Menu

Basis

In storm en wind

Bijbelwetenschappen

1e zondag van de zomer (Job 30:15-26; 38:1vv., Psalm 107:17-32 en Marcus 4:35-41)

De dag loopt ten einde, de nacht komt naderbij. Zo situeert Marcus het verhaal van de storm op het meer. Wat wordt ons hier veel gezegd over de geheimen van het Koninkrijk! De laatste woorden van Jezus’ parabelrede klinken nog in onze oren, over het mosterdzaadje, het beeld van de weerloze gemeente van Jezus Messias in de grote wereld. Onmiddellijk daarna vertelt Marcus hoe het scheepje van Jezus en zijn vrienden met enkele andere bootjes weerloos op de holle zee van Galilea de donkere nacht tegemoet gaat.

Wanneer Marcus kort na het jaar 70 dit verhaal in zijn Evangelie opneemt, leeft hij waarschijnlijk in Rome. De tempel van Jeruzalem is verwoest. De christenen zijn niet welkom bij de vromen in de synagoge en het Romeinse bestel is hun vijandig gezind. De jonge kerkgemeenschapjes voelden zich als de angstige vissers in hun kleine schuitjes midden in de storm. Wat betekenden zij tegenover de duizenden staatsgodsdienstigen van het Romeinse Imperium? Zij worstelden ook met het mysterie van Jezus’ dood, in de Marcustekst verbeeld door zijn slaap (4:38). Op de muren van de catacomben hebben de bedreigde christenen meermaals de vis afgebeeld die in het water kan leven, als symbool van de levende Heer, maar ook het bootje van Jona, die zijn roeping wilde ontvluchten en in het water terechtkwam. Het ‘teken van Jona’ (Matteüs 12: 38-40) is het teken van Gods redding uit de donkere greep van de dood, de buik van het zeemonster, een iconografische voorafbeelding van Jezus’ opstanding uit het graf. Tegelijk was het een troostend getuigenis van Gods trouw aan zijn gemeente ondanks alles, want Jona was geen modelgelovige.[1]

JHWH’s antwoord aan Job

Dezelfde combinatie van zekerheid en onzekerheid treffen we aan in het boek Job. Job verwijt God uiteindelijk dat Hij hem in noodweer doet vergaan en hem geen antwoord geeft (30:15-26). Dan zwijgen zijn vrienden en hijzelf (32:1-6) en rest hun niets dan te wachten. Zal God inderdaad naar zijn dienaar verlangen, hem roepen (14,15) en antwoord geven? Als dan eindelijk JHWH Job antwoordt uit de storm (38:1), dan is dat antwoord op het eerste gehoor niet erg bevredigend: Job klaagt en God geeft ‘theologie-les’ over zijn schepping (38:2-39:30). Nee, zo mag men niet spreken. Een talmoedische spreuk zegt dat de ‘voleinding van het werk te vinden is in het begin van de gedachte’. Om te begrijpen wat God met ons van plan is, moet je de interne structuren van het begin bestuderen. Daarom schildert de schrijver van het boek Job God als schepper én bewaarder van zijn schepping. God herinnert Job aan zijn grote scheppingsplan, dat bevrijding betekent en rechtvaardige ordening. De Geest van God broedde immers boven de wateren. En er kwam licht. Zee en land werden gescheiden: de aarde werd bewoonbaar. De maan en de sterren zijn geen gevaarlijke machten, maar lampen aan het plafond die Gods geschiedenis met de mensen mogen bijlichten (Genesis 1).

God bladert met Job in het album van zijn schepping. Zijn werken en hun geheimen zullen de mens van hun mysterie naar zijn mysterie voeren: Hij heeft alles goed geschapen en zal zijn schepping bewaren. Job krijgt in storm en wind Gods stem te horen, en gegrepen door zijn majestueuze aanwezigheid antwoordt hij JHWH: ‘Ik leg de hand op mijn mond’ (40:4).[2]

JHWH komt te hulp

De leerlingen van Jezus hadden om hulp geroepen (Marcus 4:38). Vooral in de psalmen vinden we soortgelijke noodkreten. God lijkt te slapen. Komt Hij zijn mensen nog te hulp? ‘Waarlijk, om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij zijn als slachtschapen. (…) Sta op, ons ter hulpe, verlos ons omwille van uw goedertierenheid’ (Psalm 44:23-27 – NBG ’51). Maar in de psalmen is ook sprake van de stilte na de storm: ‘Er waren er, die met schepen de zee bevoeren (…) Hij sprak en deed een stormwind opsteken (…) zij wankelden (…) Toen riepen zij tot de Heer in hun benauwdheid en Hij voerde hen uit hun angsten; Hij maakte de storm tot een zacht suizen, zodat de golven stil werden. (…) Dat zij de Heer verhogen in de gemeente des volks, en Hem loven in de raad der oudsten’ (Psalm 107:23-33).

‘Wie is toch Deze?’

In de stilte na de storm vindt een gesprek plaats tussen Jezus en zijn leerlingen. Zij hadden, anders dan zij die buiten staan, het geheim van de groei van het Koninkrijk in de wereld mogen horen (Marcus 4:11). Ze hebben het alleen nog niet goed verstaan. Op dezelfde dag waarop Jezus hen had ingewijd in de dingen van de Vader, schreeuwen zij het uit van angst. De psalmist en Job wisten van Gods redding door alles heen, maar waar is het geloof van de leerlingen? Ook na het avontuur op de zee is dat er nog niet.

Geconfronteerd met het geheim van de Mensenzoon die paal en perk stelt aan de macht van het kwaad zijn ze beduusd. Ze durven de vraag: ‘Wie is toch deze, dat ook de wind en de zee Hem gehoorzamen?’ (4:41) nog niet te beantwoorden. Er zal nog heel wat moeten gebeuren voor zij tot de geloofsbelijdenis komen: Hij wijst ons de weg naar bevrijding van zonde, Hij voert ons weg uit het slavenhuis en trekt ons de zee door als ‘leidsman ten leven’ (Handelingen 3:15). Pas na Pasen zullen ze belijden dat Jezus’ weg een weg ten leven is. Pas dan zijn ze met hun Heer alle ziedende elementen de baas.

Deze exegese is opgesteld door Hein Jan van Ogtrop.

Voetnoten

[1] Zie ook: H.J. van Ogtrop, In het Leerhuis van Marcus, Den Bosch 1996 (12e zondag door het jaar).

[2] Vgl. E. Wiesel, Job of God in storm en wind, Utrecht 1989, 359.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken