Hoe werd iemand christen in de eerste eeuwen van de kerk?
In de eerste eeuwen van het christendom kende de kerk een gestage toestroom van belangstellenden. Velen van hen wilden na verloop van tijd gedoopt worden en zo christen worden. Wat gebeurde er in die tussentijd? Hoe werden zulke belangstellenden in het geloof en in de sacramenten ingewijd? Daarover gaat dit artikel.
Het boek Handelingen
Volgens het nieuwtestamentische boek Handelingen werden mensen die tot geloof in Christus kwamen, snel gedoopt. Na Petrus’ getuigenis van Christus’ opstanding waren er op die Pinksterdag meteen ongeveer 3000 dopelingen. Tenminste, zo vertelt Handelingen 2:41 het.
Later leidde Filippus (Hand. 6:5) Samaritanen tot geloof in Christus en werden ze door hem gedoopt. Het lijkt erop dat de voorbereidingstijd opnieuw kort was. Dat blijkt mede hieruit, dat Filippus ook ene Simon had gedoopt. Die stond bekend om zijn magische praktijken – dat was niet bepaald christelijk! Een goede toetsing van zijn motieven en overtuigingen had kennelijk niet plaatsgevonden. Even later bleek hij met de apostelen Petrus en Johannes in conflict te komen. Hij had hun geld aangeboden om in ruil ook iets van hun gezag te ontvangen. Daarmee hoopte hij, zoals zij deden, de Heilige Geest aan de gedoopten te kunnen doorgeven (Hand. 8:5-25). Dat moet voor Filippus teleurstellend zijn geweest.
Toch lezen we direct daarna dat hij een hooggeplaatste Ethiopiër al na één gesprek doopte (Hand. 8:26-39). Zo ging het ook met de farizeeër Saulus van Tarsus. Op weg naar Damascus was hij door de verrezen Heer in de kraag gegrepen en aangesproken. Hij kwam tot inkeer en werd spoedig gedoopt (Hand. 9:1-19).
In de catechese werd doopleerlingen de hoogtepunten van de Bijbel voorgehouden
Dooponderricht
Aanvankelijk konden mensen die tot geloof in Christus kwamen dus op korte termijn worden gedoopt. Maar de vroege kerk heeft die praktijk niet voortgezet. Dat is begrijpelijk genoeg. Er zijn vast meer teleurstellingen geweest. Sommige kersverse gedoopten gingen al snel weer hun eigen weg. Of ze veroorzaakten een conflict in de gemeente. Al gauw werd er daarom eerst onderricht gegeven, catechese dus. Die kon wel drie jaar duren. Dat onderwijs diende als het begin van de inwijding in het christelijk geloof en leven. De eigenlijke inwijding vond plaats in de doop zelf. En daarna in het ontvangen van brood en wijn.
Wat werd er in die catechese besproken? Voorgangers hielden de doopleerlingen de hoogtepunten van de Bijbel voor. Om te beginnen ging het over Gods goede schepping van de wereld. Er waren destijds stromingen, die de God van het Oude Testament niet konden waarderen. Ze vonden hem maar een prutser of zelfs een slechterik. In de catechese werd dat rechtgezet.
Daarna ging het over Adam en Eva in het paradijs en hun ongehoorzaamheid. Zij hadden geluisterd naar de slang, ofwel de duivel, en werden ongehoorzaam aan Gods gebod. Er werd uitgelegd, dat de duivel nog steeds probeerde mensen van Gods geboden af te houden. Vrijwel alle doopleerlingen hadden vroeger andere goden vereerd. De kerk beschouwde die andere goden als demonen. Dat las zij in de vertaling van Psalm 96:5, ‘alle goden van de volken zijn demonen’. Paulus zag dat ook zo (1 Kor. 10:19-20). De doopleerlingen moesten zich daarvan bewust worden. Net als Adam en Eva hadden ze naar de duivel geluisterd. Van zijn demonen moesten ze dus loskomen.
Het evangelie stond op de basis van de boeken van het Oude Verbond
Strijd met de duivel
Israëls bevrijding uit Egypte werd uitgelegd als een beeld van de verlossing door Christus. Er was een engel die voor de Israëlieten uitging om hen naar Kanaän te leiden (bijv. Exod. 23:20). Daarin zag men Christus. Moesten de volken in dat beloofde land er echt uit verdreven worden? Om zo voor de Israëlieten plaats te maken? Voor de doopleerlingen gold iets anders. Die heidense volken werden uitgelegd als zonden en demonen die door Christus werden verjaagd. Het Oude Testament werd ‘geestelijk’ gelezen, met het oog op Christus. Daarin moesten de doopleerlingen wel worden ingewijd. Ze moesten leren niet alles letterlijk op te vatten.
Het evangelie stond dus op de basis van de boeken van het Oude Verbond. In het licht van Christus werden zo de oudtestamentische profetieën besproken. Ook in het Nieuwe Testament ging het om Christus’ strijd met de duivel. Uit diens greep wilde hij de mensheid immers bevrijden. Als nieuwe Adam had hij in de woestijn niet toegegeven aan de verzoekingen van de duivel (Mat. 4:1-11). Tijdens zijn optreden in Galilea en Judea had hij mensen van hun demonen verlost. Zijn dood aan het kruis betekende een overwinning op de duivel. Christus was toen immers afgedaald naar het dodenrijk, waar de duivel en zijn demonen heersten. Dat dodenrijk had hij opengebroken om de mensen die daar verbleven eruit te bevrijden. Daarna nam hij hen mee naar Gods hemelse koninkrijk.
Een orthodoxe protestant verwacht vast, dat Jezus’ dood ter verzoening van onze zonden centraal stond. Moest het niet gaan over zijn plaatsvervangend lijden om Gods straf voor ons te dragen? Deze protestant zal misschien teleurgesteld zijn. Vergeving van alle eerder gedane zonden in de afwassing door de doop was essentieel. Daarbij kwam ‘Jezus’ dood voor ons’ zeker aan de orde, maar niet zoals protestanten die later hebben geduid. Bovendien stond dit naast andere heilsfeiten die minstens zo belangrijk waren: God was in Christus mens geworden en had zo de mensheid opgezocht. Aan mensen had hij zijn erbarmen betoond. De duivel had hij van zijn macht beroofd.
Een ander leven
Uiteraard ging het in de catechese om de levensstijl die van christenen verwacht werd. Aan bod kwamen zoal: het gebod van liefde voor God en de naaste, Jezus’ onderricht in de bergrede (Mat. 5-7), zoals over huwelijkse trouw. Maar ook een liefdevolle houding tegenover vijanden, en dat je geen rijkdom moest oppotten. Sommige beroepen waren voor christenen verboden. Pooiers, vervaardigers van afgodsbeelden, magiërs, gladiatoren, mannelijke en vrouwelijke prostitués moesten hun activiteiten opgeven. Anders moesten ze weggestuurd worden. Soldaten mochten in het leger niet de militaire eed afleggen. Daarbij werden immers andere goden aangeroepen. Ze mochten geen mensen doden. Waren ze daartoe niet bereid, dan moesten zij het dooponderricht verlaten.
Vrijwel iedereen had eerst andere goden gediend, demonen dus, die moesten worden losgelaten
Van de doopleerlingen werd meer verwacht dan het volgen van de catechese. Ze moesten al blijk geven van een christelijke levenshouding. En ze moesten de samenkomsten van de gemeente bijwonen. Ook dat was een vorm van inwijding in het geloof. Daar werd immers gebeden, gezongen, de Bijbel gelezen en verklaard. Ze leerden daar God en Christus te dienen. Maar ze mochten niet deelnemen aan de maaltijd van Christus, de eucharistie. Of ze werden zelfs helemaal van de eucharistieviering uitgesloten. Ze moesten dan, na de prediking en een gebed, de samenkomst verlaten. Die eucharistische maaltijd was alleen voor wie al gedoopt waren, voor de ingewijden.
Bij doopleerlingen die uiteindelijk tot de doop toegelaten werden, werden gewoonlijk ook demonen uitgedreven. Zelfs wel meer dan één keer. Waren zij dan allemaal door de duivel bezeten? Misschien niet in de dramatische betekenis, die er nu soms aan wordt gehecht. Maar vrijwel iedereen had eerst andere goden gediend, demonen dus. Velen hadden zich met magische praktijken ingelaten. Daarin waren zij met demonen in aanraking gekomen. Men had al eerder ervaren dat die een dopeling niet zomaar loslieten. Ondanks hun doop stonden gedoopten soms toch nog onder invloed van hun vroegere goden. Vandaar die exorcismen, ‘duiveluitdrijvingen’. Daarbij ging het er niet per se spectaculair aan toe, zoals in sensationele films. Toch werden ze wel nodig gevonden alvorens iemand in Christus kon worden ‘ingelijfd’.
De leerlingen werden eerst gedoopt en namen deel aan de eucharistie; later volgde de uitleg
Het doopritueel
Tenslotte vond de doop zelf plaats. Vaak gebeurde dat in de Paasnacht of de vroege ochtend van Pasen. Dat was immers het feest van Christus’ opstanding uit de dood. Wie gedoopt werd, zou zo met Christus sterven en een nieuw leven beginnen. Op andere zondagen gebeurde het trouwens ook wel. De kandidaten konden gedoopt worden in open, stromend water. Of ze werden in een bad ondergedompeld of in een laag bassin met water begoten. Soms was iemand daartoe fysiek niet in staat. Dan mocht de doop door besprenkeling bediend worden. Later, toen er kerken werden gebouwd, kregen die een doopbassin. Bij voorkeur kon daar het water doorheen stromen. Dat herinnerde aan de Jordaan waarin Johannes de Doper zijn volksgenoten, inclusief Jezus, had gedoopt.
Als laatste voorbereiding op de doop moesten de leerlingen vasten en bidden om vergeving van hun zonden. ’s Nachts moesten zij waken om zich op God te richten. Vóór de doop moesten zij hun kleren uitdoen. Je werd toch ook naakt geboren? Wel konden mannen en vrouwen apart worden gedoopt. Naakt zwoeren zij hun dienst aan de duivel en zijn praktijken af. Zij beaamden hun geloof in God de Schepper en Vader, Jezus Christus en de Heilige Geest. De bisschop of priester ofwel oudste van de gemeente bediende de doop. Diakenen assisteerden hem; bij de doop van vrouwen waren er vrouwelijke diakenen. Kinderen mochten met hun ouders de doop ontvangen. Dat werd trouwens niet altijd aangemoedigd.
Na de doop werden de nieuwe christenen met olie gezalfd. Dat wees op de Heilige Geest die zij ontvingen. Net als de priesters en profeten van het Oude Testament en Christus zelf werden zij ‘gezalfden’ (1 Joh. 2:20, 27). ‘Christus’ betekent immers ‘gezalfd’. Zij kregen daarna een wit gewaad aan en werden beschouwd als pasgeboren kinderen in het geloof (1 Petr. 2:2). Ze waren geboren uit water en Geest (Joh. 3:5). Daarna namen zij met de gemeente voor het eerst deel aan de eucharistie. De volgorde was vaak, dat de doopleerlingen eerst de sacramenten ondergingen. Pas in het vervolgonderwijs werd dan uitgelegd wat alle rituelen betekenden. Het geheel moet een diepe indruk op de gedoopten hebben gemaakt. Ze waren al overgegaan naar Gods Koninkrijk. Erin ingewijd.
Dr. Riemer Roukema is emeritus hoogleraar Nieuwe Testament en vroeg christendom van de Protestantse Theologische Universiteit in Utrecht en predikant van de Waalse gemeente (PKN) in Zwolle.