Menu

None

De gemeente

Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland

2.1      Gemeente als geloofsgemeenschap

Wat is een ‘gemeente’ nu eigenlijk? We zijn geneigd een gemeente allereerst te zien als een groep gelovigen met een zekere mate van organisatie. Dat klopt ook wel. Maar de kerkorde zet anders in. Daar wordt een gemeente als volgt gekarakteriseerd: Een gemeente is de gemeenschap die, geroepen tot eenheid, getuigenis en dienst, samenkomt rondom Woord en sacramenten (ord. 2-1-1). ‘Rondom Woord en sacramenten’ duidt op de verbondenheid met Christus, ‘geroepen tot’ op de taak van de gemeente in de wereld. Die gemeenschap ontstaat niet maar doordat mensen elkaar vinden (dat is de uiterlijke kant van de zaak), maar ten diepste doordat God zelf mensen bijeenbrengt in zijn wereldwijde kerk. Ook in een gemeente is dat fundamenteel: God zelf brengt mensen samen rondom Woord en sacramenten. Zijn genade en zijn verbondstrouw staan daarbij voorop. Art. III-1 KO verwoordt dit als volgt: ‘Vanwege Gods genade en krachtens zijn verbond worden gemeenten vergaderd rondom Woord en sacramenten.’

Niet elke geloofsgemeenschap binnen de kerk is een gemeente in de zin van de kerkorde. Naast gemeenten zijn er ook nieuwe kerkvormen zoals pioniersplekken en kloostergemeenschappen. In juni 2019 heeft de synode besloten om – onder nog nader te formuleren voorwaarden – de mogelijkheid te openen dat deze gemeenschappen, ook wel kerkplekken genoemd, als buitengewone gemeente (zie § 2.6) worden opgenomen in de kerk.

Niet elke geloofsgemeenschap in de kerk is een gemeente

Een gemeente heeft een kerkenraad en is (als het goed is) ‘in staat de in de kerkorde aangegeven taken van een gemeente te verrichten’, zoals de voorwaarde voor de vorming van een nieuwe gemeente luidt (ord. 2-8-2,3,6). Dat betekent ook dat een gemeente die niet langer in staat is alle in de kerkorde (of: orde van de kerk) aangegeven taken van een gemeente te verrichten, moet zoeken naar samenwerking en eventueel samenvoeging met een andere gemeente om nog als gemeente te kunnen functioneren. In het uiterste geval kan een gemeente die niet meer als gemeente kan functioneren, worden opgeheven (ord. 2-9).

In de praktijk zijn er bestaande gemeenten. De namen van de gemeenten laten hun geschiedenis zien: er zijn hervormde gemeenten, gereformeerde kerken, evangelisch-lutherse gemeenten en protestantse gemeenten (ord. 2-4-1,2). Deze gemeenten zijn afkomstig uit de respectieve kerken – uit twee tradities – die in 2004 verenigden tot de Protestantse Kerk in Nederland (zie hoofdstuk 19).

De protestantse gemeenten zijn in principe ontstaan uit het samengaan van twee of meer gemeenten die historisch tot twee verschillende kerkgemeenschappen behoren. Zo kunnen nog steeds nieuwe protestantse gemeenten ontstaan (ord. 2-8-4). Een gemeente die nog niet als ‘protestants’ te boek staat, kan desgewenst aan de classicale vergadering vragen om als protestantse gemeente te worden aangeduid. Voorwaarde is wel dat er geen mogelijkheid is om te verenigen met een gemeente uit een van de andere gemeentegroepen (ord. 2-4-4). Dit is bijvoorbeeld het geval als de gemeente de enige gemeente is op dat grondgebied. Maar ook als een andere gemeente op hetzelfde grondgebied onwillig is om samen te gaan, kan een gemeente het verzoek om naamswijziging indienen. Het is dan wel van belang goed te overwegen of een eventueel later samengaan daardoor niet bemoeilijkt wordt.

De kerkordelijke naam van de gemeenten bestaat uit een aanduiding: Protestantse gemeente, dan wel Hervormde gemeente, Gereformeerde kerk of Evangelisch-Lutherse gemeente. Na deze aanduiding volgt een geografische toevoeging, beginnend met ‘te’. Dat kan een burgerlijke gemeente zijn of een deel daarvan, of meer dan één gemeente. In de praktijk laten veel gemeenten bijvoorbeeld op de website het ‘te’ ten onrechte weg.

Veel gemeenten voegen aan hun naam een extra toevoeging toe: Protestantse gemeente De Ark te …, bijvoorbeeld. De kerkorde schrijft een toevoeging voor als er anders twee gemeenten dezelfde naam zouden krijgen; in de praktijk kiezen ook andere gemeenten vaak voor zo’n toevoeging.

Een aparte groep zijn de Franstalige hervormde gemeenten. Deze dragen de naam Waalse gemeente te … (vgl. ook ord. 4-20).

De verschillende namen zijn niet maar een overblijfsel uit het verleden. In de Protestantse Kerk in Nederland zijn twee tradities verenigd: de lutherse traditie en de gereformeerde traditie. Deze twee tradities stemmen in hoofdzaak overeen, maar er zijn accentverschillen. Alle gemeenten zijn met die gezamenlijke traditie verbonden, maar bij de accentverschillen zijn hervormde gemeenten en gereformeerde kerken in het bijzonder verbonden met de gereformeerde traditie, en evangelisch-lutherse gemeenten met de lutherse traditie (ord. 1-1). Zie verder hoofdstuk 19.

Overigens zijn alle gewone gemeenten voor de kerkorde gelijk, met dezelfde rechten en plichten. Voor evangelisch-lutherse gemeenten geldt daarbij een bijzondere betrokkenheid van de evangelisch-lutherse synode. Deze synode heeft als taak zorg te dragen voor het bewaren en aan de gehele kerk dienstbaar maken van de lutherse traditie, en heeft daarmee ook een bijzondere betrokkenheid op de evangelisch-lutherse gemeenten (art. VI-4 KO).

Elke gemeente heeft een eigen geografisch gebied binnen de door de kerk vastgestelde grenzen. De vaststelling of wijziging van de grenzen is dus niet aan de gemeenten zelf, maar is de bevoegdheid van het breed moderamen van de classicale vergadering (ord. 2-4-5). Het breed moderamen hoort de kerkenraden van alle betrokken gemeenten. De leden van de kerk, voor wie de grenswijziging gevolgen heeft, krijgen gelegenheid hun mening kenbaar te maken.

De grenswijziging kan gewenst zijn tussen gemeenten die tot verschillende classes behoren. In dat geval nemen de brede moderamina samen in overleg het besluit.

2.2      Gemeente en kerk

Gemeente en kerk zijn onlosmakelijk verbonden. De kerk bestaat uit alle gemeenten (art. II-2 KO). Beide zijn niet los van elkaar te denken. De kerk bestaat niet zonder de gemeenten en de gemeenten zijn onlosmakelijk verbonden met de kerk. Kerk en gemeente zijn daarin gelijkwaardig op elkaar betrokken. De kerk is gestalte van de ene heilige apostolische en katholieke of algemene christelijke Kerk (art. I-1 KO). Met de term ‘gestalte’ wordt gezegd dat de Protestantse Kerk in Nederland kerk is naast andere kerken en dat de kerken samen de ene Kerk vormen. En zoals de Protestantse Kerk in Nederland gestalte is van de ene Kerk in de Nederlandse samenleving, zo is de gemeente gestalte van die ene Kerk in de eigen omgeving.

Gemeenten zijn door hun onlosmakelijke band met de kerk ook onlosmakelijk verbonden met elkaar. Tegelijkertijd heeft elke gemeente haar eigenheid. De eigenheid houdt onder meer in dat de kerkenraad ruime mogelijkheden heeft om binnen het geheel van de kerk vorm te geven aan de wijze van gemeente-zijn, passend bij de confessionele of bijvoorbeeld liturgische keuzen die de kerkenraad, gehoord de gemeente, maakt. De verbondenheid betekent dat een gemeente bij haar keuzen rekening moet houden met de ruimte die door de kerk gegeven wordt, en met de belangen van andere gemeenten van de kerk. De vrijheid om als gemeente zelf keuzen te maken, wordt wel aangeduid als zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente. Maar omdat deze vrijheid niet onbeperkt is, is het beter te spreken van relatieve zelfstandigheid.

De kerk is niet de baas van de gemeenten en de gemeenten staan niet los van de kerk

Omdat de kerk uit al de gemeenten bestaat (art. II-2 KO), is het voor een gemeente niet mogelijk om los van de kerk verder te gaan. Leden van een gemeente kunnen de kerk en daarmee de gemeente verlaten, maar de gemeente blijft gemeente van de kerk, zelfs als alle leden zouden weggaan. Een gemeente zonder mensen die bij de gemeente betrokken zijn, kan uiteraard niet zelfstandig voortbestaan. Het breed moderamen van de classicale vergadering zal in dat geval een oplossing moeten zoeken. Vanuit een besef van verantwoordelijkheid voor leden die menen niet langer binnen de kerk te kunnen blijven, kent de kerk een regeling van bijzondere zorg voor deze leden. De precieze regeling is te vinden in GR 1-6 (zie § 2.13).

De samenhang tussen kerk en gemeente komt ook tot uiting in het lidmaatschap: je bent/wordt lid van een gemeente en bent daarmee ook lid van de kerk als geheel (art. III-2 KO). Door als lid opgenomen te worden in de plaatselijke gemeente ben je ook als lid opgenomen in de kerk. Het is niet mogelijk lid te zijn van een gemeente zonder lid te zijn van de kerk. En omgekeerd, het is niet mogelijk lid te zijn van de kerk zonder lid te zijn van een gemeente van de kerk. De kerk bestaat immers niet buiten de gemeenten, waarbinnen de verbondenheid met Christus en met elkaar en de dienst in de wereld tot uiting komt. Enige uitzondering is dat leden van een opgeheven gemeente in de kerk geregistreerd blijven in het landelijk ledenregister zolang zij zich nog niet bij een andere gemeente hebben aangesloten (ord. 2-9-3), en dat ook leden die naar het buitenland vertrekken, geregistreerd kunnen blijven met het oog op hun terugkeer (GR 2-8-4).

2.3      Gemeente en wijkgemeente

Een gemeente kan worden ingedeeld in wijkgemeenten (ord. 2-4-7). De kerkorde stelt daarvoor sinds 2018 geen voorwaarden meer. Voorheen was het uitgangspunt dat een gemeente met meer dan twee predikanten opgedeeld werd in wijkgemeenten, maar dat principe is losgelaten. Plaatselijk kan worden bezien of indeling in wijkgemeenten wenselijk is. Het besluit om wijkgemeenten te vormen, wordt genomen door de kerkenraad.

In een gemeente waarin al wijkgemeenten zijn, kan de algemene kerkenraad het aantal wijkgemeenten wijzigen of besluiten de wijkgemeenten op te heffen. Maar uiteraard kan dat alleen als de betrokken wijkkerkenraden en de leden van de wijkgemeenten zijn gehoord (ord. 2-4-7,8).

Uitgangspunt bij de indeling in wijkgemeenten is, dat de wijkgemeente samenkomt rond Woord en sacramenten. Alles wat in de kerkorde over de roeping van de gemeente wordt gezegd, geldt voor de wijkgemeente (vgl. ord. 2-4-9). Daar concentreert zich het leven van de gemeente. In de kerkorde wordt vervolgens gesproken over de taakverdeling tussen algemene kerkenraad en wijkkerkenraad, maar wordt gezwegen over de verhouding tussen wijkgemeente en gemeente. Het lijkt daarmee alsof de gemeente als geheel als gemeente geen rol meer speelt. Maar dat miskent dat ook de gemeente als geheel gemeente is. Wijkgemeenten vormen samen de gemeente die haar rol heeft in de lokale samenleving.

De gemeente met wijkgemeenten is meer dan een koepel van wijkgemeenten

Het is daarbij lang niet altijd zo dat het leven van de gemeente zich alleen in de wijkgemeente afspeelt. Dat is een kwestie van plaatselijke afspraak. Er kan bijvoorbeeld worden besloten dat niet de wijkgemeente maar de gemeente als geheel zich bekommert om toerusting of jeugdwerk. Zie verder bij § 9.4.2.

2.4      Gemeenten van bijzondere aard

Het kenmerkende van een gemeente van bijzondere aard is, dat leden van de kerk uitsluitend bij haar ingeschreven kunnen worden op eigen verzoek. Zij is ook op verzoek van leden van de kerk door het breed moderamen van de classicale vergadering gevormd. Het breed moderamen hoort eerst de betrokken kerkenraden van de gemeenten in het gebied waar de gemeente van bijzondere aard wordt gevormd, voor het besluit genomen wordt. Uiteraard geldt voor een gemeente van bijzondere aard dat zij aan de bepalingen van de kerkorde voldoet.

Een (wijk)gemeente van bijzondere aard kan in allerlei situaties een oplossing bieden

De kerkorde spreekt van ‘leden die in een bijzondere situatie verkeren’ (ord. 2-5-5). Hoewel dit niet nader wordt omschreven, kan bij een bijzondere situatie gedacht worden aan een categoriale gemeente bijvoorbeeld voor studenten of bij een instelling, en aan een nieuwe gemeente voor hen die zich in de bestaande gemeente niet thuis voelen als het gaat om de invulling van het kerkelijk leven zoals de eredienst, de prediking, enz. Een aparte categorie vormen de gemeenten van de Protestantse Kerk in Nederland in het buitenland. Dat zijn momenteel de Protestantse gemeenten te Parijs en te Duisburg-Ruhrort. De laatste staat beter bekend als de Nederlandse Kerk in Duitsland.

In de meeste gevallen gaat het om een gemeente op hetzelfde grondgebied als een of meer andere gemeenten, en meermalen van hetzelfde type. Er zijn dan plaatsen waarin een protestantse (of hervormde) gemeente en een protestantse (of hervormde) gemeente van bijzondere aard dezelfde grenzen hebben. Zij krijgen dan meestal een aparte aanduiding, zoals ‘Protestantse gemeente b.a. de Lichtbron’ of ‘Hervormde gemeente b.a. Maranatha’.

Een (algemene) kerkenraad kan om dezelfde reden een wijkgemeente van bijzondere aard vormen. Wat hierboven over de gemeente van bijzondere aard is gezegd, geldt ook voor deze wijkgemeente.

De (algemene) kerkenraad hoort eerst de wijkkerkenraden, als deze er zijn. Uit andere kerkordelijke bepalingen volgt dat bij deze structuurwijziging, die aanpassing van beleid en plaatselijke regeling vraagt, ook de leden van de gemeente betrokken worden (ord. 4-8-9).

Gaat het om een gemeente zonder wijkgemeenten, dan ontstaat bij de vorming van de wijkgemeente van bijzondere aard een gemeente met twee wijkgemeenten en komt er een algemene kerkenraad. Sommige wijkgemeenten van bijzondere aard, die vóór 1 mei 2004 zijn gevormd, hebben rechtspersoonlijkheid met een eigen college van kerkrentmeesters (maar geen eigen college van diakenen). Zie § 13.3.

2.5      Gemeenten in bijzondere missionaire, diaconale en pastorale omstandigheden

Bij deze gemeenten gaat het om een specifieke situatie waarin er op missionair en/of diaconaal en pastoraal gebied sprake is van bijzondere omstandigheden, waarvoor afwijkende maatregelen nodig zijn. Eén mogelijke maatregel wordt met name genoemd, namelijk de mogelijkheid om aan ouderlingen en diakenen de bevoegdheid te geven om voor te gaan in kerkdiensten, de sacramenten te bedienen en overige werkzaamheden van een predikant te verrichten. De classicale vergadering wijst daarbij een predikant als supervisor aan.

Een ouderling of diaken kan de bevoegdheid krijgen om sacramenten te bedienen

Omdat het om bijzondere omstandigheden gaat, kan het ook een heel andere voorziening zijn.

Het is het niet de bedoeling gemakkelijk van kerkordelijke bepalingen te kunnen afwijken. Er moeten goede redenen zijn, omdat er ruimte nodig is om in specifieke situaties nieuw beleid te kunnen ontwikkelen.

Een kerkenraad kan hier niet zelf in beslissen. De bevoegdheid om een voorziening te treffen, ligt bij de classicale vergadering (ord. 2-6-1). Vanwege het bijzondere karakter kan zij een besluit pas nemen na overleg met ‘door de generale synode aangewezen organen van de kerk’. Het orgaan dat de generale synode heeft aangewezen, is de generale raad van advies.

2.6      Buitengewone gemeenten

Sinds 2013 bevat de kerkorde een artikel dat het mogelijk maakt om een bestaande gemeente op te nemen in de Protestantse Kerk, ook als deze gemeente niet aan alle kerkordelijke bepalingen kan voldoen (ord. 2-5-2). De directe aanleiding was het verzoek van de Urdugemeente te Rotterdam, een gemeente van Pakistaanse immigranten.

Ook een gemeente die wel aan alle bepalingen voldoet, kan worden opgenomen, maar dan als ‘gewone’ gemeente (ord. 2-8-3; zie § 2.9). Er is wel een verschil in formulering. In ord. 2-8-3 wordt gesproken van ‘een gemeente van een andere kerk of een onafhankelijke gemeente dan wel een geloofsgemeenschap die geen deel uitmaakt van de Protestantse Kerk in Nederland’. Ord. 2-5-2 is minder gedetailleerd: ‘een gemeenschap van christenen’, waarbij in het midden wordt gelaten of deze gemeenschap buiten of binnen de Protestantse Kerk in Nederland is ontstaan. De generale synode heeft in juni 2019 besloten dat ook pioniersplekken als aan nog nader te stellen voorwaarden is voldaan, op die manier als buitengewone gemeente in de kerk kunnen worden opgenomen.

De gemeente dient in te stemmen met het belijden van de kerk, zoals dat van alle gemeenten binnen de Protestantse Kerk geldt. Dit is een impliciete verwijzing naar art. I KO en ord. 1.

Nadat de generale synode de ‘daarvoor in aanmerking komende organen van de kerk’ heeft gehoord – welke dat zijn, wordt niet genoemd – kan zij tot opnemen besluiten.

Bij het besluit wordt vastgelegd waarin de afwijking van kerkordelijke bepalingen bestaat en hoe de gemeente dan wel functioneert.

Het besluit moet ook aangeven welke rechten en verplichtingen predikanten hebben, die op het moment dat de gemeente wordt opgenomen aan haar verbonden zijn. Namelijk in hoeverre GR 5 (rechtspositie predikanten) en GR 14 (opleiding predikanten) van toepassing zijn en of zij bevoegd zijn tot de bediening van Woord en sacramenten in andere gemeenten van de kerk.

Hetgeen door het besluit als regeling is vastgelegd, kan gewijzigd worden. De generale synode kan echter pas een nieuw besluit nemen na overleg met de kerkenraad. Daarmee is impliciet aangegeven dat een buitengewone gemeente een kerkenraad heeft. Voor deze kerkenraad kunnen wel van ord. 4 afwijkende regelingen gelden.

De buitengewone gemeente kan ook een nieuwe reguliere gemeente worden, indien de kerkenraad dat verzoekt en de gemeente voldoet aan alle kerkordelijke bepalingen. De generale synode kan dus niet uit eigen beweging daartoe besluiten.

2.7      Missionaire gemeenten

De missionaire gemeente of wijkgemeente is een (wijk)gemeente in wording (ord. 2-5-6). Strikt genomen is ze dus nog geen gemeente in de zin van art. IV en VI van de kerkorde. Deze (wijk)gemeente komt voort uit missionaire arbeid. Ze kan begonnen zijn als een pioniersplek, die nog niet uitgegroeid is tot een zelfstandige gemeente, maar wel een eind op weg is. Er kan nog geen kerkenraad worden gevormd, maar wel een commissie die leiding geeft (ord. 2-5-8). Deze is als het ware een voorstadium van een (wijk)kerkenraad.

De missionaire gemeente wordt gevormd bij besluit van de classicale vergadering; de missionaire wijkgemeente bij besluit van de algemene kerkenraad (ord. 2-5-7). Deze ambtelijke vergadering stelt ook de commissie in en benoemt de leden. Ten minste één van hen is ambtsdrager met bepaalde opdracht. In het geval van een missionaire wijkgemeente is deze lid van de algemene kerkenraad. Gaat het om een missionaire gemeente, dan benoemt de classicale vergadering in overleg met een naburige gemeente een ambtsdrager uit die gemeente; zo nodig verkiest de betrokken kerkenraad daarvoor een ambtsdrager met bepaalde opdracht. De kerkorde zegt niet dat deze ambtsdrager lid moet zijn van de classicale vergadering.

De ambtelijke vergadering omschrijft ook de taken en bevoegdheden die ze aan de commissie toevertrouwt. In kerkdiensten wordt met de aanwezigheid van (één van) deze ambtsdrager(s) voldaan aan ord. 5-1-5, de ambtelijke aanwezigheid van een lid van de kerkenraad. Bij een avondmaalsviering zal de classicale vergadering respectievelijk de kerkenraad zorg dragen dat ook aan ord. 7-3-1 wordt voldaan, namelijk het dienen van een diaken aan de tafel en de medeverantwoordelijkheid van een ouderling.

De zorg voor de vermogensrechtelijke aangelegenheden ligt bij de ambtelijke vergadering. De verzorging daarvan wordt uitgeoefend door de financiële commissie van de classicale vergadering respectievelijk het college van kerkrentmeesters (ord. 2-5-9).

De verantwoordelijke ambtelijke vergadering kan een predikant met bepaalde opdracht beroepen of een kerkelijk werker met bepaalde opdracht benoemen.

De (wijk)gemeente in wording kan doorgroeien tot een ‘gewone’ (wijk)gemeente. Er is dan sprake van de vorming van een nieuwe gemeente (ord. 2-8-2) of wijkgemeente (ord. 2-4-8).

2.8      Vorming van nieuwe gemeenten

Verschillende redenen kunnen leiden tot de vorming van een nieuwe gemeente. Leden van de kerk dan wel een of meer kerkenraden komen met het verzoek (ord. 2-8-2). In welke situaties is dat aan de orde?

– In deze tijd minder voor de hand liggend is de vorming van een gemeente op nieuw land, zoals dat in het verleden in de polders van de provincie Flevoland gebeurd is.
– Na opheffing van een of meer gemeenten in een bepaalde regio kan door pionierswerk of de vorming van een huisgemeente na verloop van jaren door voldoende groei opnieuw een gemeente gevormd worden.

In beide situaties geldt dat de betrokken leden van de kerk in de regel hetzij bij een gemeente, hetzij bij een huisgemeente of een ‘nieuwe kerkplek’ zijn ingeschreven.

Als een gemeente wordt gesplitst, spreken we niet van nieuwe gemeenten

Het kan ook gebeuren dat in een nieuwbouwwijk de daar aanwezige leden van de kerk een nieuwe gemeente willen vormen. Van de vorming van een nieuwe gemeente spreken we dan echter niet: dan gaat het immers om een splitsing van de gemeente (ord. 2-8-6; zie § 2.12).

Strikt genomen is ook sprake van de vorming van een nieuwe gemeente als een gemeente van bijzondere aard wordt gecreëerd. Ook die mogelijkheid komt elders aan de orde (ord. 2-5-5; zie § 2.4).

Bij de vorming van een nieuwe gemeente zullen veelal ook de belangen en verantwoordelijkheden van bestaande gemeenten in het geding zijn. Dan wordt er geen besluit genomen voordat de betrokken kerkenraden en gemeenteleden gehoord zijn. Dat zijn dus niet alleen de leden die bij de nieuwe gemeente ingeschreven willen worden, maar ook de leden van bestaande gemeenten. Bij het bepalen van de grenzen van de nieuwe gemeente komt de vraag aan de orde of het grondgebied gaat samenvallen met dat van bestaande gemeenten of dat er voor die gemeenten grenswijzigingen komen. Er kunnen meer belangen op het spel staan, waarmee rekening gehouden moet worden.

Soms geeft een oude gemeente aan een nieuwe gemeente een bruidsschat mee

De vorming van een nieuwe ‘niet-protestantse’ gemeente is verder mogelijk bij de vorming van een protestantse gemeente, indien een deel van de oorspronkelijke gemeenten in dit proces van samengaan niet mee willen gaan. Indien dit een wijkgemeente betreft, zal eerder gedacht worden aan een splitsing van gemeenten direct voorafgaand aan de vorming van de protestantse gemeente, waarbij de betreffende wijkgemeente als zelfstandige gemeente verdergaat. Het is echter ook dan mogelijk om te kiezen voor vorming van een nieuwe gemeente. De oude gemeente kan eventueel een schenking – men spreekt dan wel van een ‘bruidsschat’ – aan de nieuwe gemeente doen. Dit is alleen mogelijk als er niet ook een kerkgebouw of een andere onroerende zaak wordt overgedragen. Is dat wel het geval, dan is alleen splitsing mogelijk. Van de nieuwe gemeente wordt verwacht dat zij aan de kerkordelijke bepalingen voldoet.

Ten slotte: het is in beginsel ook denkbaar dat naast een protestantse een nieuwe hervormde gemeente, gereformeerde kerk of evangelisch-lutherse gemeente wordt gevormd. Dat heeft dan te maken met het ‘zich in het bijzonder verbonden weten met de belijdenisgeschriften van de gereformeerde traditie’ respectievelijk ‘van de lutherse traditie’ (ord. 1-1-1). Tot 2018 was voor de vorming van zo’n gemeente toestemming van de generale synode vereist, nu kan het breed moderamen van de classicale vergadering ook in die situatie ord. 2-8-2 toepassen.

2.9      Opnemen van een gemeente in de kerk

Tot 1 mei 2018 was het niet mogelijk om als bestaande gemeente buiten de Protestantse Kerk in Nederland tot haar toe te treden. De enige uitzondering was die van de toetreding van een gemeente die niet aan alle kerkordelijke bepalingen kan voldoen. Daarvoor was sinds 2013 de mogelijkheid geopend om als buitengewone gemeente te worden opgenomen (ord. 2-5-2 t/m 4; zie § 2.6).

Ord. 2-8-3 maakt het mogelijk dat een gemeente buiten de Protestantse Kerk in Nederland als volwaardige gemeente opgenomen wordt. De gemeente zet daarmee haar bestaan binnen het verband van de Protestantse Kerk voort. Zij kan haar bezittingen meenemen voor zover het oude kerkverband dat toelaat.

Het besluit tot opnemen wordt door de generale synode genomen en dus niet door de classicale vergadering. Het is aan de synode om te bepalen of deze gemeente past binnen de Protestantse Kerk.

Wanneer de gemeente het verzoek doet aan de generale synode, dan zijn er twee voorwaarden voor een positief besluit. Ten eerste dient de gemeente in te stemmen met het belijden van de kerk, zoals dat van alle gemeenten binnen de Protestantse Kerk in Nederland geldt. Dit is een impliciete verwijzing naar art. I KO. Van de gemeente wordt verder verwacht dat zij als gemeente volwaardig kan functioneren binnen de kerk en dus voldoet aan de kerkordelijke bepalingen. Als daaraan niet geheel voldaan kan worden, kan ook gedacht worden aan opname als buitengewone gemeente (zie § 2.6).

2.10    Samenwerking tussen gemeenten

Als gemeenten van één Protestantse Kerk in Nederland kennen gemeenten een wederzijdse verantwoordelijkheid. Ord. 4-7-1 noemt als een van de taken van de kerkenraad: ‘het in samenwerking met andere gemeenten bevorderen van de vitaliteit van de betrokken gemeenten en in stand houden dan wel verkrijgen van formatieplaatsen van voldoende omvang voor predikanten’. De gemeenten en haar kerkenraden zijn geroepen om zelf vitaal te blijven, maar daarbij ook om te zien naar andere gemeenten. Deze zorg gaat zo ver dat het breed moderamen van de classicale vergadering kan besluiten om gemeenten in een samenwerkingsverband onder te brengen om daarmee te voorkomen dat een gemeente opgeheven moet worden. Ord. 2-7-6 zegt wel dat er bijzondere omstandigheden moeten zijn en dat de kerkenraden en gemeenteleden gehoord moeten worden. De kerkorde laat het verder aan de wijsheid van het breed moderamen over om te zien of gemeenten wel bij elkaar passen.

Voor het overige zijn gemeenten niet verplicht om samen te werken. Wel moeten kerkenraden van gemeenten waarvan het gebied (gedeeltelijk) samenvalt, elkaar op de hoogte houden van activiteiten en worden zij opgewekt om waar mogelijk samen te werken (ord. 2-4-6).

Zij kunnen dit doen op een of meerdere terreinen van het kerkelijk leven. Hoewel ze een deel van het gemeentewerk samen doen, blijven ze als gemeenten hun zelfstandigheid en bezittingen behouden. Voor de samenwerking worden nadere regels gegeven in GR 1 (ord. 2-7-1).

Binnen de mogelijkheden tot samenwerking kan worden onderscheiden tussen twee hoofdvormen. Er zijn vormen van samenwerking waarbij de afzonderlijke kerkenraden of colleges elk voor zich besluiten, zonder ook maar enige bevoegdheid over te dragen. En er zijn vormen van samenwerking waarbij kerkenraden of colleges daadwerkelijk bevoegdheden overdragen aan een samenwerkingsorgaan. In dat laatste geval geven de gemeenten in feite een stukje van de eigen zelfstandigheid op.

Gemeenten hoeven niet een gemeenschappelijk grondgebied te hebben of aangrenzend te zijn om met elkaar samen te werken. Een grotere afstand werkt wel remmend.

Bij sommige vormen van samenwerking is het handig om bij dezelfde ring en classis ingedeeld te zijn. Wanneer bevoegdheden aan een gemeenschappelijke vergadering of orgaan worden overgedragen, dan is indeling bij één classis wel voorgeschreven (GR 1-1-2 t/m 4).

2.10.1   Samenwerking zonder overdracht van bevoegdheden

De samenwerking tussen kerkenraden of colleges kan van verschillende intensiteit zijn: van een eenmalige samenwerking op één terrein tot langdurige samenwerking op vele terreinen. Ook het houden van gemeenschappelijke diensten valt hieronder (zie § 4.4). Bij deze vorm van samenwerking blijven de kerkenraden en colleges hun eigen bevoegdheden behouden.

Gemeenten kunnen op tal van manieren samenwerken, naar eigen wens

Hoe de afspraken tot stand komen, is vrij. Er kunnen gezamenlijke commissies worden ingesteld die voorstellen voorbereiden. Of een gezamenlijk moderamen kan de voorstellen voorbereiden. En zelfs kunnen kerkenraden en colleges met het oog op de samenwerking samen vergaderen. De besluitvorming vindt in alle gevallen plaats per kerkenraad of per college: elk van de samenwerkende kerkenraden of colleges besluit afzonderlijk. Als gezamenlijk wordt vergaderd, kan dat in dezelfde vergadering doordat per kerkenraad of college wordt gestemd.

Voor de uitvoering van het werk kunnen de kerkenraden of colleges een of meer gezamenlijke commissies instellen (samenwerkingsorganen). De kerkorde schrijft niet voor hoe zo’n samenwerkingsorgaan moet heten. De leden van dit samenwerkingsorgaan kunnen gezocht worden uit de leden van de kerkenraden (colleges), maar dat hoeft niet. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld een diaconaal samenwerkingsorgaan dat gezamenlijke acties uitvoert, of aan een gezamenlijk kerkelijk bureau dat de ledenadministratie uitvoert. In de uitvoering van het werk zijn zulke uitvoerende organen gebonden aan de kaders waarover de betrokken kerkenraden of colleges het eens geworden zijn: zij kunnen niet zelfstandig verdergaand beleid voeren.

2.10.2   Samenwerking met overdracht van bevoegdheden

Kerkenraden en colleges kunnen besluiten een samenwerkingsverband te vormen met leden uit hun midden (GR 1-2-1) en bevoegdheden aan dit samenwerkingsverband overdragen. Een aantal kerkrentmeesters uit elk van de samenwerkende gemeenten krijgt bijvoorbeeld de zorg voor het gezamenlijke kerkgebouw toevertrouwd. Of de jeugdouderlingen uit de samenwerkende gemeenten worden gezamenlijk verantwoordelijk voor het jeugdwerk. Uiteraard blijft een dergelijk samenwerkingsverband gebonden aan het door de kerkenraden vastgestelde beleid, maar daarbinnen kunnen zij een behoorlijk grote speelruimte krijgen. Te denken valt ook aan een gezamenlijk moderamen dat de bevoegdheden van de afzonderlijke moderamina krijgt toevertrouwd. De naam van het samenwerkingsverband kan vrij worden gekozen.

De verregaandste vorm van samenwerking is de overdracht van bevoegdheden aan de gemeenschappelijke vergadering, die daarmee als één kerkenraad of college voor beide gemeenten gaat functioneren. GR 1-2-2 noemt deze ‘de gemeenschappelijke kerkenraad’ of ‘het gemeenschappelijk college’, en daarmee is de naam in dit geval wel voorgeschreven. Het is dus mogelijk om een gemeenschappelijk college van diakenen of kerkrentmeesters te hebben voor twee gemeenten, dat voor beide diaconieën respectievelijk gemeenten het totale beheer verzorgt, maar wel met gescheiden vermogens.

Wanneer een hervormde gemeente, een gereformeerde kerk en een evangelisch-lutherse gemeente met geheel of gedeeltelijk hetzelfde gebied (of twee van hen) gaan samenwerken en een gemeenschappelijke kerkenraad met bevoegdheden vormen, dan is dat kerkordelijk een protestantse gemeente in wording (GR 1-2-10). De kerkenraden kunnen echter goede redenen hebben om die aanduiding niet te willen gebruiken. Daarom staat er ‘in de regel’. Gaan deze gemeenten in de toekomst samen, dan worden zij daarmee een nieuwe protestantse gemeente.

Een kerkenraad kan ook een of meer ambtsdragers met bepaalde opdracht benoemen die in het bijzonder een rol spelen binnen het samenwerkingsorgaan. Zij worden als ambtsdrager ten behoeve van het samenwerkingsverband bevestigd en blijven lid van de eigen kerkenraad.

Voor samenwerking is meestal geen toestemming ‘van hogerhand’ nodig

Zodra er sprake is van overdracht van bevoegdheden, is grote zorgvuldigheid geboden. De aard en omvang van de bevoegdheid moet in de schriftelijke overeenkomst duidelijk omschreven worden en behoeft instemming van het breed moderamen van de classicale vergadering (GR 1-1-5). Tevens legt de overeenkomst vast hoelang de overdracht duurt, hoe de werkwijze van de gemeenschappelijke kerkenraad, het gemeenschappelijk college resp. het samenwerkingsverband is, en hoe de overdracht beëindigd kan worden. Een college kan alleen bevoegdheden overdragen met instemming van de kerkenraad, een wijkkerkenraad alleen met instemming van de algemene kerkenraad, en een algemene kerkenraad moet de wijkkerkenraden horen alvorens deze bevoegdheden overdraagt.

De ruimte die de kerkorde geeft voor samenwerkingsvormen heeft als keerzijde dat er geen eenduidige, gedetailleerde modellen aangereikt kunnen worden, maar dat volstaan wordt met een aantal hoofdlijnen in de generale regeling.

Samenwerking is vrijwillig – maar niet vrijblijvend

2.10.3   Overgangsbepaling

De tot 1 mei 2018 in de kerkorde voorkomende samenwerkingsvormen – combinatie van gemeenten, streekgemeenten, gemeenschappelijke regelingen en federaties – worden nu niet meer apart genoemd. Maar het zijn en blijven bestaande mogelijkheden.

Vóór 2018 werd aan een streekgemeente en haar streekdiaconie rechtspersoonlijkheid toegekend. Voor een nieuw samenwerkingsverband dat op een streekgemeente lijkt, kan dat niet meer. De vóór 1 mei 2018 bestaande streekgemeenten hebben hun rechtspersoonlijkheid wel behouden zolang niet anders wordt besloten (ovb. 11).

2.11    Samengaan van gemeenten

Twee of meer gemeenten kunnen samengaan en zo een nieuwe gemeente vormen (ord. 2-8-4). Kerkordelijk en juridisch is de nieuwe gemeente de voortzetting van de oude gemeenten (GR 1-4-1). Er kunnen verschillende redenen zijn voor het samengaan, bijvoorbeeld als resultaat van langdurige samenwerking of tot versterking van de bestuurskracht van kerkenraad en colleges, of vanwege krimp van gemeente en financiële middelen.

Overeenstemming is niet hetzelfde als uniformiteit

Gemeenten beslissen gewoonlijk zelf over hun toekomst. De besluiten worden door de betrokken kerkenraden genomen. Op de website van de Protestantse Kerk in Nederland zijn modelteksten te vinden met een bijbehorend stappenplan.

Het stappenplan onderscheidt twee besluiten. Eerst is er het principebesluit, waarin de kerkenraden uitspreken dat zij het voornemen hebben om de gemeenten te laten samengaan. Zij nemen dit besluit ieder afzonderlijk.

Het principebesluit is echter niet het begin van het proces. Er gaan verkenning aan vooraf, waarbij duidelijk moet worden of er overeenstemming komt over beleidspunten, zoals in ieder geval de toelating tot het avondmaal, het al dan niet zegenen van levensverbintenissen anders dan een huwelijk tussen man en vrouw, de wijze van verkiezing van ambtsdragers, de plaats van samenkomst, enz. (ord. 4-8-9).

Overeenstemming hoeft niet in te houden dat er op alle punten een eensluidende keuze is. Zijn er wijkgemeenten, dan mogen deze ieder een eigen visie hebben. Maar ook in een veelkleurige gemeente met één kerkenraad kan ruimte gemaakt worden om bijvoorbeeld op verschillende locaties onderscheiden orden van dienst te hebben.

Het stappenplan laat zien dat er voor de kerkenraden na het principebesluit het een en ander te doen is. Allerlei regelingen en gebruiken moeten op elkaar worden afgestemd en worden verwoord in een nieuwe plaatselijke regeling. Tevens is er een besluittekst nodig, waaraan toegevoegd wordt een regeling om de overgang te maken van de oude naar de nieuwe situatie (GR 1-4-8). Samengaan van gemeenten houdt ook een fusie van rechtspersonen in: dat geldt voor de gemeenten én de diaconieën (ord. 2-10-1; GR 1-4-6). Bij die fusie dient alle bezit mee te gaan en moeten ook de rechten van personen, zoals de predikanten en medewerkers, en de rechten van derden gewaarborgd worden. Wanneer er een hypotheek op een gebouw rust, moet de hypotheekverstrekker erop kunnen vertrouwen dat de verplichtingen van de oude op de nieuwe gemeente overgaan. Dit geldt ook voor contracten, pachtovereenkomsten en dergelijke.

In het principebesluit verwoorden de kerkenraden het voornemen om samen te gaan en waarom zij menen dat dit een goede zaak is. Vervolgens horen zij hierover ieder hun eigen gemeenteleden en geven daarbij aan wat er verder uitgewerkt en geregeld moet worden. De gemeenteleden krijgen de gelegenheid om te reageren. Gewoonlijk is dat mondeling tijdens een gemeenteavond én schriftelijk. Tijdens een gemeenteavond wordt niet gestemd door de leden. De kerkenraad hoort wel aan de reacties of er draagvlak is voor het samengaan en kan dat eventueel peilen (ord. 2-8-4).

Gewoonlijk vormen de kerkenraden een commissie die de verdere uitwerking verzorgt. In de samenstelling van de commissie zijn de kerkenraden vrij, al zal deze meestal bestaan uit ambtsdragers en niet-ambtsdragers.

Betrek het breed moderamen van de classicale vergadering vroegtijdig bij plannen om samen te gaan

Het is verstandig om in dat stadium ook het breed moderamen van de classicale vergadering in te lichten. Het breed moderamen moet niet alleen voor het uiteindelijke besluit goedkeuring geven, maar het stelt ook de grenzen van de nieuwe gemeente vast (ord. 2-8-4).

De kerkorde geeft op het eerste gezicht ruimte voor een gemeente om met welke gemeente ook samen te gaan. Een gemeente hoeft niet per se een aansluitend grondgebied te hebben, maar het gezond verstand zegt dat versnippering en te veel afstand tussen delen van een gemeente voor een onduidelijke en onwerkbare situatie zorgt. Bovendien zijn er ook de belangen van andere gemeenten. Daarom is het vaststellen van de grenzen de bevoegdheid van het breed moderamen van de classicale vergadering. Bij botsende belangen is het verstandig om tijdig overleg te hebben met de andere betrokken gemeenten.

Nadat de kerkenraden de conceptteksten hebben vastgesteld, leggen zij deze voor aan de gemeenteleden om opnieuw hun reactie te horen (ord. 2-8-4). Vervolgens leggen zij ze al dan niet gewijzigd voor aan het breed moderamen van de classicale vergadering. Het breed moderamen vraagt advies aan het classicale college voor de behandeling van beheerszaken (ord. 2-10-2).

Nadat de kerkenraden eventuele opmerkingen van het breed moderamen van de classicale vergadering hebben verwerkt en daarover ook de gemeenteleden hebben gehoord, nemen zij het besluit tot samengaan. Na ontvangst van de goedkeuring van het breed moderamen kunnen zij overgaan tot publicatie (GR 1-4-3).

De door de kerkorde voorgeschreven publicatie, in een regionaal dagblad (GR 1-4-2), is nodig omdat ook de wet die voorschrijft bij een fusie van rechtspersonen. Wordt er binnen 30 dagen geen bezwaar ingediend of zijn eventuele bezwaren afgehandeld, dan geeft het breed moderamen een definitieve goedkeuring en kunnen de kerkenraden hun besluit definitief maken (GR 1-4-5). Het verdient aanbeveling om vóór de publicatie te besluiten dat het definitief maken van het besluit door de moderamina van de kerkenraden gebeuren mag.

De laatste stap wordt bij de notaris genomen. Met het passeren van een notariële akte wordt het samengaan van de gemeenten en daarmee de fusie van de rechtspersonen een feit (GR 1-4-7).

Wanneer gemeenten van gelijk type samengaan, zal de gemeente van hetzelfde type zijn. Dus protestantse gemeenten gaan samen in een protestantse gemeente, hervormde in een hervormde, enz. Gaan een hervormde gemeente, gereformeerde kerk en evangelisch-lutherse gemeente samen, of twee van hen, dan ontstaat een protestantse gemeente (ord. 2-8-4). Hoewel niet met zoveel woorden genoemd, gaat het gewoonlijk om gemeenten die het grondgebied geheel of gedeeltelijk delen. Is dat niet het geval, dan zullen er ook andere gemeenten zijn op de verschillende grondgebieden die gevraagd moeten worden of ze in het proces mee willen gaan.

Gaat een hervormde gemeente, gereformeerde kerk of evangelisch-lutherse gemeente samen met een protestantse gemeente, dan is de nieuwe gemeente een protestantse gemeente.

In bijzondere omstandigheden kan de classicale vergadering een besluit nemen om gemeenten te laten samengaan (ord. 2-8-5). Dit kan alleen als ten minste een van de gemeenten niet meer zelfstandig kan blijven voortbestaan. Een besluit tot samengaan is dan een van de mogelijkheden.

De classicale vergadering neemt het besluit niet buiten de gemeenten om: de kerkenraden en de gemeenteleden mogen eerst hun mening kenbaar maken. En is er een evangelisch-lutherse gemeente bij betrokken, dan wordt de evangelisch-lutherse synode ook gehoord.

De classicale vergadering kan niet zomaar gemeenten tot een protestantse gemeente samenvoegen

Het samengaan van een hervormde gemeente, gereformeerde kerk en evangelisch-lutherse gemeente (of twee van deze) in een protestantse gemeente kan echter onder alle omstandigheden alleen door de kerkenraden besloten worden. De classicale vergadering is dus niet bevoegd om bijvoorbeeld een hervormde gemeente die te klein wordt, te laten samengaan met een protestantse gemeente.

2.12    Splitsen van gemeenten

De (algemene) kerkenraad kan besluiten de gemeente te splitsen (ord. 2-8-6). In een nieuwbouwwijk is bijvoorbeeld een wijkgemeente ontstaan. De verschillen met de oude dorps- of stadskern zijn van dien aard dat het voor de betrokkenen beter is om als twee gemeenten naast elkaar te bestaan.

Beter goede buren dan twistende huisgenoten

Of een minderheid is zodanig gegroeid dat zij gemeente of wijkgemeente kan zijn. De keuze voor een zelfstandige gemeente wordt gemaakt om te voorkomen dat er te veel spanningen ontstaan. Beter goede buren dan twistende huisgenoten.

Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Een gereformeerde kerk en een hervormde gemeente met wijkgemeenten gaan samen in een protestantse gemeente. Een van de hervormde of gereformeerde wijkgemeenten heeft bezwaren en wil bijvoorbeeld omwille van de bijzondere verbondenheid met de belijdenisgeschriften van de gereformeerde traditie (ord. 1-1-1) hervormd respectievelijk gereformeerd blijven. Om het samengaan niet tegen te houden, wordt besloten tot een splitsing, waarbij deze wijkgemeente buiten het fusieproces blijft en daarom een zelfstandige gemeente wordt.

Of een gereformeerde kerk deelt haar grondgebied met twee hervormde gemeenten (of andersom). Ze zouden als drie gemeenten kunnen samengaan in één protestantse gemeente. Als alternatief kan de gereformeerde kerk ook (voor een moment) gesplitst worden in twee delen, en elk van die delen gaat met een hervormde gemeente samen.

Bij de splitsing van een gemeente moet heel wat geregeld worden

Deze voorbeelden laten zien dat er meerdere redenen voor een splitsing kunnen zijn. GR 1-5-2 zegt dan ook dat voor de te nemen stappen GR 1-4 van overeenkomstige toepassing is, zij het dat het resultaat het omgekeerde is. Het verschil met de vorming van een nieuwe gemeente (§ 2.8) is dat de twee delen voortzetting zijn van de oude gemeente.

De leden van de gemeente en – als ze er zijn – de wijkkerkenraden mogen over het voornemen hun mening kenbaar maken (ord. 2-8-6).

Bij het besluit tot splitsing moet een aantal zaken worden geregeld (GR 1-5-2, overeenkomstige toepassing van GR 1-4-8,9):

–   De naam van de nieuwe gemeenten en de indeling in classis en ring. In de meeste gevallen zal deze indeling dezelfde zijn als die van de oorspronkelijke gemeente.

–   Een voorstel voor de grenzen van de gemeenten.

–   De rechtspositie van de predikanten en van hen die in dienst zijn, alsmede afspraken met vrijwilligers: wie hoort bij welke gemeente?

–   Als er geen wijkgemeenten zijn: welk kerkenraadslid neemt in welke kerkenraad zitting?

–   Verdeling van de vermogensbestanddelen van gemeente en diaconie.

Wanneer de splitsing geografisch is, wordt het breed moderamen van de classicale vergadering hierover geïnformeerd, en stelt het breed moderamen de grenzen vast. Is de splitsing niet volgens een geografische afgrenzing, dan zal er gemeenschappelijk gebied zijn. In dat geval is toestemming van het breed moderamen van de classicale vergadering nodig en niet alleen een besluit tot vaststellen van de grenzen (ord. 2-8-6).

De splitsing van een gemeente betekent dat de twee rechtspersonen, de gemeente en de diaconie, beide gesplitst worden. Hiervoor is na de kerkelijke besluitvorming een civielrechtelijk traject nodig. Dit bestaat uit een publicatie in een regionaal dagblad en het passeren van een notariële akte, op vergelijkbare wijze als bij samengaan (zie § 2.11).

De procedure voor de vorming van een nieuwe gemeente (zie § 2.8) is eenvoudiger. Daarbij is geen publicatie en notariële akte nodig. Er kunnen toch redenen zijn om voor splitsing te kiezen. Naast de in § 2.8 genoemde redenen – indien de nieuwe gemeente onroerend goed zoals een kerkgebouw ‘meekrijgt’ – kan er een gevoelsmatige reden zijn. Het is iets anders om nieuw gevormd te worden naast een gemeente dan om beide gemeenten voortzetting te laten zijn van de oude gemeente.

2.13    Bijzondere zorg

‘Wanneer de band tussen een aanzienlijk deel van de leden van een tot de kerk behorende gemeente en de Protestantse Kerk in Nederland dreigt verbroken te worden en/of een aanzienlijk deel van de ambtsdragers van een gemeente niet bereid is het ambt te (blijven) vervullen binnen de kerk’, kan de generale synode een commissie van bijzondere zorg instellen (GR 1-6). Deze commissie is bevoegd maatregelen en voorzieningen te treffen ten behoeve van de gemeente binnen de kerk en een eventueel te vormen nieuwe kerkgemeenschap buiten de kerk.

Dit is een uitzonderlijke situatie waarop deze Toelichting niet gedetailleerd ingaat. Bij de kerkvereniging in 2004 is wel duidelijk geworden dat het geen theore-tische mogelijkheid is. Door opname van artikel 6 in de generale regeling is de kerk voorbereid mocht bovengenoemde situatie zich voordoen.

Het is aan de generale synode te bepalen wat onder ‘een aanzienlijk deel’ moet worden verstaan en wanneer dus GR 1-6 van toepassing is.

2.14    Opheffen van een gemeente

De kerkorde stelt voorwaarden aan gemeenten om te kunnen (voort)bestaan. Ze worden geroepen tot de dienst aan het Woord van God (art. IV-1 KO). Een gemeente komt samen in de eredienst en andere bijeenkomsten. Ze heeft een missionaire en een diaconale opdracht. Ze oefent pastorale zorg voor haar leden uit en kent geestelijke vorming voor de gemeente als geheel en voor haar delen. Ze heeft een leidinggevend orgaan, de kerkenraad, die bijgestaan wordt door de colleges van kerkrentmeesters en diakenen: voor de bezetting daarvan heeft de kerkorde minimumvoorwaarden geformuleerd. En ze heeft voldoende financiële middelen.

Een gemeente kan zichzelf niet opheffen

Als dit niet langer het geval is, zijn er verschillende oplossingen, zowel tijdelijke als definitieve. Gemeenten kunnen door samenwerking elkaar versterken of kunnen samengaan. Dit is niet altijd voldoende. Ook kan er geen passende partner zijn om mee samen te werken of samen te gaan.

Als alle andere middelen onderzocht zijn en geen oplossing bieden, dan is het uiterste middel dat de gemeente wordt opgeheven door de classicale vergadering (ord. 2-9-1). Vanwege het uitzonderlijke van dit besluit is dit niet toevertrouwd aan het breed moderamen, maar aan de plenaire classicale vergadering. Een gemeente kan zichzelf dus niet opheffen.

Het besluit kan het gevolg zijn van een verzoek van de kerkenraad of van een initiatief van de classicale vergadering. Deze overlegt wel altijd eerst met de kerkenraad. Tevens worden de gemeenteleden gehoord (ord. 2-9-2).

Bij het horen van de gemeenteleden is de wens van de gemeenteleden voor de toekomst een van de agendapunten. Zij hebben als mogelijkheden:

  1. een lichtere vorm van kerkelijke gemeenschap: een geloofsgemeenschap, die huisgemeente genoemd wordt. Deze huisgemeente valt onder de verantwoordelijkheid van een naburige kerkenraad of de classicale vergadering (zie § 2.15.);
  2. een geloofsgemeenschap in samenwerking met andere kerken;
  3. zich laten inschrijven bij een andere gemeente;
  4. ingeschreven blijven in het landelijk register, maar zich nog niet aansluiten bij een andere gemeente (GR 2-8-4 sub c). Deze mogelijkheid heeft meer het karakter van een noodmaatregel gezien de term ‘nog niet’;
  5. ingeschreven blijven in het landelijk register, maar zich als gastlid aansluiten bij een gemeente van een ander kerkgenootschap (GR 2-8-4 sub c).

Nadat het besluit tot opheffing van de gemeente genomen is, verkeert de gemeente in staat van opheffing (ord. 2-9-8). Het breed moderamen van de classicale vergadering is belast met vereffening.

De overblijvende vermogens van gemeente en diaconie worden geoormerkt (GR 12-5-4). Zij dienen te worden gebruikt in de regio waarin de gemeente gelegen was. Te denken valt aan (mede)financiering van missionaire activiteiten en toerusting (ondersteuning) van een huisgemeente. Vanwege de ANBI-status van de kerk (zie § 13.1.3) dient het in ieder geval een vergelijkbaar algemeen nuttig doel te zijn waaraan ze worden besteed.

Opheffen van een gemeente betekent ontbinden van de rechtspersonen. In GR 12-5 wordt beschreven hoe de verdere procedure is, die het breed moderamen van de classicale vergadering moet volgen. De uitvoering wordt gedaan door een commissie van vereffenaars, die door het breed moderamen wordt benoemd na overleg met het classicale college voor de behandeling van beheerszaken. Een eventueel batig saldo wordt door de classicale vergadering bestemd voor werk in de regio waar de gemeente lag. Ook hier is een publicatie in een regionaal dagblad voorgeschreven, voorafgaande aan de definitieve opheffing.

Er is een belangrijk aandachtspunt als het gaat om erfenissen en legaten die beschikbaar zouden komen na de opheffing. Anders dan bij samengaan of splitsen is er voor de gemeente die wordt opgeheven geen rechtsopvolger, die een erfenis of legaat kan aanvaarden. Het generale college voor de kerkorde heeft daarom geadviseerd om tijdig contact op te nemen met de begunstigers, indien zij bekend zijn. Te verwachten erfenissen en legaten kunnen ook reden zijn om in juridische zin toch aan samengaan met een andere gemeente te denken.

2.15    Huisgemeente na opheffing van een gemeente

Stel, een gemeente kan niet meer zelfstandig voortbestaan. Verschillende mogelijkheden zijn onderzocht om haar op te nemen in een samenwerkingsverband of te laten samengaan met een andere gemeente. Als blijkt dat dit niet lukt, kan het uiteindelijke besluit zijn om haar op te heffen (zie § 2.14). Wanneer een gemeente wordt opgeheven, zal het zelden of nooit voorkomen dat er geen gemeenteleden meer zijn. Voor hen zijn verschillende mogelijkheden. Zij kunnen zich bijvoorbeeld aansluiten bij een gemeente in de omgeving. Het kan echter ook zijn dat zij een vorm van kerkelijk leven willen voortzetten en daartoe een verzoek bij het breed moderamen van de classicale vergadering indienen. Het breed moderamen kan voor hen een huisgemeente instellen (ord. 2-5-11). Komen leden van de kerk later in het gebied wonen, dan kunnen zij zich bij deze huisgemeente aansluiten.

Een huisgemeente heeft geen kerkenraad

Strikt genomen is de huisgemeente geen gemeente in de zin van art. IV en VI van de kerkorde. Ze heeft immers – net als een missionaire gemeente – geen kerkenraad, maar valt onder de verantwoordelijkheid van een naburige kerkenraad of van de classicale vergadering.

Deze verantwoordelijke ambtelijke vergadering stelt een commissie in om aan de huisgemeente leiding te geven in die taken die zij aan de commissie toevertrouwt (ord. 2-5-12). De regeling bij het besluit tot instelling zal duidelijk moeten aangeven welke taken en bevoegdheden de commissie heeft.

De zorg voor de vermogensrechtelijke zaken berust bij de kerkenraad en de colleges van diakenen en kerkrentmeesters respectievelijk de classicale vergadering en haar financiële commissie (ord. 2-5-13). Dit betekent onder andere dat de kerkenraad of classicale vergadering aangeeft welke financiële ruimte de huisgemeente heeft.

Indien een kerkenraad de verantwoordelijkheid heeft, wil dit niet zeggen dat de leden van de huisgemeente lid zijn van de betreffende gemeente. De huisgemeente staat naast deze en de andere gemeenten. Ze heeft haar eigen plaats in de kerk en heeft een eigen ledenregister.

Wanneer in een huisgemeente een kerkdienst gehouden wordt, gelden voor haar dezelfde regels als voor een gemeente. Ord. 5-1-7 geeft ook de mogelijkheid van getijdendiensten. In deze diensten hoeft geen ambtelijke aanwezigheid van kerkenraadsleden te zijn en mogen alle leden van de gemeente voorgaan (ord. 5-2-1). Doop en avondmaal worden echter alleen gevierd in een kerkdienst.

Indien ambtelijke aanwezigheid nodig is omdat er een kerkdienst wordt gehouden, dan levert de verantwoordelijke kerkenraad de ambtsdragers. Valt de huisgemeente onder verantwoordelijkheid van de classicale vergadering, dan is het niet de bedoeling dat de leden van de classicale vergadering deze taak vervullen. In dat geval wordt dit gedaan door ambtsdragers van gemeenten uit de classis op verzoek en met opdracht van de classicale vergadering. Viert de huisgemeente het avondmaal, dan zijn er naast een bevoegde voorganger ten minste één ouderling en één diaken aanwezig. In overige kerkdiensten is er ten minste één ambtsdrager.

Kleinschalige gemeenten krijgen kerkordelijk de ruimte

In een gemeente kan een vergelijkbare voorziening getroffen zijn. Dit kan zijn ten behoeve van een minderheid die te klein is om een (wijk)gemeente al dan niet van bijzondere aard te vormen (vgl. ook ord. 4-7-2; zie § 9.4.2). Missionaire arbeid of het bestaan van een kleine dorpskern binnen een gemeente kunnen ook redenen zijn om zo’n voorziening te treffen. In al deze gevallen kan ruimte worden gegeven aan een kleinschalige gemeenschap die samenkomt om te vieren, te leren en te dienen.

Ook deze kleinschalige gemeenschap wordt geleid door een commissie onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad. Dat zou ook een wijkkerkenraad kunnen zijn.

Deze voorziening wordt in een aantal gemeenten ook huisgemeente genoemd. De kerkorde verhindert dit gebruik niet, maar regelt in ord. 2-5 alleen de instelling en regels voor een huisgemeente na opheffing van een gemeente. Het treffen van een voorziening echter is een interne aangelegenheid van een gemeente. Als de naam huisgemeente wordt gebruikt, moet duidelijk zijn dat dit niet een huisgemeente volgens ord. 2-5-10 is.


Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken