De kring van de gemeente
Tot de kring (of zoals de kerkorde zegt: de gemeenschap) van de gemeente behoren allen die op een of andere manier betrokken zijn bij het leven en werken van de gemeente.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen leden, gastleden, niet-gedoopte kinderen van gemeenteleden en vrienden (ord. 2-2-1).
In de gemeente mag iedereen meedoen, maar niet iedereen heeft dezelfde rechten en plichten
3.1 Leden van de gemeente
Je bent lid van de gemeente als je gedoopt bent en als lid in de gemeente bent opgenomen (art. III-2 KO en ord. 2-2-1). Het gaat dus om twee voorwaarden: gedoopt zijn en opgenomen zijn in de gemeente. De eerste voorwaarde is inhoudelijk. In vrijwel heel de wereldkerk zijn het lidmaatschap van de kerk en de doop onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het tweede is meer formeel maar even belangrijk. Anders zou iedere gedoopte lid zijn van alle gemeenten. Aan de opneming in de gemeente is onlosmakelijk registratie als lid verbonden. Maar die twee vallen niet samen: iemand die gedoopt wordt, wordt op dat moment lid van de gemeente (meestal de gemeente waarbinnen de doop plaatsvindt, maar soms een andere gemeente), en niet pas als de dopeling als lid wordt geregistreerd. Bij een verhuizing vallen de twee wel samen.
De doop hoeft niet in de Protestantse Kerk in Nederland te zijn bediend. Wanneer iemand in een andere kerkgemeenschap is gedoopt (zie § 4.7.4) en overkomt naar een gemeente van de Protestantse Kerk in Nederland, is deze volwaardig lid van die gemeente. Uiteraard moet de kerkenraad beslissen of iemand vanuit een andere kerkgemeenschap als lid wordt aanvaard (ord. 6-5). Dit geldt overigens niet voor leden van kerkgemeenschappen waarmee de kerk een associatieovereenkomst heeft gesloten. In deze overeenkomsten is vastgelegd dat leden uit die kerkgemeenschappen zonder meer als lid worden aanvaard.
Op dit moment betreft dit de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten, de Evangelisch-altreformierte Kirche in Niedersachsen, de Gereja Kristen Indonesia Nederland en de Presbyterian Church of Ghana.
De basisregel is dat iemand lid is van de gemeente van het woongebied. Elke gemeente heeft een eigen afgegrensd gebied. Van oorsprong was er in elk gebied maar één gemeente, maar dat is niet langer zo. De gebieden van gemeenten kunnen elkaar overlappen. Van elk postcodegebied in Nederland is vastgelegd binnen het ledenregistratiesysteem van de Protestantse Kerk in Nederland (LRP) in welke kerkelijke gemeente(n) van de Protestantse Kerk in Nederland dit gebied valt. Bij verhuizing wordt iemand in principe lid van de gemeente of een van de gemeenten in de nieuwe plaats van vestiging, en daarmee verliest hij of zij het lidmaatschap van de oude gemeente.
De overschrijving gebeurt automatisch: elk lid van de Protestantse Kerk in Nederland wordt zonder meer als lid opgenomen in een gemeente van de plaats van vestiging. Daar is geen afzonderlijk kerkenraadsbesluit voor nodig (ord. 2-2-2,4).
De overschrijving van de ene naar de andere gemeente gebeurt vanuit de ledenregistratie van de kerk. Daarbij is geregeld naar welke gemeente je wordt overgeschreven als er meer dan één gemeente is in het gebied waar je komt wonen. De precieze regeling is te vinden in GR 2-10. De generale regeling spreekt daarbij over de plaats van vestiging en niet over woonplaats: bij woonplaats denk je aan de burgerlijke gemeente, en de grenzen van kerkelijke gemeente en burgerlijke gemeente hoeven niet samen te vallen.
Een kerkenraad is niet verplicht om iemand van buiten het gebied van de gemeente op te nemen
Het blijft daarbij mogelijk dat iemand ervoor kiest om lid te worden van een andere gemeente. Als twee of meer gemeenten het woonadres binnen hun gebied hebben, kan iemand lid worden van elk van die gemeenten (ord. 2-2-3). Hij of zij kan simpelweg aan het kerkelijk bureau (de ledenadministratie) van de oude of nieuwe gemeente vragen om de overschrijving te regelen. Ook hier is geen afzonderlijk kerkenraadsbesluit nodig.
Anders is het als iemand lid wil worden van een gemeente buiten het woonadres. Hiervoor is de toestemming van de kerkenraad van de voorkeurgemeente nodig. Wanneer iemand vlak over de gemeentegrens woont, of al langere tijd met de gemeente meeleeft, of wanneer familiebanden de reden zijn voor het verzoek tot overschrijving, zal de kerkenraad in de regel geen bezwaar hebben. Maar als iemand verder weg woont, kan het voor een kerkenraad bezwaarlijk zijn om de pastorale zorg op zich te nemen. In ieder geval is de kerkenraad niet verplicht om iemand van buiten het gebied van de gemeente op te nemen. De kerkenraad zal wel met de betrokkene een gesprek moeten voeren over diens beweegredenen alvorens eventueel afwijzend te besluiten.
Omdat de kerkenraad over de aanvraag moet besluiten, moet een verzoek worden gestuurd aan de kerkenraad. Als het kerkelijk bureau een dergelijk verzoek ontvangt, zal dit het verzoek moeten doorsturen naar de kerkenraad.
Niet alleen leden van de kerk die in Nederland wonen, maar ook leden die in het buitenland wonen, kunnen door een kerkenraad als lid worden opgenomen (ord. 2-2-5).
Ook wijkgemeenten hebben een eigen vastgesteld gebied. In een gemeente met wijkgemeenten is iemand dan ook allereerst lid van de wijkgemeente waarbinnen het woonadres ligt. Als iemand lid wil worden van een andere wijkgemeente geldt dezelfde procedure als bij de vraag om lid te worden van een andere gemeente (ord. 2-2-6). Betrokkene moet dit aanvragen bij de betrokken wijkkerkenraad. Verschillende gemeenten met wijkgemeenten hebben in het kader van Kerk 2025 gevraagd om in de kerkorde de mogelijkheid op te nemen dat leden volledig vrij zijn in de keuze van de wijkgemeente. Een dergelijke regel is niet opgenomen omdat die regel overbodig is. Wijkkerkenraden kunnen in de algemene kerkenraad afspreken dat een aanvraag tot overschrijving naar een andere wijkgemeente altijd zonder meer door de betrokken wijkkerkenraad wordt geaccepteerd. Als dat is afgesproken, kan de overschrijving door het kerkelijk bureau worden afgehandeld. Het omgekeerde kan niet zonder meer: wijkkerkenraden kunnen niet afspreken dat aanvragen vanuit een andere wijkgemeente nooit worden aanvaard. De individuele omstandigheden zullen daarbij altijd moeten worden bezien. Wel kunnen wijkkerkenraden afspreken dat alleen in bijzondere omstandigheden een verzoek wordt ingewilligd.
Ook buurgemeenten kunnen een dergelijke afspraak maken.
Een bijzondere plaats nemen in dit verband de gemeente en wijkgemeente van bijzondere aard in (zie § 2.4). Iemand wordt van zo’n (wijk)gemeente alleen lid als de kerkenraad haar of hem op haar of zijn verzoek in de (wijk)gemeente opneemt. Iemand wordt dus nooit door verhuizing in zo’n (wijk)gemeente opgenomen (ord. 2-5-5). Als degene die het verzoek indient, woont binnen het grondgebied van deze (wijk)gemeente, kan de kerkenraad een dergelijk verzoek niet weigeren (ord. 2-2-3).
Samenvattend: je wordt dus lid van een gemeente
- als je in die gemeente wordt gedoopt,
- als je lid bent van de kerk en naar die gemeente verhuist en niet in een andere gemeente lid wordt/blijft,
- als je in een andere kerkgemeenschap gedoopt bent en door de kerkenraad in de gemeente wordt opgenomen,
- als je lid bent van de kerk en door de kerkenraad als lid van de gemeente wordt opgenomen.
Voorkeurleden blijven bij verhuizing lid van de voorkeurgemeente
Omgekeerd: je verliest het lidmaatschap van de gemeente van je woonplaats als je vertrekt uit de gemeente (al of niet naar het buitenland). Als je lid bent van een gemeente buiten je woonplaats blijf je bij verhuizing lid van die gemeente. Er is dan geen automatische overschrijving naar de gemeente van de woonplaats (GR 2-10-1). Uiteraard kan de verhuizing aanleiding zijn voor betrokkene om overschrijving naar de gemeente van de woonplaats te vragen. Ook kan de kerkenraad, als de afstand het onmogelijk maakt om met de gemeente mee te leven, aan betrokkene vragen om zich te laten overschrijven. Verder kan de kerkenraad zelf besluiten het voorkeurlidmaatschap te beëindigen, zodat betrokkene wordt overgeschreven naar de gemeente van de woonplaats.
Uiteraard verlies je ook het lidmaatschap als je overgaat naar een andere kerkgemeenschap, en wanneer je je door een uitdrukkelijke verklaring aan de kerkenraad onttrekt aan de kerk (ord. 2-2-5). Zie ook § 14.8.
De leden van de gemeente worden onderscheiden in doopleden en belijdende leden (ord. 2-2-1). De meeste leden worden als kind gedoopt en zijn daarmee dooplid. Belijdende leden zijn de gedoopten die bewust uitspreken dat zij bij de Heer willen horen en mee verantwoordelijkheid willen dragen in de gemeente. In de Protestantse Kerk in Nederland wordt de overgang van dooplid naar belijdend lid gemarkeerd door de openbare belijdenis van het geloof (ord. 9-4,5; zie § 5.6.1). Als een gedoopte vanuit een andere kerkgemeenschap overkomt naar de gemeente en in die andere kerkgemeenschap op de daar gebruikelijke wijze gekozen heeft voor de Heer en voor verantwoordelijkheid in de gemeente, kan de kerkenraad deze gedoopte als belijdend lid opnemen in de gemeente (ord. 9-5-7; zie § 5.6.2).
3.2 Gastleden
Naast leden kan een gemeente ook gastleden hebben (ord. 2-2-1). Gastleden zijn lid van een andere kerkgemeenschap en blijven ook lid van die kerkgemeenschap, maar leven (ook) mee als lid van de gemeente (voor hen: gastgemeente).
Met een aantal kerkgemeenschappen zijn in associatieovereenkomsten afspraken gemaakt dat de leden over en weer als gastlid worden aanvaard. Dat betreft de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten, de Gereja Kristen Indonesia Nederland en de Presbyterian Church of Ghana.
Als zij in het gebied van de gemeente wonen, worden zij op hun verzoek zonder meer als gastlid aanvaard. Bovendien worden deze gastleden volledig gelijkgesteld met leden. Zij kunnen dus net als de leden stemmen en verkozen worden tot ambtsdrager, ook als gastleden in zijn algemeenheid dit recht niet hebben.
Ook met andere kerkgemeenschappen zijn in het verleden – voorafgaande aan 2004 – afspraken gemaakt, die door de Protestantse Kerk in Nederland zijn overgenomen. Dit betreft de Evangelische Broedergemeente, de Remonstrantse Broederschap en het Genootschap van Vrienden (de Quakers). Ook leden van deze kerkgemeenschappen worden – als ze gedoopt zijn en in de gemeente wonen – zonder meer als gastlid aanvaard (GR 3-2-3).
Gedoopte leden van de meeste andere kerkgemeenschappen kunnen in aanmerking komen voor het gastlidmaatschap als ze te ver weg wonen van de eigen gemeente, of als ze partner zijn van een lid van de gemeente (GR 3-2-1). De kerk stelt daarbij als voorwaarde dat er een bijzondere band moet zijn tussen die kerkgemeenschap en de Protestantse Kerk in Nederland. Dat geldt overigens voor veel kerkgemeenschappen: alle kerkgemeenschappen die lid zijn van de Raad van Kerken in Nederland, en daarnaast nog een aantal met name genoemde kerkgemeenschappen (GR 3-1-1,2). De kleine synode kan deze lijst nog verder aanvullen (GR 3-1-3). En ook leden van kerkgemeenschappen in het buitenland kunnen voor dit gastlidmaatschap in aanmerking komen (GR 3-1-4).
Een kerkenraad kan niet besluiten iemand als gastlid toe te laten zonder contact op te nemen met diens eigen kerk
In deze gevallen beslist de kerkenraad over toelating als gastlid. De kerkenraad spreekt vooraf met betrokkene over de beweegredenen om het gastlidmaatschap aan te vragen. Ook vraagt hij of betrokkene zich wil stellen onder het opzicht van de kerk. Omdat gastleden lid blijven van de eigen kerkgemeenschap en dus ook onder de verantwoordelijkheid blijven vallen van de kerkenraad of het bestuur van de eigen kerkgemeenschap, is contact met dat bevoegde orgaan nodig voordat de kerkenraad kan besluiten om iemand als gastlid toe te laten. Als degene die gastlid wil worden binnen het gebied van de gemeente woont, kan worden volstaan met kennisgeving aan dat orgaan met de vraag om te reageren als er bezwaar is (GR 3-3-1). Als betrokkene buiten het gebied van de gemeente woont, is expliciete instemming van het bedoelde orgaan vereist (GR 3-3-2). Bij het besluit om iemand als gastlid toe te laten, besluit de kerkenraad eveneens of iemand als belijdend gastlid of gastdooplid wordt ingeschreven (GR 3-5).
Een bijzondere bepaling geldt voor de oecumenische gemeenten, waarin een gemeente van de kerk met bijvoorbeeld een rooms-katholieke parochie als het ware één gemeente vormt. De leden van de andere gemeenschap kunnen dan ook gastlid worden (GR 3-2-2). Hierover moet wel met de andere kerkgemeenschap overleg worden gevoerd, maar een toestemming is niet vereist.
Wanneer de kerkenraad besluit om iemand als gastlid toe te laten, krijgen de leden van de gemeente nog een maand de tijd om eventueel bezwaar te maken bij de kerkenraad. Na afweging van eventuele bezwaren besluit de kerkenraad definitief (GR 3-4-2). Bezwaar kan niet worden gemaakt tegen het gastlidmaatschap van hierboven genoemde kerken waaruit leden automatisch als gastlid worden aanvaard.
Gastleden leven in de gemeente mee als waren zij leden (GR 3-6). Gastleden die niet uit de geassocieerde kerken komen, hebben echter niet zonder meer het recht om ambtsdragers te kiezen of tot ambtsdrager verkozen te worden. De kerkenraad kan hun dat recht wel verlenen (GR 3-6-4; zie § 10.2). Als ze ambtsdrager zijn, kunnen ze geen lid zijn van een meerdere vergadering. Gastleden vallen ook onder het opzicht van de kerk (GR 3-6-3). De aanvaarding hiervan is voorwaarde voor de verlening van het gastlidmaatschap: in het gesprek voor de toelating als gastlid vergewist de kerkenraad zich ervan dat betrokkene zich ook onder het opzicht van de kerk stelt (GR 3-4-1).
Omdat zij lid blijven van de eigen kerkgemeenschap moet de kerkenraad het bestuur of de kerkenraad van die kerkgemeenschap raadplegen als er sprake is van doop van kinderen van gastleden, inzegening van een huwelijk en mogelijke tuchtoefening (GR 3-7). Het ligt voor de hand dat ook bij de zegening van overige levensverbintenissen die kerkenraad of dat bestuur betrokken wordt.
3.3 Niet gedoopte kinderen van gemeenteleden
Ook de kinderen van gemeenteleden behoren tot de kring van de gemeente, ook als zij (nog) niet door de doop als lid in de gemeente zijn opgenomen. Deze kinderen zijn immers mee begrepen in het verbond van God met zijn gemeente (art. III-4 KO). Net als de gedoopte kinderen worden zij betrokken bij het jeugdwerk van de gemeente. Uiteraard kan dat alleen als de ouders of verzorgers daartegen geen bezwaar maken. Omdat de gemeente alleen weet heeft van een geboorte wanneer de ouders dit aan de gemeente meedelen, mag ervan worden uitgegaan dat de ouders geen bezwaar maken. Als de ouders niet zelf de geboorte melden, mag de kerkenraad daar niet zonder meer van uitgaan en zal expliciet moeten worden gevraagd of de ouders bezwaar hebben tegen het opnemen van het kind in de kring van de gemeente.
Bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar verandert de positie van ongedoopte kinderen
Bij het opgroeien zullen deze kinderen op een zeker moment zelf de keus moeten maken of zij bij de gemeente willen horen door zich te laten dopen of door te vragen als vriend bij de gemeente te mogen horen. Bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar verliezen ze de status van ongedoopt kind. Voor die tijd zal de kerkenraad met hen moeten overleggen of zij als vriend willen worden geregistreerd. Indien zij hier niet voor kiezen, wordt hun registratie als ongedoopt kind beëindigd. Zolang ze thuis wonen, kunnen ze, als ze daar geen bezwaar tegen hebben, wel worden meegeregistreerd (zie hiervoor § 14.6).
3.4 Vrienden
Naast de leden en gastleden kan de kerkenraad iemand op zijn of haar verzoek ook opnemen in de gemeente als vriend. Het gaat hierbij om mensen die met de gemeente meeleven maar niet als lid kunnen/willen worden opgenomen: mensen die (nog) niet gedoopt zijn, en gedoopten die lid zijn van een andere gemeente van de kerk. Je kunt niet lid zijn van twee of meer gemeenten, maar meeleven in meer gemeenten is in bepaalde gevallen goed mogelijk, bijvoorbeeld wanneer je regelmatig verblijft in een andere plaats dan waar je als lid bent ingeschreven.
Als vriend kunnen ook leden van andere kerkgemeenschappen worden opgenomen, als zij niet als gastlid kunnen of willen worden opgenomen.
De vraag om als vriend te worden opgenomen, kan gericht worden aan de kerkenraad. En omgekeerd, de kerkenraad kan iemand die meeleeft met de gemeente ook de vraag stellen of zij of hij als vriend wil worden opgenomen. Als vriend kun je dan volledig worden betrokken bij het leven en werken van de gemeente. Omgekeerd, met het aanvaarden van iemand als vriend neemt de kerkenraad ook een pastorale verantwoordelijkheid op zich.
3.5 Onderscheid
In de dagelijkse praktijk van het gemeenteleven hoeft er geen onderscheid te worden gemaakt tussen de verschillende groepen die tot de gemeenschap van de gemeente behoren. Op alle betrokkenen kan ook een beroep worden gedaan om mee te doen en bij te dragen aan het werk van de gemeente. De belijdende leden hebben daarin een bijzondere verantwoordelijkheid. Alle gedoopten zijn geroepen om Christus te belijden en verantwoordelijkheid te dragen in de gemeente (art. III-3 KO). Met hun belijdenis hebben de belijdende leden deze roeping aanvaard.
Een duidelijk onderscheid ligt er wel in de betrokkenheid bij de leiding van de gemeente. Alleen belijdende leden (en de gastleden die met belijdende leden gelijk zijn gesteld) zijn zonder meer gerechtigd om ambtsdragers te kiezen en tot ambtsdrager verkozen te worden. De kerkenraad kan wel besluiten om ook anderen uit de kring van de gemeente hierbij te betrekken (ord. 3-2-3).
Verder is het onderscheid tussen belijdende (gast)leden en vrienden enerzijds en de overigen die tot de kring van de gemeente behoren anderzijds van belang bij de toegang tot het avondmaal. Alleen degenen die belijdend lid zijn, hebben zonder meer toegang tot het avondmaal. De kerkenraad kan besluiten om ook gedoopten toegang tot het avondmaal te geven (ord. 7-2-2).
Ten slotte: belijdende leden kunnen de doopvragen beantwoorden en daarmee de doop van hun kind vragen. Doopleden kunnen dit niet zonder meer. Wel kan de kerkenraad besluiten dat ook zij hun kind kunnen laten dopen (ord. 6-2-4).
Het onderscheid tussen gastleden en gedoopte vrienden is klein. Gastleden leven in principe volledig mee in de gastgemeente, gedoopte vrienden leven meestal in twee gemeenten mee. Maar daarin zijn gradaties mogelijk. Een gedoopte die buitenkerkelijk geworden is, kan de stap naar lidmaatschap te groot vinden en als vriend meeleven met de gemeente. Ook kennen een aantal gemeenten vrienden die wel willen meeleven met de gemeente maar principieel geen deel willen uitmaken van de kerk.
3.6 Samenvattend
De kring van de gemeente wordt gevormd door degenen die in de gemeente zijn opgenomen. In een aantal gevallen gebeurt die opname automatisch:
- bij de doop van kinderen van gemeenteleden;
- bij de doop van volwassenen;
- bij verhuizing van leden van de Protestantse Kerk in Nederland naar het gebied van de gemeente;
- bij overkomst van leden van geassocieerde kerkgemeenschappen die in het gebied van de gemeente komen wonen;
- bij aanvraag van gastlidmaatschap van leden van geassocieerde en enkele andere kerkgemeenschappen die in het gebied van de gemeente wonen.
In alle andere gevallen besluit de kerkenraad over opname in de gemeente.
Ieder die tot de kring van de gemeente behoort, wordt zo veel als mogelijk betrokken bij het leven en werken van de gemeente. Zonder nader besluit van de kerkenraad worden alleen belijdende (gast)leden en vrienden toegelaten tot de viering van het avondmaal, kunnen alleen belijdende leden de doopvragen beantwoorden en daarmee hun kind laten dopen, en kunnen alleen belijdende leden ambtsdragers verkiezen en tot ambtsdrager verkozen worden.