In God verdwalen
Een meditatie over het niet-weten
Voor een buitenstaander ben ik waarschijnlijk een saaie wandelaar. Hij ziet me steeds opnieuw dezelfde route nemen. Zelf vind ik herhaling een ideaal recept om in hetzelfde andere dingen op het spoor te komen. Zelfs na lange tijd ontdek ik zaken die er tevoren waren, maar die ik niet had opgemerkt.
Door hetzelfde pad te kiezen, wordt de uiterlijke weg voor mij steeds meer een weg naar binnen. Ik word minder afgeleid, veeleer ingeleid in wat ik al zag. Het is of de toegangspoort naar de binnenkant zich opent. De symbolische gelaagdheid die opgeplooid zat in wat ik zag langs de weg, kruipt uit haar verpakking.
Ik ben geen wandelaar die van punt A naar B stapt, om me daarna naar punt C te begeven. Ik keer steeds terug naar de plek waar ik vertrok om daar vast te stellen dat mijn vertrekpunt niet meer hetzelfde is. Ik zie meer.
Hetzelfde dat telkens anders is
Steeds weer dezelfde route afleggen, is de metafoor bij uitstek van de manier waarop ik in het leven sta. Ik daal af in hetzelfde en ontdek dat dit telkens anders is. Dit kenmerkt niet alleen mijn manier van denken, maar ook de wijze waarop ik geloof. Ik wandel in Gods richting, steeds weer leg ik hetzelfde pad af en ontdek dat mijn oorsprong de bestemming is. Al zo vaak heb ik moeten toegeven dat God veel groter is dan wat ik over Hem dacht te weten. Ik besef dat het verdwalen in Hem mijn weg is. Stilte is mijn trouwe gezel op deze weg.
Elke ochtend begeef ik me een uur in de stilte. Die stilte is steeds dezelfde en toch ook niet. De uiterlijkheid ervan is dezelfde – zoals mijn wandelroute – maar de stilte ervaar ik vaak heel anders. Wat de stilte met mij doet van binnen, verschilt sterk van dag tot dag. Nu eens geniet ik van haar, dan weer slaagt ze erin van een uur een eeuwigheid te maken. Ik heb geleerd me steeds minder bezig te houden met hoe ik me tijdens zo’n uur stilte voel. Ik denk zelfs dat dit misschien wel de hele bedoeling samenvat van deze stille tijd. Mijn gevoel is niet verdwenen, maar het gewicht dat ik eraan hecht wel. Ik blijf trouw, hoe ik me ook voel. De voorgenomen tijd blijf ik zitten. Ik ervaar dat zwijgen en luisteren me innerlijk omvormen. Vraag me niet hoe. Daar weet ik niets van. Ik weet niet hoe het werkt, wel dat het gebeurt.
Stilte is Gods moedertaal
Een langere bloostelling aan de stilte doet iets met een mens. Ik neem dingen van haar over. Er ontstaat een vorm van gelijkenis. Ze onderricht me mijn mond te houden en maakt me duidelijk dat luisteren altijd eerst komt. Stilte vertolkt een manier van zijn waarbij ontvankelijkheid centraal staat. Dit blijkt een basisvoorwaarde in mijn omgaan met God.
Ik ben ervan overtuigd dat stilte Gods moedertaal is. Ze verstaan elkaar. Waar stilte is, is God. Waar God is, is stilte niet ver weg. Ik ben lang kwaad geweest dat God zweeg. Tot ik inzag dat zwijgen de manier is waarop Hij spreekt. Jawel, het is de uitgelezen manier om mij ontvankelijk te maken. Over deze eigenaardigheid van Gods omgang met ons mensen, had ik graag eerder gehoord. Nu heb ik er vrede mee. Zijn zwijgen, is zijn manier om me gezelschap te houden. Ik geniet van deze vorm van nabijheid.
God, out of the box
Wat God betreft, moeten we fundamenteel en steeds opnieuw ‘out of the box’ denken. Hij past in geen enkel denkkader, mijn denken is veel te klein om Hem te bevatten. Ik heb het gevoel dat ik bij mijn denken over God een verrekijker in de hand heb. Altijd blijft God voor mijn denken op een afstand en zelfs als ik Hem in het vizier heb, zie ik maar een stuk van wie Hij is. Ik word daar sterk door geboeid. Waarom zou ik alles in een keer moeten kunnen overschouwen, de hele God? Fragmenten van God, daar heb ik eerlijk gezegd al meer dan genoeg aan.
Denken over God vergelijk ik met het innemen van een parkeerplaats. Het is goed om dat te doen, om een gedachte over God een plaats te geven. Maar het principe dat gehanteerd wordt bij parkeerplaatsen is de beperking in de tijd. Elke gedachte over God moet ik weer plaats laten ruimen voor een andere gedachte. Die carrousel is noodzakelijk. Doe ik dat niet, dan herleid ik God tot één gedachte. Dan denk ik Hem klein, maak ik een karikatuur van Hem. Hoewel het voordeel hiervan hanteerbaarheid is, is dit alleen maar een vergissing.
Door een idee over God los te laten, maak ik de parkeerplaats vrij voor een andere gedachte. Die soepelheid is een waarborg voor een andere invalshoek over wie God is. Het is of ik afleveringen te zien krijg over Hem. Er komen alsmaar afleveringen bij. Beelden van God stapelen zich op.
Van uit-houden naar houden-van
Iemand leren kennen, zorgt er normaal voor dat we meer over die persoon te weten komen. Dat is helemaal anders als het over God gaat. In de mate dat ik God beter heb leren kennen, is mijn onwetendheid over Hem alleen maar toegenomen. En het sterkste is, dat ik dat als heel positief ervaar. Alles in mij zegt dat het klopt, dat ik op die manier God recht doe. Dit niet-weten heb ik lange tijd voor een vijand aangezien. Een stommiteit van de jeugd, denk ik nu. Aan vijanden besteedt een mens veel onnodige tijd.
Sinds ik het mysterie dat God is, mysterie laat zijn, wordt God groter, het ongekende krijgt ruimte. Ik vind het momenteel heerlijk om te verdwalen in God. In plaats van manieren te zoeken om het niet-weten van wie God eigenlijk is uit te houden, houd ik steeds meer van wat ik niet weet over God. Ik ontdek steeds nieuwe zaken over Hem. Het verheugt me dat Hij me weet te verrassen, ik ben nieuwsgierig naar wat Hij nog voor mij in petto heeft.
De eeuwige tweede
Weten en niet-weten heb ik steeds als tegengesteld ervaren. Net alsof het een ongeschreven wet is dat kennis erin bestaat om wat we niet weten om te zetten in weten. In de wetenschap wordt dit zeker zo gezien. ‘We weten het nu nog niet’, luidt het daar steeds weer. Eigenlijk is het dus allemaal een kwestie van tijd. Zulke rechtlijnigheid is heel misleidend. Ik zie dat helemaal anders. Ik ervaar niet-weten als gelijkwaardig aan weten. En als ik dit op God toepas, kan Hij steeds meer plaats innemen. Hij mag zichzelf zijn, een mysterie dat nooit helemaal helder wordt. God is niet alleen maar duister. Het is niet dat ik niets over Hem weet. Maar op de weegschaal blijkt het niet-weten veel groter dan wat ik weet. Dat onevenwicht toont wie God is, deze disbalans breekt mij open. Dat God ontsnapt aan mijn denken dat Hem wil omvatten en begrijpen, is een zegen.
Openbaring omschrijf ik als het oplichten van de sluier die de werkelijkheid bedekt die God is. Dat gebeurt met mondjesmaat. Het basisgevoel erbij is dat ik de eeuwige tweede ben. Als ik bijvoorbeeld zeg dat ik God bemin, dan verneem ik dat zijn liefde me altijd voor is. Als ik tot Hem nader, dan zie ik in dat Hij dat al de hele tijd doet. Als ik Hem zoek, dan verklapt Hij me dat Hij mij zoekt zolang ik besta.
Koudwatervrees
Al wandelend kom ik op een bepaald moment bij een meer. Ik ervaar hoe het loslaten van de vaste grond mijn volgende uitdaging vormt. Ik sta aan de rand van het water en ervaar koudwatervrees. Er zijn mensen aan het zwemmen, ze zeggen dat ik erbij moet komen. Ze spreken me moed in. Ik heb zoveel gelezen over zwemmen, ik heb filmpjes gezien over hoe een mens leert zwemmen. Maar alleen door het zelf te proberen, zal ik het leren.
God is als het water. Het water is de liefde. Ik weet wat liefde is. Niet wat zoveel liefde is. Deze liefde zal me dragen als ik me erin begeef. Mijn weten wat liefde is, zal toenemen door te zwemmen, maar tegelijk zal de hoogte, de lengte, de breedte en de diepte van de liefde me grotendeels blijven ontsnappen. Ik heb daar vrede mee. Ik hoef de afmetingen van het water niet te kennen om te leren zwemmen. God wil dat ik me in Hem begeef. Als ik me nu en dan dieper in de liefde begeef, me dieper in het water begeef, dan schenkt Hij me zijn Geest als adem.
In God leef ik, beweeg ik en ben ik. Weten en niet-weten hebben een eeuwig verbond gesloten. Gods hart is een boei, ik zwem ernaartoe. Als ik denk dichterbij te komen, is Hij verdwenen. Ik zoek Hem, mijn leven lang. Jezus kon wandelen op water, maar ik zal moeten zwemmen.
Met niemand laat U
zich vergelijken.
Dat is erg vervelend.
Steevast stijgt U
boven mijn verwoede
springpogingen uit.
Het dramatische is
dat net deze
onbereikbaarheid
me uw richting uit stuwt.
Ik vind geen rust meer,
los van U.
De drang naar U in mij
is onbedwingbaar.
Als genetisch materiaal bent U.
Ik heb hiertegen geen verweer.
Ik kan niet zonder U,
maar in mijn verlangen
naar U
toont U zich niet.
U, raakbare onraakbaarheid,
laat me doelbewust tasten in het duister.
Gemis is mijn thuis.
U brandt in mij.
(uit ‘Erik Borgman en Erik Galle, God als onrust, Otheo Books, 2025.)
Erik Galle (1963) is priester en psychotherapeut. Hij is auteur van verschillende boeken waarin menselijke groei en het zoeken naar God elkaar vinden.