Menu

Basis

Horen en genade ontvangen

Vijfde zondag van de zomer (1 Samuel 1:1-20, Lucas 10:38-42 en Psalmen 15)

Uit Psalmen 15 kunnen we afleiden dat de Schriften partijdig zijn. Er wordt gekozen tegen degene die zijn of haar metgezel ‘lastert’ of ‘kwaad doet’ (Psalmen 15:3 – Naardense Bijbel). Die partijdigheid zien we terug in beide lezingen uit Tenach en Evangelie, waarin het gaat over onderlinge pijn tussen twee vrouwen. Bij Hanna en Peninna gaat de pijn over de liefde van een man en het wel of niet hebben van kinderen. Bij Marta en Maria draait de pijn om de goedkeuring van een man en de betekenis van dienstbaarheid. In beide verhalen worden bestaande patronen doorbroken.

In de Tenachlezing speelt de vrouw Hanna de hoofdrol. Haar naam (Hebr.: channah) betekent zowel ‘gracieuze’ als ‘begenadigde’. Hanna deelt het lot van de aartsmoeders van Israël: tweemaal (1 Samuël 1:5.6) staat er ‘de Eeuwige (Hebr.: jhwh) had haar baarmoeder (Hebr.: rèchèm) gesloten (Hebr.: sagar)’. Dat overkwam ook Sara, Rebekka, Rachel, Lea en de moeder van Simson. Wel had haar man Elkana Hanna lief (Hebr.: ’ahabh = liefhebben – 1:5). Deze liefde van Elkana voor Hanna herinnert aan de liefde van Jakob voor Rachel. Elkana zelf is van mening dat hij met zijn liefde meer waard is dan tien zonen (1:8). Ondertussen is er echter een tweede vrouw, Peninna, die zowel ‘zonen’ (Hebr.: banim) als ‘dochters’ (Hebr.: banot) heeft (1:4). Het ziet ernaar uit dat zij wel de kinderen, maar niet de liefde van haar man krijgt. Dit herinnert aan Lea. Peninna kan het niet laten om Hanna jaar op jaar bij het offerfeest in Silo te ‘treiteren’, ‘krenken’, ‘verdriet te doen’ (Hebr.: kha‘as – 1:6-7). Nadrukkelijk staat erbij: ‘om haar woedend of verdrietig te maken’ (Hebr.: ba‘abhoer harre‘imah – 1:6). Het gevolg is dat Hanna niet meer eet en ‘weeklaagt’ of ‘weent’ (Hebr.: bhakhah – 1:7-8).

Zij stond op en God hoorde

Het verhaal neemt in 1:9 een wending wanneer Hanna opstaat: ‘zij stond op’ (Hebr.: wataqam). Zij gaat naar het heiligdom en richt zich tot de Eeuwige met haar verdriet en ‘weeklaagt’ of ‘weent zeer’ (Hebr.: oebhakhoh tibhkhèh – 1:10). Zij klaagt niet alleen haar nood, maar doet ook een gelofte (Hebr.: watiddor nèdèr – 1:11). Het komt erop neer dat zij de Eeuwige vraagt om haar als zijn ‘dienstmaagd’ (Hebr.: ’amah – driemaal in 1:11) te ‘gedenken’ (Hebr.: zakhar) en haar ‘mannelijk zaad’ (Hebr.: zèra‘ ’anasjim), een mannelijke nakomeling, te schenken. In ruil zal zij hem teruggeven aan de Eeuwige ‘alle dagen van zijn leven’ (Hebr.: kal-jemee chajjaw) en er zal geen scheermes over zijn hoofd komen (1:11). Haar smeekbede blijkt te zijn gehoord, want uiteindelijk zal Elkana zijn vrouw ‘bekennen’ (Hebr.: jada‘) en zal de Eeuwige haar ‘gedenken’ (1:19). Het gehoord zijn komt tot uiting in de naam van haar zoon, Samuel (Hebr.: sjemoe’el), die letterlijk betekent ‘God heeft gehoord’ (1:20). De gekrenkte, uit zichzelf onvruchtbare Hanna kan haar kind niet als haar eigen verdienste beschouwen. Zij, de ‘begenadigde’, staat als het ware model voor het volk Israël, dat uit Gods ‘genade’ (Hebr.: chen) leeft. Peninna, wier naam zoiets kan betekenen als ‘vrouw met veel haar’ of ‘hoekig’, vertegenwoordigt dan eerder de ‘volkeren’ (Hebr.: gojim), voor wie verdienste een grote rol speelt.

Marta en Maria

Het evangelieverhaal begint met een hoofdrol voor Marta. Zij is degene die Jezus ‘ontvangt’ (Gr.: hupodechomai – Lucas 10:38). De naam Marta betekent in het Aramees ‘meesteres’, ‘gebiedster’, ‘lerares’. Zij lijkt gewend om de lakens uit te delen. Over haar wordt geschreven: ‘Marta werd in beslag genomen door veel dienst’ (Gr.: diakonia – 10:40, eigen vertaling). De naam van haar zuster Maria (Hebr.: mirjam) betekent ‘zwaarlijvige’ of ‘geliefde’. Zij is veel minder actief, zo op het eerste gezicht: ‘zij was aan de voeten van de Heer gaan zitten en hoorde zijn woord’ (10:39, eigen vertaling). Dit ergert Marta hoorbaar als ze tegen Jezus zegt: ‘Heer, gaat het Je niet ter harte, dat mijn zuster mij laat dienen?’ (Gr.: diakonein – 10:40, eigen vertaling). Het blijft bijzonder dat Lucas direct na het verhaal van de barmhartige Samaritaan (10:30-37), waarin diaconie heel belangrijk wordt gevonden, een vrouwenverhaal toevoegt waarin diakonia en diakonein niet het allerbelangrijkste blijken te zijn (10:40-42). Blijkbaar hoeft de rol van vrouwen in de christelijke gemeente niet alleen dienend of zorgend te zijn. In dit verhaal wordt de blik van het dienen verlegd naar het lernen. Dat is voor vrouwen in die tijd heel bijzonder. Zij stonden op de achtergrond bij het joodse lernen, evenals in de godsdienst en filosofie van de omringende Grieks/Romeinse cultuur.

Zij hoorde zijn woord

De evangelist Lucas verwijst in 10:39.41-42 naar het begin van de geloofsbelijdenis van Israël (het sjema‘): ‘Hoor, Israël: de HERE is onze God; de HERE is één!’ (Deuteronomium 6:4 – Vertaling NBG 1951). Wat Maria doet, is immers ‘horen’, zoals Israël wordt opgedragen: ‘zij hoorde zijn woord’ (Gr.: ekouen ton logon autou – Lucas 10:39). Daarom zegt, lernt, Jezus aan Marta: ‘Marta, Marta, je bent bezorgd en maakt je druk over veel, één ding is echter nodig’ (10:41-42, eigen vertaling). Tegenover de veelheid die we ook bij Peninna zagen, de veelheid van de volkeren (Hebr.: gojim), komt de eenheid terug van ‘horen naar’ de Eeuwige, die één is (Deuteronomium 6,4).

De goede verstaander hoort hier het vervolg meeklinken: ‘Gij zult de HERE, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht’ (Deuteronomium 6:5 – Vertaling NBG 1951). ‘Liefhebben’ staat centraal. Liefhebben is iets anders dan dienen en zorgen. Liefhebben is wederkerig. Marta wordt niet veroordeeld, maar bevrijd door de kritiek van Jezus. We hoeven geen burnout te krijgen omwille van eigen verdienste, maar mogen horen en genade ontvangen.

Deze exegese is opgesteld door Willemien Roobol.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken