Hoog als een berg of dun als een haar
De rechtvaardige en de wetteloze in de rabbijnse traditie
‘Rabbi Jehoeda verklaarde: In de tijd die komt (aan het einde der tijden) zal de Eeuwige de kwade drijfveer brengen en haar slachten voor de ogen van rechtvaardigen en wettelozen. Voor de rechtvaardigen zal ze de indruk wekken van een hoge berg; voor de wettelozen zal ze de indruk wekken van een draad zo dun als een haar. De rechtvaardigen zullen huilen en zeggen: ‘Hoe hebben we ooit zo’n hoge berg kunnen bedwingen?’ Ook de wettelozen zullen huilen maar zeggen: ‘Hoe is het mogelijk dat we deze draad zo dun als een haar nooit bedwongen hebben?’’ (Talmoed Bavli Soekka 52a).
Deze overlevering uit de Babylonische Talmoed is typerend voor het contrast dat Schrift en traditie aanbrengen tussen de tzaddiek en de rasja – tussen de rechtvaardige en de wetteloze. Heel verschillend is het beeld dat beiden van zichzelf hebben. De rechtvaardige is zwaartillend en nimmer geheel zeker van zichzelf. Hij blijft altijd beducht om de minste misstap te begaan, om op enigerlei wijze anderen te benadelen en te schaden. De ‘wetteloze’ is daarentegen dik tevreden met zichzelf. Hij is blind voor eigen tekortkomingen. Hij ontkent of onderschat de negatieve gevolgen die zijn daden op de langere termijn kunnen hebben.