Menu

None

Inleiding

Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland

1.1      Opzet

In eerdere uitgaven van een Toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland werd de volgorde van de kerkorde en de ordinanties gevolgd. In deze uitgave wordt meer thematisch gewerkt.

Na dit eerste inleidende hoofdstuk beginnen we ‘dicht bij huis’, bij de gemeente, haar leden en de verschillende vormen waarin wij gemeenten kennen. Dan komt de eredienst in beeld, als het hart van het gemeenteleven. In het verlengde daarvan gaat het over allerlei aspecten van gemeenteopbouw. Het is de gemeente die uit haar midden ambtsdragers verkiest, en dat brengt ons bij de kerkenraad als de ambtelijke vergadering die leidinggeeft aan de gemeente.

Pas daarna richten we de aandacht op wat de gemeente te boven gaat: de plaats van predikanten en kerkelijk werkers in het geheel van de kerk, en de meerdere vergaderingen, namelijk de classicale vergadering en de generale synode. Deze Toelichting sluit af met hoofdstukken over de tradities waarmee de kerk zich verbonden weet, en over de kerkelijke rechtspraak.

1.2      Orde van de kerk

1.2.1     Omvang

De orde van de kerk, het geheel van de kerkordelijke regelingen, bestaat uit

  • de kerkorde, de zogeheten Romeinse artikelen
  • de ordinanties
  • de overgangsbepalingen
  • de generale regelingen
  • de nadere regelingen.

Dit geheel wordt ook wel aangeduid als de kerkorde. In de ordinanties wordt het geheel meestal aangeduid met de woorden ‘orde van de kerk’, maar ook ‘kerkorde’ komt voor. Uit het verband zal moeten worden opgemaakt of met ‘kerkorde’ het geheel is bedoeld of alleen de kerkorde in engere zin (de Romeinse artikelen). Als gesproken wordt over ‘overeenstemming in geloof en kerkorde’, worden de Romeinse artikelen bedoeld. Maar als gesproken wordt over regels van de kerkorde, wordt het geheel van de orde van de kerk bedoeld.

De kerkorde in engere zin bestaat uit 19 artikelen die met Romeinse cijfers worden aangeduid en daarom wel Romeinse artikelen worden genoemd. Dit is de grondwet. In deze artikelen is vastgelegd wat kenmerkend is voor de Protestantse Kerk in Nederland. Deze artikelen kunnen daarom door de synode alleen met twee derde meerderheid worden gewijzigd, nadat de synode het oordeel – in kerkordelijke taal: de consideraties – van de classicale vergaderingen (en via hen van de kerkenraden) en van de evangelisch-lutherse synode heeft gevraagd (art. XVIII KO).

In de regel worden alle kerkenraden betrokken bij wijzigingen in de kerkorde

De ordinanties zijn een meer praktische uitwerking van de Romeinse artikelen in spelregels voor de kerk. De ordinanties volgen de Romeinse artikelen. Art. I KO over het belijden van de kerk is uitgewerkt in ordinantie 1, art. II KO over de gemeenten in ordinantie 2 enzovoorts.

De synode kan deze spelregels wijzigen met een gewone meerderheid van stemmen. In de regel moet eerst ook hier het oordeel van de classicale vergaderingen en de evangelisch-lutherse synode worden gevraagd. Dat kan alleen achterwege blijven als de synode unaniem van oordeel is dat het niet nodig is dit oordeel te vragen (art. XVII KO). Dat kan het geval zijn als een wijziging onvermijdelijk is, bijvoorbeeld de wijziging van de emeritaatsleeftijd van predikanten van 65 jaar in de AOW-gerechtigde leeftijd.

Overgangsbepalingen zijn bepalingen die zeggen hoe bij wijziging van de regels in de overgangsperiode gehandeld moet worden. In 2004 is een groot aantal overgangsbepalingen vastgesteld omdat het recht van de verenigende kerken afweek van de nieuwe regeling. De meeste van die bepalingen zijn door de tijd achterhaald. In 2018 is daarom besloten alleen de overgangsbepalingen die nog in gebruik zijn te publiceren (in oudere uitgaven van de kerkorde is de complete lijst te vinden). Bij wijziging van de ordinanties kunnen nieuwe overgangsbepalingen nodig zijn. In ovb. 1 is vastgelegd dat de generale synode hiertoe bevoegd is. Voor de vaststelling of wijziging van deze bepalingen gelden dezelfde regels als voor de vaststelling en wijziging van ordinanties (zie art. XVII KO). In ovb. 2 is bepaald dat het generale college voor de kerkorde bevoegd is om een voorlopige correctie vast te stellen als blijkt dat een regel onduidelijk is of een zaak onvoldoende geregeld is. Deze correctie geldt tot de regel via de normale weg gewijzigd is, tenzij de kleine synode de correctie binnen dertig dagen buiten werking stelt. Het college moet vervolgens langs de normale weg een wijziging van de betreffende regel voorleggen aan de synode of kleine synode. In ovb. 3 is vastgelegd hoe overgangsbepalingen worden opgeheven. Deze drie overgangsbepalingen zijn geen overgangsbepalingen in strikte zin, maar regelen de overgangsbepalingen.

De generale regelingen bevatten meer technische bepalingen. Zo is in ordinantie 2 vastgelegd dat gemeenten kunnen samenwerken, en wordt vervolgens in generale regeling 1 (Gemeenten) bepaald wat in ieder geval bij samenwerking moet worden geregeld. Generale regelingen worden gewijzigd door de generale synode zonder dat het oordeel van classicale vergaderingen en evangelisch-lutherse synode hoeft te worden gevraagd (ord. 4-25-1). De generale regelingen waarin de rechtspositie van predikanten, kerkelijk medewerkers en kerkmusici wordt geregeld, worden gewijzigd door de kleine synode (ord. 4-26-5). Ook bij generale regelingen kunnen overgangsbepalingen worden gemaakt.

Wat aan regelingen niet in de kerkorde staat, is op de website van de kerk te vinden

Nadere regelingen zijn uitwerkingen van de ordinanties en generale regelingen. Het gaat daarbij om uitvoeringsbepalingen bij generale regelingen, en verder om huishoudelijke regelingen, plaatselijke regelingen enzovoorts. Deze staan niet in de gedrukte uitgave van de kerkorde; de landelijke bepalingen zijn in de regel wel via de website van de kerk te vinden.

Ten slotte is in art. XIX-1 KO een noodregel opgenomen: ‘Indien en voor zover buitengewone omstandigheden van land en volk het normaal functioneren van het leven van de kerk onmogelijk maken, treffen de daarvoor in aanmerking komende lichamen van de kerk of hun leden de door de omstandigheden tijdelijk geboden, van de orde van de kerk afwijkende maatregelen.’

Deze noodregel maakt het mogelijk dat bijvoorbeeld in tijden van oorlog en bij rampen ambtelijke vergaderingen en andere kerkelijke colleges, commissies enzovoorts (of als die niet kunnen bijeenkomen: leden daarvan) naar bevind van zaken kunnen handelen.

Al met al kent de kerk heel veel regels. Maar veel van die regels geven kaders aan waarbinnen eigen keuzen kunnen worden gemaakt. Zie bijvoorbeeld de regels rond algemene kerkenraad en wijkkerkenraad (§ 9.4.2). In een aantal gevallen geeft de kerkorde de ruimte om in bijzondere omstandigheden af te wijken van de hoofdregel: er staat dan dat een bepaling ‘in de regel’ geldt.

De kerkorde kent niet een instantie die dispensatie van regels kan geven. Slechts bij drie specifieke regels wordt in de kerkorde zelf de mogelijkheid van dispensatie geregeld (ord. 3-4-1; 3-4-2; 13-6-4).

In dit boek wordt als volgt naar de kerkorde verwezen:
Art. I-1 KO: lid 1 van artikel I van de kerkorde in engere zin
Ord. 3-2-3: lid 3 van artikel 2 van ordinantie 3
GR 2-3-3: lid 3 van artikel 3 van generale regeling 2
Ovb. 2: overgangsbepaling 2

In een opsomming wordt een komma gebruikt om leden of artikelen van elkaar te onderscheiden:
ord. 2-3-5,7 (lid 5 en 7 van ord. 2-3) of ord. 2-3,4 (artikel 3 en 4 van ord. 2).
ord. 5-3-2 t/m 8: de leden 2 tot en met 8 van ord. 5-3.

1.2.2     Uitleg van de kerkorde

Als het goed is, zijn de regels in de kerkorde in zichzelf voldoende duidelijk. Maar de kerkorde is een wetstekst, en voor de uitleg daarvan gelden bepaalde regels (die overigens veel gemeen hebben met de regels die gelden bij de uitleg van de Bijbel). Niet iedereen kan elke bepaling in de ordinanties direct goed begrijpen. Predikanten mogen geacht worden ervoor doorgeleerd te hebben, en een kerkenraad op dat punt goed te kunnen voorlichten. Maar een Toelichting als deze kan hen en minder deskundige gemeenteleden ook op het spoor zetten.

Stel dat in een kerkenraad bij de besluitvorming een kerkordelijke vraag opkomt, hoe ga je daar dan mee om? Welke stappen moeten gezet worden?

Wat zijn de feiten, en waar gaat het over?

Het begint altijd met het vaststellen van de feiten. Bijvoorbeeld: wat voor kerkenraad is het? Een ‘gewone’ kerkenraad, een algemene kerkenraad, of een wijkkerkenraad? Dat kan verschil maken, want die hebben verschillende bevoegdheden. Een wijkkerkenraad kan bijvoorbeeld niet iemand in dienst nemen.

Tweede stap: waar gaat het over? Een kerkenraad kan van alles willen, maar misschien is hij helemaal niet bevoegd. Bijvoorbeeld: wil de kerkenraad eenmalig iets samendoen met een andere kerkenraad, zoals een bezinningsdag organiseren? Of wil de kerkenraad structureel gaan samenwerken met een andere gemeente? Dat kan verschil maken. Dus: waar gaat het precies over?

Alleen als helder is wie wat wil besluiten en waarom dat gewild wordt, heeft het zin de kerkorde erbij te halen. Nu wordt wellicht een bepaling in de ordinanties gevonden die op het eerste gezicht van toepassing is op de situatie. Dan komen de uitlegregels – men spreekt ook wel van ‘de hermeneutiek van het recht’ – aan de orde. Daarin gaat het om vijf vragen die gesteld moeten worden. Deze vragen spelen in deze Toelichting op de achtergrond voortdurend een rol.

Wat staat er nu precies, en in welk verband?

De eerste vraag is: Wat staat er eigenlijk? Dat is nogal logisch, maar een woord of een zin kan vanzelfsprekender lijken dan het is. ‘De kerkenraad maakt een regeling voor zijn wijze van werken’ (ord. 4-8-7) is in juridische taal geen vaststelling van een feit (zie die kerkenraad daar eens bezig zijn), maar van een verplichting: de kerkenraad moet dat doen. ‘De kerkenraad’ – maar gaat het hier ook over een wijkkerkenraad? En wat betekenen in de ordinanties woorden als ‘in de regel’ of ‘voordracht’ precies? Niet voor niets is in deze Toelichting een lijst met belangrijke kerkordelijke begrippen opgenomen (zie § 1.5). En ook verder helpt dit boek om waar dat nodig is, allereerst te verhelderen wat de tekst precies zegt. Zo wordt bijvoorbeeld duidelijk dat ‘uiterlijk vijf dagen na (een besluit)’ (ord. 3-6-7) betekent dat de dag na het bewuste besluit als de eerste van die vijf dagen geldt (zie § 11.1.9). En ‘binnen vier weken’ betekent: uiterlijk op de 28e dag. Zo dient men bij elke in de kerkorde genoemde termijn in hele dagen te denken. Bij deze eerste stap in de uitleg van een tekst spreekt men wel van literaire hermeneutiek.

Dan volgt een tweede vraag: In welk verband staat deze bepaling? Elke bepaling staat in een groter verband, van een artikel, een ordinantie. In die verbanden legt de kerkorde zichzelf uit. Bijvoorbeeld: een kerkenraad krijgt te maken met visitatie. Visitatoren willen langskomen, omdat er signalen zijn dat er problemen zijn in de gemeente. Ord. 10-5-4 zegt: ‘In de gemeente waar een visitatie wordt gehouden, wordt op verzoek van en in overleg met de visitatoren een vergadering van de kerkenraad belegd onder voorzitterschap van een van de visitatoren.’ Maar misschien is de kerkenraad daar niet bepaald blij mee. Dan is het goed als kerkenraad en visitatoren elkaar herinneren aan wat eerder in dezelfde ordinantie staat: ‘Het toezien door de classicale vergadering en de visitatie hebben ten doel de opbouw van de gemeente’ (ord. 10-2-2), en: ‘Het opzicht, gegrond in de barmhartigheid van Jezus Christus, geschiedt tot eer van God, tot bewaring van de gemeente en tot behoud van hen die dwalen’ (ord. 10-1-1). Dat bewaart de betrokkenen voor verkeerde beeldvorming, en voor een verkeerde aanpak. Dit lezen van wetsteksten in hun context heet wel structurele hermeneutiek.

Hoe is het zo gekomen, en welk idee zat erachter?

Een derde vraag is: Hoe kwam deze tekst ooit in de kerkorde? Wat waren de historische omstandigheden? De kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland is sterk gekleurd door de geschiedenis van drie kerken die in 2004 samengingen. Een bepaling als die in ord. 2-4-1, over de verschillende soorten gemeenten, is nauwelijks te begrijpen voor iemand die niets van die geschiedenis weet. Ook de regel: ‘De classicale vergadering doet bij de vervulling van haar opdracht recht aan de binnen de classis voorkomende kerkelijke verscheidenheid’ (ord. 4-14-1) moet vooral tegen die achtergrond begrepen worden. Tegelijk hebben de recente forse wijzigingen in de kerkorde veel te maken met het feit dat de kerkvereniging intussen veel meer ‘gewoon’ geworden is. Hierbij kan ook de werkingsgeschiedenis aan de orde zijn: hoe heeft een bepaalde regel tot nu toe gefunctioneerd? Het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen geeft in zijn uitspraken een bindende uitleg van kerkordebepalingen. In dit boek wordt daarnaar verwezen. GCBG 2011/04 betekent uitspraak 4 in 2011 van het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen. GCO 2016/A.1 verwijst naar het jaarverslag 2016 van het generale college voor het opzicht met de betrokken paragraaf: in die verslagen worden ook uitspraken van classicale colleges opgenomen. Al met al wordt dit aspect van de uitleg wel historische hermeneutiek genoemd.

De vierde vraag die gesteld kan worden, luidt: Welke (theologische) gedachten liggen achter de tekst? Een kerkorde geeft in juridische taal weer hoe de kerk zichzelf ziet. Niet dat elke bepaling evenzeer theologisch geladen is. De kerkenraad moet ten minste zesmaal per jaar vergaderen (ord. 4-8-1), maar dat had ook best vijf- of zevenmaal kunnen zijn. Daar ligt geen theologische keuze onder. In de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland komen de theologische aspecten vooral tot uitdrukking in de eigenlijke kerkorde, de Romeinse artikelen. Maar ook ordinantiebepalingen veronderstellen soms een bepaalde theologische achtergrond. Bij ord. 3-1-1, ‘De roeping tot het ambt in de gemeente geschiedt van Christuswege door de gemeente bij monde van de kerkenraad’, is die theologische insteek onmiskenbaar. Maar ook een vrij praktisch artikel als ord. 6-5-1, over de erkenning van de doop in een andere kerkgemeenschap, berust in een bepaalde theologische visie op de sacramenten en op oecumene. Deze vorm van tekstuitleg heet wel systematische hermeneutiek.

Wat wil de kerkorde ermee bereiken?

Rest als vijfde en laatste vraag: Wat was de bedoeling van de wetgever (de synode) toen deze regel werd opgenomen in de kerkorde? Dat is niet altijd direct uit de tekst af te lezen. Van een beroepingscommissie maken in de regel niet alleen kerkenraadsleden deel uit maar ook andere gemeenteleden (ord. 3-3-5). De bedoeling mag duidelijk zijn: het bewaart de kerkenraad bij het zoeken naar een nieuwe predikant voor een te beperkte blik. Dus ligt het niet voor de hand deze bepaling dan toch weer beperkend te lezen, bijvoorbeeld door eruit af te leiden dat een wijkkerkenraad niet ook een lid van een genabuurde wijkgemeente in de beroepingscommissie zou mogen opnemen. Wat de synode voor ogen had, kan blijken uit de rapporten van het generale college voor de kerkorde die bij het vragen van een oordeel over de teksten zijn meegezonden. In dit boek is hiervan gebruikgemaakt. Als de bedoeling van de wetgever in de uitleg wordt betrokken, spreekt men van teleologische hermeneutiek.

Natuurlijk gaat het in de praktijk bijna altijd eenvoudiger. Er is immers de vaste routine van het kerkenraadswerk, en dikwijls kan de kerkorde erbij dicht blijven. Maar misschien gebeurt dat net iets te vaak, zeker als sprake is geweest van forse wijzigingen in de kerkorde. Dit boek kan dan een goede aanzet geven tot een beter begrip van de kerkorde.

1.3      Structuur van de kerk

Hieronder wordt in het kort de structuur van de kerk aangegeven. De inhoudelijke bespreking komt in afzonderlijke hoofdstukken aan de orde.

Binnen de kerk zijn er drie lagen: de laag van de gemeenten, de laag van de classes en de laag van de landelijke kerk. Binnen de laag van de gemeenten zijn er kerkordelijk voorgeschreven samenwerkingsverbanden: de ringen en de werkgemeenschappen van predikanten. Naast deze hoofdstructuur kent de kerk ook de evangelisch-lutherse synode.

1.3.1     Gemeente

De kerk bestaat uit gemeenten. Gemeenten vormen de basis. Zij worden geleid door een kerkenraad bestaande uit alle ambtsdragers van de gemeente. Grote gemeenten kunnen worden verdeeld in wijkgemeenten. De gemeente wordt dan geleid door een algemene kerkenraad, de wijkgemeenten door wijkkerkenraden.

De vermogensrechtelijke aangelegenheden van de gemeente worden behartigd door het college van kerkrentmeesters. Elke gemeente heeft ook een diaconie waarin de diaconale vermogensrechtelijke aangelegenheden worden behartigd door het college van diakenen.

1.3.2     Ring

Gemeenten werken informeel samen in ringen. De ringen hebben als doel om vragen van de gemeenten samen te bespreken en eventueel samen aan te pakken. Binnen de ringen kunnen kerkenraden besluiten om samen te werken bij de verkiezing van leden van de classicale vergadering, en een gezamenlijke reactie te geven op vragen van geloof en kerkorde die door de generale synode worden voorgelegd.

1.3.3     Werkgemeenschap van predikanten

De predikanten van naburige gemeenten werken samen in de werkgemeenschap van predikanten. Kerkelijk werkers worden daarbij ook uitgenodigd. De omvang van de werkgemeenschap wordt vastgesteld door het breed moderamen van de classicale vergadering (zie hieronder). Elke ring heeft een of meer werkgemeenschappen.

1.3.4     Classis

Alle gemeenten zijn ingedeeld in een van de elf classes.

Een classis heeft een grondgebied, en wordt geleid door de classicale vergadering. De leden worden uit de ambtsdragers van de gemeenten in de classis gekozen door de kerkenraden. De classicale vergadering geeft leiding aan wat de gemeenten in de classis gezamenlijk aangaat.

De classicale vergadering kiest uit haar midden een moderamen en een breed moderamen. Het breed moderamen van de classicale vergadering is verantwoordelijk voor alle praktische zaken rond gemeenten en predikanten.

Elke classicale vergadering kiest een classispredikant die namens de classicale vergadering de contacten met gemeenten, predikanten en kerkelijk werkers onderhoudt.

1.3.5     Kerk

De kerk wordt geleid door de generale synode. De leden worden aangewezen door de classicale vergaderingen en door de evangelisch-lutherse synode. De generale synode geeft leiding aan het geheel van de kerk en behartigt dus de zaken die heel de kerk aangaan.

De synode kiest een moderamen en een breed moderamen, kleine synode genoemd. De kleine synode behandelt de meer praktische vragen die de kerk als geheel aangaan.

De synode onderhoudt voor het praktische uitvoerende en het beleidsvoorbereidende werk een dienstenorganisatie. Deze wordt geleid door het bestuur van de dienstenorganisatie dat benoemd wordt door en verantwoording schuldig is aan de generale synode. De dagelijkse leiding is in handen van een directeur die benoemd wordt door de generale synode.

1.3.6     Evangelisch-lutherse synode

De evangelisch-lutherse synode neemt binnen de structuur van de kerk een eigen plaats in. Zij behartigt de belangen van de evangelisch-lutherse gemeenten tezamen en houdt de evangelisch-lutherse traditie in de kerk levend. In de bemoeienis met de evangelisch-lutherse gemeenten staat zij naast de classicale vergaderingen, in de zorg voor de evangelisch-lutherse traditie staat zij naast de generale synode.

De evangelisch-lutherse synode wordt gekozen door de evangelisch-lutherse leden van de kerk (de leden die een bijzondere band hebben met de lutherse traditie). De evangelisch-lutherse synode kiest uit haar midden een synodale commissie die de dagelijkse gang van zaken behartigt en een president die de contacten met de evangelisch-lutherse gemeenten onderhoudt.

1.4      Kerk in het Nederlands recht

Volgens het Nederlandse recht (art. 2:2 BW) bezitten kerkgenootschappen, hun zelfstandige onderdelen en de lichamen waarin ze zijn verenigd, rechtspersoonlijkheid. Als rechtspersoon kan een organisatie eigendom hebben, verplichtingen aangaan en andere rechtshandelingen verrichten. In dat geval zijn niet de leden van de organisatie gezamenlijk eigenaar, maar is de organisatie eigenaar. Kerkelijke rechtspersonen kunnen dus aan het burgerlijk rechtsverkeer deelnemen. Bovendien worden zij ‘geregeerd door hun eigen statuut voor zover niet in strijd met de wet’. Dat betekent dat in de kerkorde (het statuut) wordt aangegeven wat de zelfstandige onderdelen zijn en welke personen bevoegd zijn om namens de rechtspersoon op te treden.

Onder Nederlands recht mag een kerk zich naar eigen wensen organiseren

De kerkorde kent de volgende rechtspersonen:

  • de gemeente, vertegenwoordigd door preses en scriba van de kerkenraad dan wel (in vermogensrechtelijke aangelegenheden) door voorzitter en secretaris van het college van kerkrentmeesters (ord. 11-4-1);
  • de diaconie van de gemeente, waarin de diaconale gelden en goederen van de gemeente zijn ondergebracht, vertegenwoordigd door voorzitter en secretaris van het college van diakenen (ord. 11-4-2);
  • de wijkgemeente van bijzondere aard, die vóór 1 mei 2004 reeds rechtspersoonlijkheid had, vertegenwoordigd door voorzitter en secretaris van het college van kerkrentmeesters van die wijkgemeente (ovb. 10);
  • de streekgemeente, als samenwerkingsverband van gemeenten (vgl. GR 1-2-1) en de diaconie van dat samenwerkingsverband, maar alleen voor zover deze vóór 1 mei 2018 als streekgemeente al rechtspersoonlijkheid hadden, vertegenwoordigd door voorzitter en secretaris van het door het samenwerkingsverband gevormde college van kerkrentmeesters dan wel van diakenen (ovb. 11);
  • de classis, vertegenwoordigd door preses en scriba van de classicale vergadering (ord. 11-12-1);
  • de evangelisch-lutherse synode, vertegenwoordigd door de president en secretaris van de evangelisch-lutherse synode (ord. 11-15-1);
  • lutherse fondsen/kerkelijke stichtingen die reeds vóór 1 mei 2004 bestonden en op grond van de lutherse kerkorde rechtspersoonlijkheid bezaten (ovb. 13);
  • de kerk, vertegenwoordigd door preses en scriba van de generale synode (ord. 11-18-1);
  • de dienstenorganisatie van de kerk, vertegenwoordigd door voorzitter en secretaris van het bestuur; deze kunnen de algemeen directeur volmachtigen (GR 8-1-1 en 8-7-3,4) en
  • de Protestantse Theologische Universiteit, vertegenwoordigd door de voorzitter van het college van bestuur met inachtneming van nadere bepalingen (ord. 13-2-2).

De dienstenorganisatie en de Protestantse Theologische Universiteit behoren tot de kerkelijke instellingen als genoemd in ord. 11-24 (zie § 18.3.4).

1.5      Enkele begrippen

Aanbeveling

Bij een aanbeveling is de benoemende instantie niet gebonden. Zij kan ook een persoon benoemen die niet is aanbevolen (ord. 13-5-2). Bij de verkiezing van ouderlingen en diakenen is de kerkenraad wel verplicht om degenen die door voldoende personen zijn aanbevolen, op de kieslijst te zetten. Zie ook Voordracht.

Ambtelijke vergaderingen

Ambtelijke vergaderingen zijn vergaderingen waarin ambtsdragers samenkomen. De kerk kent de kerkenraad, de classicale vergadering en de generale synode. Daarnaast kent de kerk de evangelisch-lutherse synode, waarin ook niet-ambtsdragers zitting hebben.

Naar de omvang van het gebied waarvoor de ambtelijke vergadering verantwoordelijk is – en daarmee naar het aantal betrokken gemeenten – spreekt de kerkorde van meerdere en mindere vergaderingen. De kerkenraad is een mindere vergadering, de generale synode een meerdere vergadering. De classicale vergadering is meerdere vergadering ten opzichte van de kerkenraden, en mindere vergadering ten opzichte van de generale synode. Op dezelfde wijze is de evangelisch-lutherse synode meerdere vergadering ten opzichte van de evangelisch-lutherse gemeenten, en mindere vergadering ten opzichte van de generale synode.

Bepaalde/bijzondere opdracht

Een ambtsdrager met bepaalde opdracht is een ambtsdrager die in de gemeente een bepaalde taak toevertrouwd heeft gekregen en daarom van andere werkzaamheden is vrijgesteld (zie § 7.2.5). Hij of zij kan met het oog op die opdracht verkozen worden, en zal dan boventallig zijn. Ook de kerkelijk werkers zijn ouderling of diaken met bepaalde opdracht (zie § 12.3).

Een predikant of een kerkelijk werker met bijzondere opdracht is (meestal als geestelijk verzorger) in dienst van een instelling (zie § 16.4 en § 12.5).

Beraad: zie bij Horen van de gemeente

Bij of krachtens

Een regeling bij of krachtens ordinantie (art. XVII-1):

  • een regeling bij ordinantie is in de ordinantie zelf neergelegd;
  • een regeling krachtens ordinantie is neergelegd in een regeling die op een ordinantiebepaling is gebaseerd.

Een generale regeling geldt als een regeling krachtens ordinantie.

Bijzondere opdracht: zie bij Bepaalde/bijzondere opdracht

Boventallig

Een boventallig lid heeft in de ambtelijke vergadering als stemhebbend lid dezelfde bevoegdheden als de overige leden. Het verschil is slechts dat hij of zij daarin een extra plaats inneemt, boven het vastgestelde aantal leden. Boventallige leden tellen mee voor het vaststellen van het quorum.

Classispredikant

Door de classicale vergadering benoemde predikant in algemene dienst, met een bijzondere verantwoordelijkheid voor het geestelijk leven van de gemeente, de wijze waarop zij gehoor geeft aan haar roeping, en de vervulling van ambten en diensten (ord. 4-16; § 17.5).

Dienstboek

De aanduiding Dienstboek met een hoofdletter verwijst naar de in twee delen verschenen uitgave van Dienstboek – een Proeve (Boekencentrum, deel I 1998, deel II 2004; zie § 18.4). De aanduiding dienstboek met een kleine letter staat voor het totaal van alle door de kerk vastgestelde orden van dienst.

Dienstdoend predikant: zie bij Predikant

Door of vanwege

De aanduiding door of vanwege geeft aan dat de werkzaamheid door de betreffende vergadering zelf kan worden uitgeoefend, maar ook door deze vergadering kan worden gedelegeerd, zodat ze vanwege de vergadering wordt verricht (bijv. ord. 3-22-1).

Eindbeslissing of einduitspraak

Beslissing of uitspraak waartegen geen beroep kan worden ingesteld bij enig kerkelijk college (GR 11-1-1 sub g).

Gebruikmaking van

De aanduiding met gebruikmaking van (bijv. ord. 3-5-7) geeft aan dat de orde van dienst uit het dienstboek van de kerk benut moet worden, maar dat er geen slaafse navolging wordt voorgeschreven (zie § 4.5).

Gekend en gehoord: zie bij Horen van de gemeente

Gemeente

Gemeente kan in de kerkorde duiden op

  • de gemeente zonder wijkgemeenten
  • de gemeente met wijkgemeenten
  • de wijkgemeente.

Het verband moet dit uitmaken. Een aantal malen wordt (wijk)gemeente gebruikt. Dan is de gemeente zonder wijkgemeenten of de wijkgemeente bedoeld.

Horen van de gemeente

Als de leden van de gemeente daarin gekend en daarover gehoord moeten worden (art. VI-5 KO), worden zij van de plannen op de hoogte gesteld en krijgen ze gelegenheid om daarover hun mening kenbaar te maken. Bij beraad gaat het om een bezinningsproces in de gemeente.

Huisgemeente

Het woord huisgemeente wordt in de kerk vaak voor kleinschalige gemeenschappen gebruikt. In de kerkorde duidt het uitsluitend op een gemeenschap die ontstaat na de opheffing van een gemeente (ord. 2-5-10 t/m 13). Strikt genomen is het geen gemeente in de zin van de kerkorde. Ze heeft geen kerkenraad, maar wordt geleid door een commissie die is ingesteld door een naburige kerkenraad of de classicale vergadering (§ 2.15).

In overleg: zie bij Overleg, in of na.

Instemmend advies

De uitdrukking geeft aan dat advies moet worden gevraagd (waarbij de nadruk ligt op overleg) en dat de adviesgever met het uiteindelijke besluitvoorstel moet instemmen.

Als alleen over instemming wordt gesproken, is er geen sprake van voorafgaand advies.

Kerk

Met de Kerk (hoofdletter, zonder nadere bepaling) wordt de Katholieke of algemene christelijke Kerk bedoeld (bijv. art. I-1 KO). De aanduiding de kerk (kleine letter, zonder nadere bepaling) heeft steeds betrekking op de Protestantse Kerk in Nederland (bijv. art. I-2 KO).

Kerkelijk lichaam

Kerkelijk lichaam is een verzamelbegrip voor alles wat binnen de kerk een zekere organisatievorm heeft: de ambtelijke vergaderingen en alle bij ordinantie, generale regeling of overgangsbepaling in het leven geroepen of erkende organen en colleges, alsmede alle door ambtelijke vergaderingen of kerkelijke organen en colleges ingestelde vaste of tijdelijke commissies (ord. 4-4-1).

Opvallend is dat naast elkaar ‘organen en colleges’ worden genoemd, terwijl de term ‘organen’ ook colleges aanduidt: de in XIII-5 KO genoemde organen van de kerk zijn de classicale colleges voor de behandeling van beheerszaken.

Kerkenraad

Als de kerkorde spreekt over ‘kerkenraad’ wordt uiteraard de kerkenraad van een gemeente zonder wijkgemeenten bedoeld, en in een gemeente met wijkgemeenten de algemene kerkenraad dan wel de wijkkerkenraad. In principe worden alle taken van de kerkenraad verricht door de wijkkerkenraad, voor zover deze niet expliciet in de kerkorde of in de plaatselijke regeling aan de algemene kerkenraad zijn toevertrouwd (ord. 2-4-9 en ord. 4-7-2). Het verband waarin de betrokken bepaling staat, en de plaatselijk afgesproken taakverdeling tussen wijkkerkenraad en algemene kerkenraad is daarvoor bepalend.

In een aantal gevallen spreekt de kerkorde van (algemene) kerkenraad of van (wijk)kerkenraad. Het gaat dan om taken die kerkordelijk in een gemeente met wijkgemeenten aan de algemene kerkenraad respectievelijk de wijkkerkenraad zijn toevertrouwd.

Krachtens: zie Bij of krachtens

Leden

Met leden van de gemeente worden de doopleden en belijdende leden van de gemeente bedoeld. De gemeente kent daarnaast gastleden, vrienden en niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden. Dezen zijn geen lid van de gemeente in de engere zin van het woord (zie ord. 2-2-1).

Medewerking en goedvinden van, met

Een besluit kan pas worden genomen als de genoemde instantie bij de plannen betrokken is en daaraan haar goedkeuring heeft gegeven (bijv. ord. 2-4-8).

Meerdere/mindere vergadering: zie bij Ambtelijke vergaderingen

Orgaan

Organen van de kerk/gemeente duidt op alle colleges en (onderdelen van) organen van bijstand.

Orgaan van bijstand

Alle door ambtelijke vergaderingen ingestelde (al of niet kerkordelijk voorgeschreven) commissies, hoe ook genaamd (art. VI-7 KO).

Overleg, in of na

Bij een beslissing in overleg (bijv. ord. 3-19-1) moeten beide instanties met het besluit ‘instemmen’.

De aanduiding na overleg (bijv. ord. 4-8-5) geeft aan dat de beslissende instantie eerst overleg pleegt, de inbreng van de geraadpleegde instantie serieus overweegt, maar vervolgens een eigen beslissing neemt; ze is daarbij niet gebonden aan het advies van de geraadpleegde instantie.

De uitdrukkingen laten open op welke wijze het overleg plaatsvindt. Dat kan zowel in een gezamenlijk beraad als door middel van een schriftelijke raadpleging geschieden.

Predikant

De kerkorde onderscheidt dienstdoende predikanten, predikanten buiten vaste bediening en emerituspredikanten. Tezamen worden ze aangeduid als predikanten van de kerk.

Dienstdoende predikanten worden onderscheiden in predikanten voor gewone werkzaamheden (gemeentepredikanten), predikanten met bijzondere opdracht (werkzaam in/namens een instelling, onder wie predikanten-geestelijk verzorger) en predikanten in algemene dienst.

Met predikant zonder nadere aanduiding wordt de dienstdoende predikant bedoeld, tenzij uit het verband blijkt dat de gemeentepredikant is bedoeld (ord. 3-15).

Primus

Eerste: wordt soms gezegd bij een afgevaardigde (bijv. ord. 4-24-4). Deze fungeert steeds als afgevaardigde, maar wordt bij verhindering vervangen door de secundus (zie onder).

Regel, in de

De aanduiding in de regel geeft aan (bijv. in ord. 3-12-6) dat de daar beschreven handelwijze de regel is waarnaar men behoort te handelen. Alleen als daarvoor een bijzondere reden is, kan – beargumenteerd – van deze voorgeschreven gang van zaken worden afgeweken.

Romeinse artikelen

Het eerste, grondleggende deel van de kerkorde, waarbij de artikelen met Romeinse cijfers worden aangeduid. Zie § 1.2.1.

Secundus

Tweede: vervangt een primus afgevaardigde (zie boven) als deze verhinderd is.

Stemgerechtigd

In een gemeente zijn belijdende leden stemgerechtigd en verder allen die tot de gemeente behoren aan wie de kerkenraad het stemrecht gegeven heeft (ord. 3-2-3).

Termijn

Als de kerkorde een termijn van dagen noemt, rekent men altijd in volle dagen, niet in uren; een termijn van weken, maanden of jaren begint op de eerstvolgende dag.

Toegevoegd lid

Maakt deel uit van een classicaal college (bijv. ord. 10-8-3), maar functioneert alleen als zodanig wanneer daartoe opgeroepen door de voorzitter.

Vanwege: zie bij Door of vanwege

Verkiesbaar als ambtsdrager

Verkiesbaar als ambtsdrager zijn alle stemgerechtigde belijdende leden en stemgerechtigden die bij de bevestiging in het ambt onder de belijdende leden kunnen worden opgenomen (ord. 3-6-1).

Visitatie

Bezoek aan een gemeente door leden van het classicale college voor de visitatie. Vroeger elke vier jaar, maar sinds 2018 alleen nog aan de orde als daarvoor een bijzondere aanleiding is (ord. 10-5-2).

Voordracht

Bij een voordracht is de benoemende instantie aan de voordracht gebonden (bijv. ord. 5-7-2). Ze moet iemand kiezen uit de voorgedragen personen, of – als ze de voorgedragen personen voor de functie niet geschikt acht – de voordracht terugzenden en een nieuwe voordracht vragen. Zie ook Aanbeveling.

Werkgroep

De term werkgroep komt in de kerkorde voor als algemene aanduiding van een groep die bepaalde werkzaamheden verricht (bijv. GR 15-6-1). Met werkgroepen in een gemeente (art. VI-6 KO) wordt in de kerkorde gedoeld op een groep die – binnen het algemene beleid van de kerkenraad – eigen bevoegdheden heeft (ord. 4-9-3).

Wijkgemeente/wijkkerkenraad: zie Gemeente/Kerkenraad

Zorg/verzorging

De zorg voor vermogensrechtelijke aangelegenheden houdt in het vaststellen van het algemene beleid en van de kaders (o.a. de begroting) waarbinnen de verzorging van vermogensrechtelijke aangelegenheden plaatsvindt. De verzorging van vermogensrechtelijke aangelegenheden houdt in het beheren van en beschikken over de vermogensrechtelijke aangelegenheden binnen het vastgestelde beleid en de vastgestelde kaders.


Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken