. Miskotte is echter al verbijsterd over de vraag zelf. Wanneer we een toogdag over deze vraag menen te moeten organiseren, dan is er volgens hem al iets heel grondig mis. Hij zegt dan in dit verband het volgende: ’“Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God. Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God. Wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen?” Hoe dwaas, hoe overdreven, hoe hol van pathos moet dat klinken voor degenen, die de vraag overwegen of ze met plezier, met veel of weinig plezier, naar de kerk gaan. En hoe dwaas, hoe overdreven moet het in die sfeer klinken om te zeggen wat wij gezongen hebben:

O Heer, mijn ziel en lichaam hijgen
En dorsten naar U in een land,
Dat dor en mat van droogte brandt,
Waar niemand lafenis kan krijgen.

… Mijn vrienden, waarom gaan wij niet met plezier naar de kerk? Omdat het verlangen sterft. Omdat wij eigenlijk nooit meer in nood zijn. Omdat de dood huist in ons binnenste. Maar o! als wij doden ontwaken…Ik geloof dat dat wel eens gebeurt. En dan komen we niet met verwilderde ogen naar boven, maar bijna onmiddellijk met vrolijke ogen’.

Verderop in de preek zegt hij dan nog het volgende: ‘Waarom ga ik naar de kerk, ook als de dominee me eigenlijk niet verwant is? En ook als het orgel niet zo bar is? Ik ga naar de kerk omdat ik als gelovige ongelovig ben. Ik ga naar de kerk, omdat wat ik geloofd heb, dat geloof ik niet meer. Ik heb er tenminste niks aan. Ik ben het finaal kwijt. En dan moeten we natuurlijk niet een soort methodiek van zelfverwerping, een methodiek van zwartgalligheid, een methodiek van depressie over de kerkdienst heen leggen. Er zijn andere naturen. Er zijn mensen met een makkelijker leven, althans een makkelijker geestelijk leven. Daar willen we niet over oordelen. Maar wanneer die nood nu eigenlijk nooit voorkomt, wanneer we eigenlijk in een soort vrolijke continuïteit met onszelf leven en nog eens een graantje meepikken en nog eens een schouderklopje ophalen… Ik ben bang dat het dan mis is met ons. Ik ben bang dat we dan de opstanding van Jezus Christus loochenen’ (Miskotte, p. 40 e.v.).

Een toogdag werd indertijd belegd vanuit het midden van de Nederlandse Hervormde Kerk, de brede stroom die toen middenorthodox heette. De vraag die daar toen zo gesteld werd, hoor ik nu steeds om me heen in het reformatorische en evangelicale deel van de christenheid in ons land. Dat verontrust mij. Sterft ook onder ons het verlangen, waar Miskotte over spreekt? Wat is er dan intussen met ons gebeurd? Zullen wij op tijd inzien, dat we geen therapieën moeten toepassen, waarvan de houdbaarheidsdatum reeds lang overschreden is? Als het verlangen sterft… Eerst bij de predikers en dan bij de gemeente? Of omgekeerd? In ieder geval beïnvloeden ze elkaar.

Het draait in de samenkomst van de gemeente om niet minder dan om die ontmoeting met de levende God, waarin wij verschrikt en vertroost worden, zodat we, als Jakob bij Betel, zeggen: ‘Dit is niet anders dan een huis Gods, dit is de poort des hemels’, ‘Waarlijk de Here is aan deze plaats.’ (Gen. 28). Waar dit besef ontbreekt, is het begrijpelijk dat de kerkgang in de versukkeling raakt. Je kunt ook thuis een boek met interessante inzichten in de Bijbel lezen. Waarom zou je in dit informatietijdperk dan nog naar de kerk gaan? Om daar wat leefregels en meningen te horen? Of zul je naar de kerk gaan omdat het een sociaal-religieuze gemeenschap is? De kerk als saamhorige gemeenschap is op zich niet verkeerd, maar toch vooral van belang voor mensen die sociaal vaardig zijn. Met andere woorden, deze aspecten zijn secundair. Je kunt niet verwachten dat de kerk daardoor echt haar relevantie blijft behouden.

Wanneer de gelovige Israëlieten in het Oude Testament verlangen naar de tempel, het heiligdom, dan valt op dat het hun te doen is om God zelf. Ze maken dagenlange reizen voor de ontmoeting met Hém. Is het terecht een lijn te trekken van de tempel naar onze kerkgebouwen? Kennen wij nog die tempelmystiek? Veel theologen stellen dat er eerder een lijn loopt van de synagoge naar de kerk, omdat daar immers niet de offers worden gebracht, maar het lezen van de Schriften centraal staat.

Daar vallen twee dingen tegen in te brengen. In de eerste plaats dat het verlangen naar de tempel in het jodendom altijd is blijven bestaan. In de tweede plaats, dat in de synagoge de Thora niet wordt gelezen als een boek met wetenswaardigheden over God, maar als een heilig boek. Het lezen en horen voorlezen van de teksten uit dit boek bemiddelen de relatie met de Eeuwige zelf. De ontmoeting met God was de bron van de tempelmystiek. Elementen daaruit, de rituelen van offers en altaren, zijn overgebracht op de Thora en op de synagoge, waarin de teksten worden gelezen en uitgelegd. Illustratief is in dit verband de manier waarop de Thora wordt gelezen, op een zangerige toon, die het ongewone, de heiligheid van de tekst onderstreept. Illustratief is ook de manier waarop de Thora uit de ark – de opbergplaats, alleen het woord ‘ark’ al! – wordt gehaald, vaak met huppelpasjes, omhelzingen en kussen, in het bijzonder tijdens het feest van de Vreugde der wet.

Wanneer wij zeggen dat we niet rooms-katholiek maar protestant zijn, dan is dat enigszins te vergelijken met het verschil tussen tempel en synagoge. Zoals echter de mystiek van de tempel werd overgebracht op de samenkomst in de synagoge, zo bedoelde ook het protestantisme in de dienst van het Woord de mystiek van de eucharistie mee te nemen. De Bijbel en de daarop gegronde verkondiging zijn de dragers van het geheimenis van Gods aanwezigheid in ons midden.

Erfenis

Wij dragen echter een erfenis met ons mee vanuit de tijd van de orthodoxie en de Verlichting. In de orthodoxie werd de Bijbel het boek van de leer(stellingen). De Bijbel werd gezien als een boek met een objectieve (voorwerpelijke) waarheid, die vervolgens subjectief (onderwerpelijk) moest worden toegepast door de Heilige Geest. Dit schema voorwerpelijk – onderwerpelijk heeft in reformatorische kring de geesten lang beheerst. Het had tot gevolg, dat het eerste deel van de preek een tamelijk verstandelijke uiteenzetting was over de historische en dogmatische waarheid van het bijbelgedeelte en dat in het tweede deel geestelijke toepassingen werden gegeven met het oog op de onderscheiden situaties van de hoorders. Dit laatste deel van de preek vonden de meeste kerkgangers pas echt interessant, maar juist in dit laatste deel was niet altijd meer duidelijk hoe het hier nog ging om actualisering van het bijbelgedeelte.

In de theologie die aansloot bij de Verlichting was er veel interesse voor de Bijbel als geschiedenisboek, terwijl intussen steeds meer betwijfeld werd of die geschiedenis ook echt had plaatsgevonden zoals ze stond beschreven. Hoe dan ook, de Bijbel kwam steeds meer op afstand te staan en kon slechts in tweede instantie weer dichterbij gebracht worden, hetzij langs bevindelijke weg door de toepassing van de geestelijke waarheid door de Heilige Geest, hetzij door er morele waarheden aan te ontlenen via het verstand en het geweten.

Er waren ook gelukkig tegenbewegingen die, opnieuw in de lijn van de Reformatie, de levende kracht van het Woord zelf ontdekten. De grote opwekkingsprediker Spurgeon is daarvan een goed voorbeeld. Zijn werk en dat van anderen in die lijn wordt nog steeds gelezen. Zij hebben iets tijdloos, juist omdat zij het altijd nieuwe en het altijd frisse van de woorden van God ontdekten.

De Bijbel is een bijzonder boek, zei Spurgeon, het is namelijk een ‘boek dat met je praat’. Zo preekte hij zelf ook en dan kregen mensen het gevoel dat de God van de Bijbel zelf weer het woord genomen had. Een treffend citaat: ‘Jezus, de vriend van de zondaar, wandelt door de lanen van de Schrift zoals Hij eens liep over de vlakten en heuvels van Palestina; u kunt Hem nog steeds zien, als uw ogen geopend zijn, in de oude profetieën; nog duidelijker neemt u Hem waar in de vrome evangelisten; Hij opent en ontbloot het diepste van zijn ziel voor u in de zendbrieven en laat u de voetstap van zijn naderende komst horen in de symbolen van de Apocalyps. De levende Christus is in het boek; u ziet zijn gezicht in bijna iedere bladzij; en daarom ook is het een boek dat kan praten’ (Zie: Van der Laan, p.216-236).

Relationele hermeneutiek

De Bijbel vormt de neerslag van ontmoetingen tussen God en mens in lang vervlogen tijden. Soms heel expliciet (‘Toen sprak God al deze woorden…’), soms impliciet. Het gaat er in de verkondiging om, open te leggen hoe in de teksten van de Bijbel sprake is van de relatie tussen God, mens en wereld: zijn aanwezigheid, zijn handelen, zijn toorn en genade, zijn verborgenheid, het verlangen naar Hem, de angst dat Hij nooit meer iets van zich zou laten horen, dat hele spectrum. Relationele hermeneutiek, met een vakterm. Het woordje ‘relationeel’ zegt in de eerste plaats iets over God. Hij is het, die in zijn spreken relatie sticht. In de Bijbel vinden we de neerslag van dit relationele spreken en handelen

De Bijbel is het boek van de ontmoetingen, zei J.H. Bavinck. H. Berkhof definieerde openbaring als ontmoetingsgebeuren. In de klassieke gereformeerde theologie is het verbond een centraal begrip. Het verbond heeft meer iets van contact dan van een contract, zo leerde ik al van mijn mentor, ds. L. Kievit. Je kunt over dat contract spreken alsof je een stand van zaken meedeelt: wij zijn kinderen van het verbond. Maar als je zegt dat het in het verbond eerst en vooral gaat om contact, dan is dat een leessleutel: we lezen de Bijbel vanuit en met het oog op de relatie, die God begonnen is met zijn mensen en waarvan Hij hoopt, dat die in wederkerigheid onderhouden zal worden. Juist ter wille van een relationele hermeneutiek moeten we zuinig zijn op het begrip ‘verbond’ uit de gereformeerde traditie.

In de Bijbel gaat het om God die een verbintenis is aangegaan met mensen. In die relatie gebeurt veel: er is Gods genadige zorg en trouw, er is menselijke toewijding, maar er is ook sprake van ontrouw, schuld en boete. Ergens op die lijn van het verbond komt Jezus ter sprake. Dat klinkt misschien een beetje vreemd, maar ik schrijf het wel bewust zo op. We kunnen dogmatisch zeggen, dat Jezus Christus de middelaar is van het genadeverbond of dat Hij de verbondspartner bij uitstek is, maar in de Schrift komt Hij organisch tevoorschijn op de lijn van de relatie tussen God en mens, die vanuit het menselijk handelen gezien zeer problematisch wordt. In die verbanden hebben Jezus, zijn werk en zijn offer, hun unieke plaats.

Een relationele hermeneutiek respecteert die verbanden zoals ze in de Schrift voorkomen en respecteert vervolgens ook de verbanden van het leven met God vandaag, waar zich precies zoals in de Schrift van alles afspeelt. Ook vandaag gebeurt er van alles in de omgang van God met zijn mensen en zijn wereld. Alleen wie zich daarin betrokken weet kan oog krijgen voor de betekenis van Jezus. Een relationele hermeneutiek is tegenovergesteld aan een instantboodschap, die overal en altijd hetzelfde is: Jezus is voor onze zonden gestorven. Geloof dat evangelie en leef eruit.

Hoezo: Jezus is voor onze zonden gestorven? Was dat dan nodig? Voor welke zonden? Wat zijn zonden eigenlijk? Moet het zo sterk over zonde gaan? Er gebeuren toch ook veel goede dingen? Al deze vragen kunnen alleen beantwoord worden wanneer we de Bijbel lezen als het verhaal van Gods omgang met mensen en te zien wat zich daar allemaal afspeelt. In de ontmoeting met de teksten, die hierover gaan krijgen de lezer en de hoorder antwoord op deze vragen. Langs deze weg komt Jezus Christus organisch tevoorschijn als de meest vergaande stap van God om de relatie met zijn mensen niet te laten doodbloeden.

De preek is geslaagd wanneer de hoorders gelijktijdig worden met het gebeuren van toen, wanneer er een ‘hermeneutische horizontversmelting’ plaatsvindt. Dat is ook de kracht geweest van preken van iemand als Luther. Als hij preekte over Maria in Nazaret, dan kon een heel gewoon volksmeisje dat bij hem in de kerk zat, zich direct met haar identificeren.

De praktijk van het preken

De indruk zou kunnen ontstaan dat de hiervoor geschetste wijze van preken met behulp van de relationele hermeneutiek van predikanten vergt dat ze zondag aan zondag moeten ‘pieken’ om dit te bereiken. Het lijkt immers heel wat moeilijker dan een instantboodschap verkondigen of gewoon de tekst uitleggen. Dat is ook zo. Wie is tot deze dingen bekwaam? Die vraag mogen predikanten zich ook best stellen. Het gaat hier echter niet om een onmogelijke opgave en zeker ook niet om een opgave waarbij we voortdurend op onze geestelijke tenen moeten staan. Dat is een ernstige misvatting.

Het gaat om een basishouding van ontvankelijkheid. Die is essentieel. In de voorbereiding van de preek komt deze naar voren in gebed om het rechte inzicht en vervolgens in het persoonlijke gesprek met de tekst: wanneer het in de teksten gaat om het hele scala aan gebeurtenissen in de relatie tussen God en mens, waar liggen dan voor mijzelf als eerste hoorder de punten van herkenning en vervreemding? Het gaat er niet om, dat ik een tekst ga bepreken, het gaat erom, dat ik in de tekst het relationele handelen en spreken van God toen en nu ontdek, dat ik daarin ga staan, me daarmee identificeer en dan een nieuw gevonden boodschap voor het heden doorgeef. Is dat moeilijk? Het is een gave van de Geest, die ons is beloofd toen wij het ambt ontvingen. Het is ook een kwestie van ambachtelijkheid. Het is even moeilijk en even gemakkelijk als toen Luther mediteerde over Psalm 46, er zijn eigen leven en de omstandigheden van zijn tijd naast legde en toen zijn lied Een vaste burcht maakte. Een vaste burcht was Psalm 46, maar dan opnieuw werkelijkheid geworden voor hem.

Moet dit proces van omgaan met de teksten elke week ‘lukken’? Mag de voorganger anders ’s zondags niets zeggen? Daarin moeten we niet perfectionistisch worden. We mogen uitdelen wat we hebben ontvangen en voor het overige is het de vrijheid van God dat Hij er het zijne mee doet. Kan Hij een keer niet zo veel doen met wat wij hebben ontdekt, dan kan Hij ook op andere wijzen zich ter sprake brengen. Dat is geen dooddoener, want het blijkt nog zo te werken ook. Belangrijk is dan wel, dat we in acht nemen wat in het vorige hoofdstuk werd geschreven over het geheel van de dienst, de eenheid van lezingen, liederen en verkondiging, de gebeden, de eerbied, de ontvankelijkheid en het besef van de rijkdom van de sacramenten.

Prediking is heilsbemiddeling in de concrete verbanden van het leven hier en nu. Voor minder moet ze niet willen gaan. Het heil zelf is echter altijd meer dan in welke preek ook aan de orde kan komen. Juist daarom kan God het in een zorgvuldige liturgie ook op meerdere manieren bemiddelen.

Breedte en diepgang

Het zou een groot misverstand zijn te denken, dat het in een relationele hermeneutiek zou gaan om een manier van bijbellezen waarbij alles wordt gefocust op een persoonlijke relatie tussen God en de enkeling, laat staan op een persoonlijke relatie met Jezus. De relationele hermeneutiek is juist van belang om aan het licht te brengen, dat God in zijn omgang met mens en wereld alle aspecten van het leven wil betrekken. De diepte van het heil bestaat uit het feit, dat God ons in de dood en opstanding van Christus tot nieuwe mensen heeft geschapen, bestemd voor het eeuwige leven. Dit is de diepste ondertoon van alle prediking en het wordt expliciet bemiddeld in de sacramenten. Dit heil heeft echter ook een breedte, die heel het aardse leven in alle verbanden bestrijkt.

Een relationele hermeneutiek zal gepaard aan een lectio continua, een voortgaande lezing van heel de Schrift, al deze verbanden van het aardse leven voor Gods aangezicht aan het licht kunnen brengen. Met name het Oude Testament is in dit opzicht een ware goudmijn.

De Reformatie had een theocratisch visioen. God gaat over alle terreinen van het leven. Willen we God kennen in de momenten dat Hij een paar mooie, troostende dingen tegen ons zegt? Of zouden we God juist ook willen kennen in het hele ruige leven met alles erop en eraan? Dan krijgt het geloof, het protestantse geloof, ook sociale en politieke betekenis, dan heeft het niet alleen betekenis voor mijn innerlijke beleving, maar ook voor onze cultuur.

In de breedte van de Bijbel komt het hele leven aan de orde en wordt het opengelegd tot op God. Dan gaat het bijvoorbeeld om onze verantwoordelijkheid voor de schepping (Genesis). Het gaat om de politiek (de boeken Samuël en Koningen). Het gaat om de erotiek (Hooglied). Het gaat om de sociale verhoudingen (de Thora).

Wanneer de relationele hermeneutiek zich paart aan de lectio continua, dan wordt ze daarom het vruchtbaarst. We stuiten op bijbelgedeelten waar we grote moeite moeten doen om te ontdekken hoe God, verborgen onder alle menselijke intriges, zijn verbond gestalte zoekt te geven. Het is echter een heerlijke ontdekking juist daar te zien hoe van God uit de relatie nooit verloren is gegaan. Dat kan ons troosten, wanneer het leven ook vandaag soms zo verwarrend op ons overkomt, dat we ons afvragen: waar is hier in vredesnaam nog iets van God te ontdekken? Juist wanneer God als de Verborgene ter sprake wordt gebracht, zijn zo veel gedeelten van het Oude Testament vol van troost: Job, Psalmen, Ruth, Esther, Prediker.

Omdat een relationele hermeneutiek diep de teksten ingaat om te ontdekken wat zich op het relationele veld hierin, maar ook hierachter en hieronder afspeelt, komt ze niet terecht in de valkuil een bijbelgedeelte uit het Oude Testament slechts te gebruiken als opstapje om een andere waarheid uit de Bijbel, bijvoorbeeld Johannes 3:16 nog weer eens onder onze aandacht te brengen. Een relationele hermeneutiek zal wellicht helemaal aan het eind ontdekken, dat ook in de onderhavige tekst uiteindelijk al iets oplicht van het wonder, dat God de wereld al zó liefhad als in Johannes 3:16 is beschreven, maar dat is dan echt een vondst, die ter sprake komt juist wanneer en waar wij die het allerminst verwachten. God is een verrassende God, maar soms is Hij ook diep verborgen in onze duisternis. Dat zijn ervaringen van vandaag. Deze ervaringen moeten niet worden platgeslagen doordat we steeds weer mooie teksten uit de Bijbel citeren. Wanneer we graven in heel andere teksten dan de ‘mooie’ kan er juist ruimte komen voor deze authentieke ervaringen in het leven.

In een relationele hermeneutiek vragen we ons bij de wonderlijkste bijbelgedeelten af: wat is hier aan de orde? Wat zegt dit over God? Wat zegt dit over de mensen? Wat zegt dit over de relatie tussen beiden? Wat hebben mensen hieruit geleerd, dat ze dit uiteindelijk zó hebben opgeschreven? Zo krijgt ook de relatie van God met ons en onze wereld vandaag breedte en diepte, komt ze op spanning te staan . Het gevolg voor de preek is, dat deze niet voorspelbaar maar spannend wordt.

Hermeneutiek en herinterpretatie

De laatste vraag, die we hiervoor stelden vereist een kleine afzonderlijke beschouwing: wat hebben mensen hieruit geleerd, dat ze dit uiteindelijk zo hebben opgeschreven? In de nieuwere bijbelwetenschap is namelijk steeds meer ontdekt, dat de meeste teksten niet in één keer zomaar in de Bijbel zijn terechtgekomen, maar dat ze een interpretatiegeschiedenis achter de rug hebben, waarvan de sporen soms moeilijk, soms gemakkelijk terug te vinden zijn. Het feit, dat die interpretatiegeschiedenis er geweest is, betekent in ieder geval, dat wat wij nu relationele hermeneutiek noemen, ook in de tijd van de bijbelschrijvers al aan de orde is geweest. Er waren oude mondelinge en schriftelijke overleveringen bekend, die gingen over een situatie in het verleden, waarin duidelijk was geworden hoe God met zijn volk handelde in oordeel en genade. Een nieuwe generatie identificeerde zich hiermee vanuit de eigen context en herinterpreteerde de tekst zo, dat duidelijk werd: deze God is ook onze God.

Enkele voorbeelden mogen dit verduidelijken. In het slot van Psalm 51 gaat het ineens over het herstel van de muren van Jeruzalem, terwijl de psalm eerst geheel ging over de zonde van David, die Batseba huwde en daartoe Uria uit de weg ruimde. Blijkbaar is het zo gegaan, dat een latere overschrijver van deze psalm, waarschijnlijk in de tijd van de ballingschap, toen de muren van Jeruzalem waren afgebroken, de psalm op zijn eigen situatie heeft toegepast. Maar dat niet alleen, hij heeft die toepassing op de eigen situatie er naadloos aan vastgeknoopt en zo de psalm uitgebreid. Bij de eindredactie hebben ze dit niet beschouwd als knoeiwerk, dat weer verwijderd moest worden, maar als legitieme vertolking in een nieuwe context. Die vertolking moest juist meegaan naar het nageslacht, opdat ook dat nageslacht de psalm weer vrijmoedig zou durven toepassen in zijn context.

Behalve dat uitbreidingen plaatsvinden, die bedoeld zijn als herinterpretatie met het oog op de eigen situatie, worden woorden van vroeger ook geciteerd in een geheel nieuwe context, terwijl je bij letterlijke lezing van die oude woorden moet zeggen, dat ze het anders zeggen of dat ze over iets anders gaan. Zo geeft de profeet Hosea bijvoorbeeld een heel andere wending aan gebeurtenissen uit het leven van Jakob dan de letterlijke exegese van Genesis uitwijst. Zijn gevecht met de engel (Gen. 32) komt ineens in een kwaad daglicht te staan en dat hij zijn broer al in de moederschoot bedroog lezen we ook niet letterlijk in Genesis. Dat is vrije interpretatie (Hos. 12:3 e.v.).

Nog een ander voorbeeld van hoe herinterpretatie van teksten plaatsvindt vinden we bij de tweede Jesaja, die vanaf hoofdstuk 40 aan het woord is. Hij vertelt over de bevrijding van het volk uit Babel. Teneinde zowel zichzelf van beeldtaal te voorzien als het volk houvast te geven aan wat hij zegt, knoopt hij geheel aan bij woorden, beelden en gebeurtenissen uit de verhalen over de uittocht uit Egypte. Hij had ook gewoon kunnen vertellen, dat God zijn volk uit Babel zou bevrijden. Maar hij gebruikt daar oude teksten bij en dat is een ondersteuning voor het geloof, dat de God van vroeger nog leeft. Hij doet dat juist op het moment, dat het volk daar ernstig aan was gaan twijfelen. Zo spreekt hij van het banen van een pad door de woestijn, daarbij de herinnering oproepend aan het boek Exodus, de tocht door de woestijn naar het beloofde land. (Jes. 40).

Later komt de tekst terug in het Nieuwe Testament in de prediking van Johannes de Doper. Hij zegt: ik ben de stem van een die roept in de woestijn; bereid een weg voor God. Het citaat is echter letterlijk gezien niet goed uit Jesaja overgenomen. Bij Jesaja gaat het over een opdracht aan de volken de weg te banen voor Israel om naar huis te gaan. Bij Johannes gaat het om een opdracht aan de mensen van zijn tijd om alle obstakels voor de komst van de Messias op te ruimen. Is het interpretatie op de klank af? Het is vooral interpretatie, die een continuïteit ziet in het relationele handelen van God.

Wie Marcus 1:2,3 leest en dat vergelijkt met Jesaja 40: 3 kan er geen touw aan vastknopen. Vanuit een relationele hermeneutiek kunnen Marcus en Johannes echter antwoorden: zie je dan niet, dat de God van toen nog leeft? Hij laat opnieuw na zeer lange tijd op het onverwachtst van zich horen. Opnieuw heeft verlossing iets te maken met woestijnervaringen, was dat vroeger ook niet zo? Opnieuw gaat het om een volk, dat de Heer is toegewijd, want ongeloof blokkeert altijd de relatie waarin God verlossend aanwezig is. Letterlijk klopt het allemaal niet, maar op een diepere laag, de laag van het relationele handelen van God liggen er diepe verbanden die via suggestieve verbindingen in de taal aan elkaar worden geknoopt.

Eigenlijk zijn de meeste citaten van het Oude Testament in het Nieuwe geen citaten, die letterlijk kloppen. Wij zouden het vaak meer vrije associatie dan exegese noemen. Maar daar ging het de schrijvers blijkbaar niet om. Het ging hen erom aan de hand van oude teksten het werk van God in hun tijd te doen herkennen: deze God is onze God.

Wat betekent dat nu voor onze verkondiging volgens een relationele hermeneutiek? Niet dat wij zonder exegese er ook maar vrij op los moeten associëren. Door exegese kunnen we juist diep in de oorspronkelijke zeggingskracht en levensechtheid van een tekst terechtkomen. Die kans moeten we ons dus niet laten ontgaan. Langs die weg kunnen we ook identificatiepunten ontdekken. Maar in het waagstuk van de verkondiging hoeven we niet angstvallig vooral niet méér te zeggen dan wat de tekst zegt. We mogen met open ogen en open oren onze tijd en het hart van de hoorders proeven en dan geluisterd hebbend naar de woorden van de tekst een nieuw woord spreken. Dat nieuwe woord schrijven we er niet bij in de Bijbel. Tenminste niet in de Bijbel voor iedereen, maar soms wel in onze eigen bijbel. Onze kleinkinderen lezen het later en kunnen erdoor op een spoor gezet worden om het woord opnieuw voor henzelf te interpreteren.

Soms is dat wat wij ontdekt hebben ook belangwekkend genoeg voor een boek bij de Bijbel. Dat boek heeft niet hetzelfde gezag als de Schrift, maar het mag toch meegaan in de traditie van de kerk als belangrijk moment van interpretatie. Intussen is God vrij er tijdens het moment van de preek of op elk moment daarna een gezag aan te verlenen, waardoor het Woord van Hem wordt in de actuele situatie. In de vrijheid van God kan het eigen vrije verkondigde Woord hetzelfde gezag ontvangen als het geschreven Woord.

Wanneer Luther de rechtvaardiging door het geloof alleen ontdekt, zegt hij meer dan Paulus en zegt hij het ook anders dan Paulus, maar voor zijn tijd precies goed. Er is een voortgaand gesprek met de teksten, omdat God zelf blijft spreken. Daarbij heft Hij zijn spreken van vroeger niet op, maar Hij vernieuwt het steeds weer, zodat nieuwe geslachten Hem mogen kennen en met Hem mogen leven.

Illuminatie en revelatie

Dat betekent voor vandaag dat wij voortgaan op deze lijn. Er is in de gereformeerde orthodoxie het onderscheid gemaakt tussen illuminatie en revelatie. De revelatie, de openbaring, zou bij de totstandkoming van de canon zijn afgesloten. De illuminatie, de verlichting van hart en verstand zodat we de openbaring verstaan, zou nog steeds doorgaan. Het belang van deze onderscheiding kan duidelijk zijn. Stel je voor, dat ieder alsnog zijn eigen bijbeltje gaat schrijven of dat Mohammed ook tot de profeten gerekend moet worden. Toch komen we met die onderscheiding van revelatie en illuminatie niet helemaal goed uit. Ik zou het zo willen zeggen: er zal vandaag niets verkondigd worden, dat in strijd is met de openbaring, die ons in de Schrift wordt betuigd: God, zoals Hij zich in Christus heeft bekendgemaakt. Daarom is het duidelijk, dat Mohammed geen profeet kan zijn. Hij ontkent immers dat God zich in Jezus volkomen heeft geopenbaard.

Het relationele handelen waarvan de Schrift getuigt gaat echter vandaag onverminderd door. God is de Levende. Hij gaat een geschiedenis met mens en wereld, die niet tot stilstand is gekomen toen de canon werd afgesloten. Integendeel. Het gaat erom vandaag zijn daden te ontdekken, zijn genade en zijn oordeel. Het gaat erom vandaag in deze chaotische wereld de tekenen op te merken, die naar Hem verwijzen. Daar helpt de relationele hermeneutiek bij. Ze zoekt naar parallellen en verwijzingen, ze ontdekt de sporen van God vandaag en helpt de hoorders daar in de prediking attent op te worden. De canon is wel afgesloten, maar het relationele handelen van God gaat door en daarom mag de stapel boeken en boekjes bij de Bijbel ook groeien en mogen we ze hoogachten. Daarom worden ook steeds nieuwe liederen gemaakt. Het zijn de psalmen niet, maar we zullen ze wel hoogachten en in een moment van inspiratie schrijven we ons eigen lied erbij.

Het voortgaande interpretatieproces van de Bijbel en de Bijbel zelf mogen niet te veel van elkaar worden afgesloten. Dan wordt de Bijbel een in zichzelf gesloten geschiedenis. God schiep hemel en aarde, God riep Abraham, leidde Israël uit Egypte, Hij zond Jezus, de Heilige Geest werd uitgestort… En sindsdien moeten wij het doen met teksten over wat er toen allemaal gebeurd is. Op deze manier stolt de tekst, zodat mensen niet meer de lijnen durven doortrekken naar hun leven. Zoals God tóen, dáár gehandeld heeft, zo zie ik Hem vandaag nog handelen.

In deze beschouwing scheer ik langs de opvattingen van Paul Ricoeur over de actualisering van oude teksten. Door onze subjectieve interpretatie, zegt hij, kunnen ze tot ‘onze’ teksten worden, kunnen ze bij wijze van spreken opnieuw tot leven komen. Maar het kenmerkende verschil met de teksten uit het Oude en Nieuwe Testament is die unieke daad van God, in Jezus Christus. Wanneer dat ijkpunt ondersneeuwt en zoekraakt, dan worden het open teksten, zonder eindperspectief. Want in Jezus, die midden in die verhalen staat, is de laatste vervulling van al onze open en openliggende verhalen gegeven (zie Hans Snoek, p.238 e.v.)

Preken vandaag is het gesprek aangaan met de teksten en de teksten het gesprek met jou laten aangaan Luisteren naar het ontmoetingsgebeuren dat achter de teksten ligt, jezelf mengen in wat daar speelt, vragen stellen, weerstanden benoemen. Vragen ook, om in de omgang met deze teksten de nieuwe kracht van wat erin betuigd wordt, te mogen ervaren, om dat vervolgens te kunnen vertolken voor de gemeente.

De Bijbel verder schrijven

De Bijbel ‘verder schrijven’, de gebeurtenissen in ons leven en onze wereld duiden vanuit de teksten uit Oude en Nieuwe Testament – het kan nieuw lijken, zelfs nieuwlichterij, terwijl het toch niet zo nieuw is. Wanneer het gaat om grote gebeurtenissen in de wereldgeschiedenis kennen we daar sprekende voorbeelden van. Veel gereformeerde theologen zagen in de stichting van de staat Israël in 1948 een parallellie met de terugkeer uit de ballingschap, een begin van de wederopstanding van het volk, als een voorbode van de uiteindelijke vernieuwing. Gorbatsjov, die een belangrijke rol speelde bij de val van de Muur, is wel afgeschilderd als een twintigste-eeuwse Cyrus van Perzië. Zelf heb ik de zondag na 11 september 2001 gepreekt over Openbaring 18, de val van Babel (‘Wee, wee, gij grote stad Babylon, gij sterke stad, want in één uur is uw oordeel gekomen!’). Het vergt lef, geloofsmoed, om de hiervoor genoemde gebeurtenissen zo te duiden. Wanneer we het ten aanzien van deze grote gebeurtenissen doen, waarom zou je het dan niet ook ten aanzien van de kleinere dingen doen? Maar wordt het uiteindelijk dan toch niet veel te subjectief allemaal?

Ik geef toe dat er risico’s kleven aan deze aanpak. Toen ik de preek die ik hield na de ineenstorting van het World Trade Center, later weer eens las, viel het me op dat ik geen moment heb stilgestaan bij het feit dat onder de drieduizend slachtoffers ook veel Amerikaanse gelovigen waren. In dat Babylon uit Openbaring 18 woonden toch niet zo veel christenen, bedacht ik ineens. Hoe zit dat dan precies? Het wtc als symbool van Babylon, dat zou kunnen, maar verder gaat de vergelijking toch ook al weer gauw mank. Dat de aanslag het werk was van moslimterroristen heb ik, kort na die gebeurtenis, evenmin veel accent gegeven. Toch kijk ik er zeker niet met spijt op terug, dat ik er toen zo over heb gepreekt, want ik heb op dat moment het lef gehad om een oude tekst te interpreteren in het licht van nieuwe gebeurtenissen en ik heb een punt gemaakt waar ik nog achter sta. Dit was het woord van God voor die dag. Heb ik daarmee alles recht gedaan? Nee. Waren er andere interpretaties mogelijk? Zeker.

Profeten hebben ook geprobeerd de gebeurtenissen in hun tijd te duiden. Ze stonden daar soms heel kwetsbaar in; ze hebben zich ook weleens vergist. De ware en valse profeten stonden tegenover elkaar, maar op het moment zelf was dat niet zo helder uit te maken. De valse profeten beriepen zich eveneens op verbondswoorden. De trouw van God is zo groot, zeiden ze, Hij zal zijn tempel nooit laten vallen. Dat was natuurlijk ook een interpretatie. Ik kan me voorstellen dat de toehoorders dat een prachtige preek hebben gevonden. Maar Jeremia zegt: jullie zullen raar opkijken, God zal zijn tempel verwoesten. De inwoners van Jeruzalem reageren furieus, ze vinden Jeremia een ondermijnend type. De toekomst zal het leren, zegt de profeet: als het niet gebeurt, dan zat ik er kennelijk naast (Jer. 26-28).

Onze positie is niet zo veel anders. Wil je dit risico uitbannen, dan interpreteer je niet meer. Dan suggereer je dat het verhaal van God met zijn mensen eigenlijk bij Goede Vrijdag en Pasen is stilgevallen, omdat daar het beslissende woord is gesproken. Daar zit een kern van waarheid in, want als daar niet het beslissende woord is gesproken, dan ziet het er niet best voor ons uit. Dan is heel de geschiedenis nog steeds open en dan kan de wereld nog op een volkomen mislukking uitlopen. Het beslissende woord is echter iets anders dan het laatste woord. Daartussenin zit nog het ganse getob van de mensheid, zoals we dat nu al weer tweeduizend jaar meemaken. Waarom, weet ik niet. Maar mijn enige troost is dat ik in deze tussentijd mag proberen het leven met God, de God van de Bijbel, de God van Jezus, in verband te brengen.

Communicatieleer en psychologie

Een relationele hermeneutiek is behalve bij grondige exegese en contextanalyse van toen en nu, ook gebaat bij inzichten uit de moderne communicatieleer en de psychologie. Deze inzichten scherpen het waarnemingsvermogen om te ontdekken wat zich op relationeel vlak in de teksten afspeelt, ook en juist als het gaat om de diepere lagen van de menselijke ziel, die de eeuwen door niet veranderd zijn. Wanneer de glazen van onze hermeneutische bril geslepen zijn door inzichten uit de huidige communicatieleer en psychologie, komen we in de teksten gemakkelijker de diepere relationele aspecten op het spoor en kunnen we het eigenlijke wat daar gebeurt ook beter communiceren naar de diepere lagen van de hoorders vandaag. Zo worden de teksten niet alleen rationeel of emotioneel toegeëigend, maar bereiken ze ook het existentiële niveau. Thomas W. Klink, de grondlegger van trainingen die in de Klinisch Pastorale Vorming (kpv) worden gebruikt, hanteert een schema, dat veel inzichtelijk maakt.

Ieder mens heeft diepte-ervaringen, rond hoogte- en dieptepunten van het leven, bij de geboorte van een kind, bij een onverwacht overlijden, bij andere schokkende gebeurtenissen, bij een ontroerende zonsondergang of een tocht door de bergen. Het zijn ervaringen die ons existentieel raken, individueel of collectief, waardoor we verrast of verbijsterd worden, waardoor ons leven soms een onverwachte, een andere wending neemt. Die ervaringen zijn in de dieptepsychologie beschreven. Bij sommige mensen worden dat ook religieuze ervaringen. Het vermoeden breekt door dat er meer is tussen hemel en aarde. Diepte-ervaringen worden zo transcendentie-ervaringen. Andere mensen kleuren die ervaringen nader in als ervaringen van God of ‘iets van God’. Dan worden de transcendentie-ervaringen godsdienstige ervaringen; althans, er komt iets van een door godsdiensten ingevulde beleving bij, in een of andere vorm. Let wel, het gaat nog steeds over dezelfde ervaringen, ze worden alleen nader geduid.

In het schema zet Thomas W. Klink deze duidingen onder elkaar, telkens met één tussenstreepje. Maar op dit punt aangekomen trekt hij een dubbele streep, waarmee hij wil zeggen: nu staan we voor een muur. Daar achter liggen de geloofservaringen.

Daarmee bedoelt hij diepte-ervaringen die je inpast in het grote verhaal van de geloofstraditie waarin je bent grootgebracht en waar jouw heilige boek de weerslag van is. Hij plaatst hier een dubbele streep, omdat deze manier van interpreteren zich niet vloeiend uit de voorgaande ontwikkelt. Op een vloeiende wijze kunnen diepte-ervaringen tot religieuze en godsdienstige ervaringen worden. Geloofservaringen veronderstellen echter een keuze, die niet noodzakelijk is. Deze keuze wordt geduid als het gevolg van een beslissing of als een geschenk; of als beide.

Waar het vooral om gaat is, dat geloofservaringen geen aparte ervaringen zijn, los van het leven, los van wat ook andere mensen daarin aan verrassende en raadselachtige dingen tegenkomen. Het zijn ervaringen van mensen die te maken hebben met ingrijpende belevingen, die de kleur krijgen van de geloofstraditie waarin ze staan. Bijbelverhalen zijn de weergaven van zulke existentiële geloofservaringen. Het zijn duidingen van gebeurtenissen die diepe indruk hebben gemaakt, vanuit het interpretatieverhaal van de God van Israël en de God die Jezus heeft opgewekt uit de dood.

In de communicatie van deze verhalen is het belangrijk inzichtelijk en voelbaar te maken, dat er op existentieel niveau verbindingslijnen liggen tussen wat mensen toen hebben meegemaakt en wat ze nu meemaken. Zo wordt duidelijk, dat geloven enerzijds helemaal niet vreemd is, maar alles te maken heeft met de interpretatie van het eigen levensverhaal en de eigentijdse gebeurtenissen. Anderzijds wordt ook duidelijk, dat geloven altijd te maken heeft met interpretatie. Die interpretatie is niet vanzelfsprekend, zoals geloven dus ook niet vanzelfsprekend is. Het vraagt moed, durf, een keuze. Het is het ontvangen van de genade die bestaat uit nieuwe ogen.

Op deze manier wordt de ogenschijnlijk grote afstand tussen de bijbelverhalen en sceptische mensen van nu overbrugd. Voor wie dat wil, voor wie die genade ontvangt – hoe je het maar zeggen wilt- kan ook vandaag het bijbelverhaal het interpretatieverhaal van eigentijdse ervaringen worden. Wanneer dat niet gebeurt, dan blijven het verhalen van toen en daar, van een ander soort mensen, bijbelheiligen of uitzonderlijke gelovigen.

Vervreemding

Na de geloofservaring komt de kerkelijke ervaring en tussen die beide staat in het bovenstaande schema weer één streepje. Dat betekent, dat het een zomaar in het ander kan overgaan. Met andere woorden, het taalveld van de geloofservaringen kan zo gecodeerd worden, dat het kerkelijk jargon wordt. Dat is aan de orde wanneer mensen hun ervaringen beschrijven in kerkelijke woorden, die kenmerkend zijn voor hun stroming of modaliteit. Het risico bestaat dan dat de geloofservaringen achter de woorden niet meer worden herkend door anderen, buitenstaanders of een nieuwe generatie, laat staan dat nog de daaronder liggende oorspronkelijke diepte-ervaringen worden herkend. Alom vervreemding dus, terwijl toch achter het jargon ergens iets moet liggen wat zeer wel communicabel is. Het is alleen onderweg verloren gegaan. Voor sommigen echter klinkt het juist allemaal vertrouwd op deze manier. Ze kennen het verhaal nauwelijks terug, wanneer het overgezet wordt in een ander taalveld, dat dichter bij de oorspronkelijke diepte ervaringen ligt.

Hier ligt voor predikers soms een dilemma. Prediking die zich vooral beweegt in de taal van het jargon en niet meer doorstoot naar de diepere ervaringen daaronder wordt door sommigen zeer op prijs gesteld, maar intussen legt ze een eeltlaag rondom de ziel van de kerkganger, waardoor hij op den duur wordt doodgepreekt.

Een ander gevolg is, dat geloofscommunicatie met buitenstaanders zich alleen nog binnen het jargon kan voltrekken en dus oppervlakkig wordt, de ander niet meer echt bereikt. Trouwe kerkgangers raken vervreemd van hun buurman, want ‘daar kun je niet mee praten, die doet nergens aan’. Hij doet wel aan ‘leven’, dus dan zou je het misschien toch ergens met hem over kunnen hebben. Maar de kerkelijke codering die ze hanteren in gesprekken over geloven, is zo ver afgeraakt van de taal van het leven, dat ze niets meer te melden hebben.

Poëzie

Communicatieleer en psychologie kunnen belangrijke hulpmiddelen zijn om de ervaringswerelden van toen en nu te verbinden. Voor poëzie geldt dat evenzeer. Gerrit Achterberg schreef een gedicht over Jakob bij de Jabbok.

Over de Jabbok

Toen ik het einde had bereikt
van mijn verdorvenheden,
stond God op uit het slijk,
en weende;
en ik stond naast Hem, ziende neder
op een verloren eeuwigheid.

En Hij zei: je had geen gelijk;
maar dat is nu voorbij, van heden
tot aan die andere eeuwigheid
is maar één schrede.

Hier wordt het diepste van de ontmoeting tussen God en mens vertolkt in een taal, die raakt aan universeel menselijke ervaringen: de Jabbok staat voor elke grenservaring, diepe angst om de grens over te steken, schuld die je achtervolgt, het diepe weten geen gelijk te hebben, alle verschansingen verliezen et cetera. De strekking van het gedicht wordt innerlijk aangevoeld door allerlei soorten mensen, ook heel andere dan de orthodox gelovige Gerrit Achterberg. Soms zijn kerkelijke mensen na tientallen preken over Jakob van deze diep menselijke, existentiële en universele ervaringen vervreemd. Ze zijn dood gepreekt. Dat betekent dat preken die hadden moeten bewerken dat hun menselijke diepte-ervaringen opengelegd werden tot op Gods bemoeienissen met hun leven, het omgekeerde hebben bewerkt. Ze zijn gaan wonen in een huis van kerkelijke taal met dikke muren, die hen er juist van weerhouden de toegang tot hun diepste ervaringen te vinden.

Natuurlijk lukt het hun dan ook niet met andere mensen, die heel anders denken en geloven of die niets geloven te spreken over wat ten diepste het geloof inhoudt. De kerkelijke taal die ze in allerlei preken hebben geleerd, belemmert hen. Daarom heeft de relationele hermeneutiek niet alleen betekenis voor het verstaan van de diepte van bijbelteksten, maar heeft ze ook alles te maken met missionair christen zijn. Gaandeweg krijgen mensen een taal aangereikt die ook communicatie met buitenstaanders mogelijk maakt.

Geciteerde literatuur

  • Houtman, C., De Schrift wordt geschreven. Op zoek naar een christelijke hermeneutiek van het Oude Testament, Zoetermeer, 2006.

  • Miskotte, K.H., Preken en meditaties, Verzameld Werk 3, Kampen, 1997.

  • Snoek, H., Een huis om in te wonen. Uitleg en interpretatie van de Bijbel, Kampen, 2010.

  • Spurgeon, C.H. in: Laan, J.H. van der (red.), Van God gesproken. De mooiste preken sinds de Bergrede, Amsterdam, 2007.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken