Inkeer én verlangen
1e zondag van de Advent (Jesaja 63,19b–64,8, Psalm 85 en Marcus 13,24-37)
Met Psalm 85 opent de periode van Advent met een psalm van inkeer. In de eerste verzen wordt de Heer herinnerd aan zijn genadige omgang met het volk. Vervolgens klinkt in vers 5 een bede tot de Heer om terugkeer. Een bede die in vers 7 klinkt als de roep vanuit een ultieme diepte: ‘Breng ons weer tot leven.’ In vers 9 onderbreekt de psalmist zichzelf en schept hij ruimte voor woorden van vrede van de Heer zelf. Het is een vrede die samenhangt met recht doen. Die samenhang baant voor God de weg.
De aanhef van de Jesajalezing (63,19b) past bij het eerste lichtje van Advent: het lichtje waarvan het vuur dorre twijgen in vlam zet en water doet koken (64,1a). Vervolgens wordt de inkeer van Psalm 85 hernomen en verdiept. Meerdere keren is er in de tekst een heen en weer van een ‘niet durven hopen’ (64,2a) en een ‘toch’ (64,2b). Dit heen en weer culmineert in de vraag waarmee de lezing eindigt: ‘Wij zijn toch uw volk?’ (64,8). Het vraagteken heeft meer betrekking op de situatie waarin het volk zich bevindt, dan op de toorn van de Heer. De inkeer lijkt daarmee verder te gaan dan in Psalm 85. In de psalm was nog sprake van een roep vanuit de diepte, maar hier is ‘niemand die uw naam aanroept’ (64,6a). De profeet ziet aan het eind van vers 6 het volk overgeleverd aan wangedrag.
Iets eerder, in vers 5, noemt de profeet het volk ‘onrein’. De gerechtigheid van het volk is besmeurd ‘als een bebloede doek’. Letterlijk vertaald staat er ‘als het kleed van een menstruerende vrouw’. De profeet gebruikt hier schokkende taal. Het is alsof hij het volk wakker wil schudden en wil doordringen van de woorden die in vers 4a klonken: ‘U komt ieder tegemoet die van harte rechtvaardig handelt.’ Het is dé uitweg voor het volk uit het eigen wangedrag. Het zijn genadige profetische woorden die het laatste vers van Psalm 85 hernemen: ‘Het recht gaat voor God uit en baant voor Hem de weg.’
Ondergang
In de Marcuslezing worden we erbij bepaald dat de tijd van Advent, de tijd van verwachting van zijn komst, de kenmerkende tijd is voor de gemeente van de Heer. Wij bevinden ons tussen komst en wederkomst. In de cyclus van het kerkelijk jaar oefenen we ons in de verwachting van zijn wederkomst, in die gang voltrekken we het mysterie van zijn leven, dood en opstanding aan ons en kijken we uit naar voltooiing van dat mysterie.
In Marcus 13,24-26 wankelt de kosmos. Volgens Thom Naastepad doen de wolken waarop de Mensenzoon verschijnt, denken aan de dampen die opstijgen uit brandende puinhopen.1 De Mensenzoon verschijnt als de Ene die ontkomen is aan het graf en aan de verschrikkingen. De flarden van de ondergang zweven als het ware nog om Hem heen. Daarmee roept de tekst het beeld op, dat de wereld zoals wij die kennen ten onder zal gaan.
Dat beeld past bij de tijd waarin de evangeliën zijn ontstaan, na het jaar 70. In dat jaar immers werd de tempel verwoest en ging de wereld zoals men die gekend had ten onder. De tempel als het centrale instituut van de joodse godsdienst kwam tot een eind.
Weet wie je verwacht
Het beeld dat uit de tekst oprijst, zal in iedere tijd herkenning en speculaties opgeroepen hebben. Dat geldt zeker ook voor onze tijd, met de dreiging van een wereldoorlog, en met kerkelijke instituten die in ieder geval in ons land een kwijnend bestaan leiden. Naast dit beeld, van het ten onder gaan van een wereld zoals wij die kennen, is er in de tekst nadrukkelijk sprake van verwachting. Er wordt gesproken van het teken van het uitlopen van de takken en het in blad schieten van de vijgenboom. In de tijd van Advent kan dat associaties oproepen met de altijd groene kerstboom: hét teken in de donkerste tijd van het jaar dat het Licht op komst is.
Aan dergelijke tekenen kunnen we weten dat mensen ‘iets’ verwachten, wellicht iets meer dan een commercieel lichtjesfeest. Er gaat, ook in het diep geseculariseerde Kerstfeest, een verlangen in schuil. Het is evenwel een weten dat gehuld is in een niet-weten (13,32-33). Precies dat niet-weten gaat gepaard met de oproep aan de gemeente om waakzaam te zijn (13,33). Weet wie je verwacht.
Verlangen
Hoe zal de gemeente in de tijd tussen komst en wederkomst waakzaam blijven? En wat moeten we verstaan onder de metafoor van slapen en waken? Is ons leven al niet rusteloos genoeg om steeds te moeten waken? Of heeft juist die rusteloosheid het karakter van een in slaap gevallen zijn?
Een terugblik op Psalm 85 en de lezing uit Jesaja biedt mogelijk uitkomst. De bede uit Psalm 85,7, ‘Breng ons weer tot leven’, correspondeert met de oproep in Marcus 13,33: ‘Wees waakzaam.’ Wat ‘slapen’ inhoudt, wordt wellicht verwoord in Psalm 85,9: ‘vervallen in dwaasheid’. Hier tegenover staat het gericht zijn op recht dat voor God de weg baant. Jesaja 64,4 werpt een bijzonder licht op het waken: ‘U komt ieder tegemoet die van harte rechtvaardig handelt, die uw weg gaat, met U voor ogen.’ In die laatste woorden krijgt het waken het karakter van een verlangen. Daarmee gaat het niet om een van buitenaf opgelegde waakzaamheid, maar om een waakzaamheid die uit onze ziel komt. Het is alsof de bede uit de psalm ‘Breng ons weer tot leven’ verhoord wordt. Advent is zo, naast een tijd van inkeer, vooral een tijd van verlangen.
Deze exegese is opgesteld door Trinus Hoekstra.
- Th.J.M. Naastepad, Menswording. Uitleg van het evangelie naar Markus, Baarn 2000, p. 283. ↩︎