Menu

Premium

In woord én daad

5e zondag na Epifanie (Marcus 1,29-39)

Marcus 1,29-39 bestaat uit een aantal korte scènes uit het begin van Jezus’ ‘openbare optreden’: de genezing van de schoonmoeder van Simon (Petrus), algemene genezingen in de stad, Jezus die zich terugtrekt voor gebed, en een tournee van verkondiging en exorcisme in heel Galilea. Er zit een ritme in de tekst: het zijn telkens vignetten met een gedetailleerde interactie tussen Jezus en anderen, gevolgd door een groter verhalend gebaar. Marcus laat hiermee een stukje vertelkunst zien: via de vignetten toont hij de inhoud van Jezus’ algemene optreden, terwijl het algemene optreden de omvang aangeeft van wat Jezus doet.

Deze perikoop – en veel van wat er tot 3,6 volgt – is een verhalend antwoord op de vraag die mensen die met Jezus in aanraking komen, in 1,27 stellen. Ze vragen zich af wat dit nu allemaal is, een nieuwe leer met gezag aan wie zelfs de boze geesten gehoorzaam zijn. De vraag naar het ‘wat’ houdt natuurlijk ook de vraag naar het ‘wie’ in. Deze theologische volgorde past goed bij de manier waarop Jezus en het Koninkrijk Gods in het Evangelie volgens Marcus samenhangen: de nabijheid van het Koninkrijk en de verkondigende belichaming ervan maken Jezus tot wie Hij is. Dit zal uiteindelijk tot conflicten leiden, zoals in de loop van hoofdstuk 2 steeds duidelijker wordt. In 3,6 komt het tot het besluit van de gelegenheidscoalitie van farizeeën en herodianen om Jezus om te brengen.

Concreet en lichamelijk

Wanneer Marcus 1,29-30 gelezen wordt als deel van het antwoord op de vraag uit 1,27, vallen drie dingen op. Ten eerste kan in de vertelkunst van Marcus, met zijn afwisseling van vignetten en vergezichten, ook iets gelezen worden van de concreetheid van het heil dat Jezus brengt: het gaat om de omgang met concrete mensen die aan iets concreets lijden. De scène met de genezing van Simons schoonmoeder is een duidelijke ‘daad’ die volgt op de opmerking in vers 28 over Jezus’ toenemende bekendheid. Wanneer Jezus dan van zijn gebed op een eenzame plek teruggehaald is, blijkt de verkondiging die Hij op het oog heeft te bestaan uit verbale verkondiging en het uitdrijven van demonen (1,39).

Met het verbinden van woord en daad is ook nog iets anders gegeven, namelijk dat het heil een bijzonder lichamelijk (en daarmee ook altijd: sociaal) karakter heeft. Wat dat laatste betreft, is het bij de genezing van Simons schoonmoeder treffend dat ze meteen weer een actieve rol op zich neemt door voor Jezus en zijn metgezellen te zorgen (niet omdat dienen nu een typisch vrouwelijke taak is, overigens – vgl. 10,45 – maar wel omdat gastvrijheid een belangrijke deugd is). Louter geestelijke verlossing bestaat niet in de wereld van Marcus (of van Jezus).

Relatie tot de Vader

Ten derde is de scène met Jezus’ gebed (1,35) van bijzondere interesse. Dit gegeven komt in het Evangelie volgens Marcusdrie keer voor: hier, vervolgens in 6,46 (na de eerste ‘wonderbare spijziging’) en ten slotte in hoofdstuk 14 (in de hof van Getsemane). Bij alle verkondigende, genezende en boze geesten uitdrijvende geweld van Jezus in Marcus’ snel vertelde verhaal raakt dit gegeven bijna ondergesneeuwd, totdat het in de hof van Getsemane een nadrukkelijke rol zal spelen. Zoals daar zal blijken, met name in 14,36, staat het gebed sterk in het teken van Jezus’ relatie tot de, of beter gezegd: zijn Vader. Dat is de bijzondere identiteit die Jezus heeft. Zeker, God als Vader aanroepen is voor iedere gelovige uit Israël goed mogelijk, ook voor en na Jezus, maar: het hele Evangelie volgens Marcus staat in het teken van het ontdekken dat Jezus Gods Zoon is (van 1,1 af aan).

‘Wat is dit?’ Deze vraag uit 1,27 die de directe achtergrond van de evangelielezing van deze zondag vormt, spreekt een centraal thema, zo niet hét centrale thema van het Evangelie volgens Marcus aan: verkennen wat en wie de Zoon van God is. De scène waarin Jezus wil bidden en vervolgens tot actie wordt gemaand, verbindt twee belangrijke lijnen in deze thematiek. Enerzijds is er de bijzondere relatie tot God, de Vader van Jezus, die Hem tot Zoon van God maakt. Anderzijds is er het verkondigende belichamen van Gods heerschappij dat concrete inhoud aan deze rol geeft. Beide zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Verkondiging

Voor de verkondiging ligt het voor de hand om bij een van deze thema’s aan te sluiten. Het accent dat je legt zal mede te maken hebben met je theologische traditie. Je kunt insteken bij de meer ‘verticale’ relatie van Jezus tot de Vader als Zoon van God. Je kunt ook kiezen voor de onverbrekelijke samenhang tussen woord en daad, als twee te onderscheiden, maar niet te scheiden gegevens. Ook zo kun je de reflectie op gang brengen over de vraag wie Jezus is in het Evangelie volgens Marcus en wie Hij voor de gemeente vandaag kan zijn. Marcus lukt het in ieder geval goed om beide benaderingen, die makkelijk van elkaar gescheiden kunnen raken, toch bij elkaar te houden: zowel de horizontale als de verticale dimensie van Jezus’ Zoonschap, dat wil zeggen het verkondigen in woord én daad.

Bovendien doet Marcus dat op een bijzondere manier, namelijk door zijn verhaal over Jezus zo te vertellen dat de verschillende dimensies er hun plek in vinden. Zo vertellend te verkondigen en daarmee samenhang aanbrengen in het beeld van Jezus kan ook een manier zijn om bij Marcus aan te sluiten.

Deze exegese is opgesteld door Peter-Ben Smit.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken