Menu

None

De eredienst

Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland

4.1      Algemeen

Dit hoofdstuk brengt ons bij het hart van de zaak, als het om de gemeente gaat: de gemeente komt samen in de eredienst, allereerst op de zondagen (ord. 5-1-1). Daar vindt ‘de lezing van de Heilige Schrift en de prediking van het Evangelie, de bediening en viering van de doop en het avondmaal, de dienst van lofzang en gebed en de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid’ plaats (art. VII-1 KO). Daar ligt het basso continuo van het kerkelijk leven, elke zondag opnieuw. In dit hoofdstuk gaat het daarover, over Woorddienst en sacramenten, en over bijzondere vormen van eredienst.

De kerkorde noemt de zondagen uitdrukkelijk. Alleen bij hoge uitzondering mag een kerkenraad dus besluiten op een bepaalde zondag geen kerkdienst te beleggen. Natuurlijk kan de kerkenraad er – bijvoorbeeld in de zomerperiode – altijd voor kiezen samen met een andere (wijk)gemeente een kerkdienst te houden. Zie voor bepalingen daarover GR 1-3.

Is een kerkdienst in de zin van ord. 5-1 echt niet mogelijk, dan kan het wijs zijn te kiezen voor bijvoorbeeld een ochtend- of avondgebed.

Alleen bij hoge uitzondering mag een kerkenraad besluiten op een bepaalde zondag geen kerkdienst te beleggen

Het gaat bij dit alles steeds om kerkenraadsbeleid: tijd, plaats en aantal van de kerkdiensten worden door de kerkenraad vastgesteld (ord. 5-1-3). In een gemeente met wijkgemeenten ligt die verantwoorde­lijk­heid bij de wijkkerkenraad (vgl. ord. 2-4-9), tenzij deze het overlaat aan de algemene kerkenraad (vgl. ord. 4-7-2). Wat de plaats van de kerkdiensten betreft, beslist de kerkenraad, maar niet buiten de gemeente om (ord. 4-8-9).

De kerkenraad draagt zorg voor publieke aankondiging (ord. 5-1-6): de eredienst is immers openbaar. Een kerkenraad kan in beginsel niemand de toegang tot een kerkdienst weigeren. Alleen als er op grond van duidelijke ervaringen of aankondigingen reden is te verwachten dat iemand de bedoeling heeft de kerkdienst te verstoren, is een uitzondering op deze regel denkbaar. Misschien behoren een dader en een slachtoffer van een misdrijf beiden tot dezelfde gemeente. Of er speelt een ernstige familiekwestie. Dan kan de kerkenraad iemand dringend adviseren weg te blijven. In de praktijk zal het moeilijk zijn iemand bij de deur tegen te houden.

In het recente verleden is het weleens gebeurd dat buitenstaanders er bewust op uit waren een kerkdienst te verstoren. Dan is het goed te bedenken dat het verstoren van een kerkdienst naar het Nederlandse strafrecht een ‘misdrijf tegen de openbare orde’ is (vgl. art. 146 Wetboek van Strafrecht). In een dergelijk geval verdient het aanbeveling contact met de politie op te nemen.

In dit deel gaat het achtereenvolgens over de rol van de ouderling van dienst, de voorganger, liturgie en kerkmuziek, de doop, het avondmaal, de huwelijksviering, de zegening van andere levensverbintenissen, en de rouwdienst.

4.2      De ouderling van dienst

Waarom moet je als ambtsdrager op zondag ‘dienstdoen’? Vooropgesteld: de kerkorde kent de term ‘ouderling van dienst’ niet. Daar staat alleen dat in ‘de ambtelijke aanwezigheid van kerkenraadsleden’ (in meervoud!) tijdens de kerkdiensten de verantwoordelijkheid van de kerkenraad tot uitdrukking komt (ord. 5-1-5). Dat staat voorop: de kerkenraad is te allen tijde verantwoordelijk; dat geldt zelfs als naast de predikant geen enkele ambtsdrager aanwezig is. De kerkorde is hier opvallend sober. Er staat niet met zoveel woorden dat, naast de predikant, zowel ouderlingen als diakenen herkenbaar aanwezig dienen te zijn. Dat is een traditie waar veel voor te zeggen valt (vgl. ook ord. 3-10-1 en 3-11-1), maar als het onverhoopt niet mogelijk is (omdat er bijv. geen diaken beschikbaar is), maakt dat het houden van de dienst natuurlijk niet onmogelijk. Zelfs als – bijvoorbeeld door overmacht – helemaal geen ambtsdrager aanwezig is, is dat geen reden de dienst niet te laten doorgaan.

Als onverhoopt geen ouderling aanwezig kan zijn, kan ook een diaken als ‘ouderling van dienst’ optreden

In beginsel mag van alle ambtsdragers worden verwacht dat zij in gelijke mate deelnemen in de ambtelijke aanwezigheid, al is vrijstelling daarvan niet ondenkbaar (vgl. ord. 3-8-2 en 3-10-1).

Als in bijzondere gevallen niet voldoende ambtsdragers beschikbaar zijn (bijv. bij rouw- en trouwdiensten), is het mogelijk te volstaan met één ambtsdrager naast de voorganger. Als onverhoopt geen ouderling aanwezig kan zijn, kan ook een diaken als ‘ouderling van dienst’ optreden. De kerkorde spreekt niet over het gebruik dat een ouderling van dienst de predikant de hand drukt. Dat is een kwestie van gewoonterecht – en dus een goede regel die gehandhaafd dient te worden. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat de kerkenraad de leiding van de dienst aan de betreffende voorganger toevertrouwt. De handdruk achteraf maakt duidelijk dat de kerkenraad mét de predikant aanspreekbaar wil zijn op de gang van zaken in de zojuist afgesloten dienst. Het gaat dus niet om een teken van instemming met – of zelfs goedkeuring van – de preek. Zelfs als de ouderling van dienst zich oprecht afvraagt of de verkondiging wel werkelijk gestoeld was op het Evangelie, kan deze de handdruk aan het einde van de dienst niet weigeren. Daarmee zou te veel het accent worden gelegd op het individuele oordeel van de ouderling van dienst. Wel is het in dat geval zaak na de dienst een afspraak te maken voor een nader gesprek, liefst in de kring van de kerkenraad. Aan een dergelijk gesprek mag de voorganger zich niet onttrekken.

4.3      Wie is bevoegd voor te gaan?

De kerkenraad dient zich in te spannen om een bevoegde voorganger uit te nodigen (ord. 5-5-3). De eerste vraag die zich aandient is: wie zijn er nu precies bevoegd om voor te gaan in een kerkdienst? We kijken eerst naar degenen die bevoegd zijn tot alle ambtshandelingen. Dat zijn natuurlijk allereerst de predikanten van de kerk. Volledig bevoegd zijn ook de voorgangers die behoren tot een kerkgemeenschap in Nederland of daarbuiten waarmee de Protestantse Kerk in Nederland bijzondere betrekkingen onderhoudt. Daarnaast kent ord. 5-5-2 nog enkele andere categorieën van mogelijke voorgangers, nl. preekconsenthouders in het algemeen, vervolgens meer in het bijzonder studenten en afgestudeerde theologen, en ten slotte de proponenten.

4.3.1     Predikanten van de kerk

Bevoegd tot alle ambtshandelingen (dus niet alleen de preek) zijn allereerst de ‘predikanten van de kerk’ (zie voor deze uitdrukking ord. 3-15 en § 16.2). Dat behoeft verder geen betoog. Maar soms is er niemand te vinden. Alleen in noodgevallen – aldus ord. 5-4-4 – kan een kerkdienst incidenteel geleid worden door een andere ambtsdrager of een of meer gemeenteleden. In die situatie kunnen geen sacramenten worden bediend of bijvoorbeeld ambtsdragers worden bevestigd.

4.3.2     Voorgangers uit andere kerken

Mag de kerkenraad ook een predikant of priester van een andere kerk in de eigen woonplaats laten voorgaan? In bepaalde gevallen heeft de kerkenraad dat recht. Het gaat dan altijd om iemand die in die andere kerk de bevoegdheid tot de bediening van Woord en sacramenten heeft, dus niet om bijvoorbeeld iemand met een preekconsent. Voorgangers uit alle hieronder genoemde en bedoelde kerken hebben in diensten binnen de Protestantse Kerk in Nederland dezelfde bevoegdheden die zij in de eigen kerk hebben, ongeacht bijvoorbeeld hun opleidingsniveau. Alleen de bevestiging van ambtsdragers blijft altijd voorbehouden aan predikanten van de kerk, zo besloot de synode in 2008, in een bespreking van de consequenties van ord. 14-4 (zie ook § 18.14). Dat laatste geldt dan weer niet voor de predikanten van de geassocieerde kerken: in de associatieovereenkomsten is vastgelegd dat zij tevens bevoegd zijn tot de bevestiging van ambtsdragers. Dat betreft de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten, de Evangelisch-altreformierte Kirche, de Gereja Kristen Indonesia Nederland, en de Presbyterian Church of Ghana (zie ook § 18.15).

Als het gaat om het voorgaan van een predikant van een andere kerk, dient de kerkenraad met wijsheid te onderscheiden

Om welke kerken gaat het verder? In een bijlage bij het synodebesluit van 2008 zijn allereerst enkele Nederlandse kerken met name genoemd: de Algemene Doopsgezinde Sociëteit, de Remonstrantse Broederschap, de Evangelische Broedergemeenten in Nederland, en de Molukse kerken in Nederland. Ook de (bijna 150) lidkerken van de Lutherse Wereldfederatie  en de (ruim 100) lidkerken van de kerkengemeenschap van Leuenberg – waaronder ook de in de nota afzonderlijk genoemde Verenigde Protestantse Kerk in België, de Church of Scotland en de Hervormde/Gereformeerde Kerk van Hongarije – vallen binnen deze regeling. Verder de Hervormde kerk van Suriname en ten slotte de kerken waarmee de Protestantse Kerk in Nederland of een van haar voorgangers een zendingsrelatie heeft of heeft gehad. Als voorgangers van deze kerken tijdelijk in Nederland verblijven, hebben zij eveneens alle bevoegdheden, met uitzondering van de bevestiging van ambtsdragers.

Mag een predikant uit een andere Nederlandse kerk de dienst dus niet leiden? Als een gemeente nauw samenwerkt met een gemeente uit de Christelijke Gereformeerde Kerken, mag de predikant van die kerk dan niet voorgaan? Hoe zit het met voorgangers van andere kerken uit de Nederlandse zestiende-eeuwse protestantse reformatie die met ons verbonden zijn door dezelfde belijdenistraditie (zie art. I-4 KO), of van migrantenkerken die herkenbaar behoren tot de protestantse kerkfamilie? En met voorgangers uit andere lidkerken van de Raad van Kerken in Nederland? Als het gaat om een oecumenische dienst is er geen enkel probleem. Dan kan bijvoorbeeld ook een rooms-katholieke, oudkatholieke of anglicaanse priester voorgaan. In ord. 5-2-3 is immers geregeld dat in zulke diensten kunnen voorgaan zij die in de eigen kerkgemeenschap de bevoegdheid tot voorgaan in de eredienst hebben ontvangen (zie § 4.4). Maar gaat het om het voorgaan als gastpredikant in een eigen dienst van de gemeente, dan dient de kerkenraad met wijsheid te onderscheiden. In beginsel denken we dan alleen aan de hierboven besproken protestantse kerken. De omstandigheden kunnen echter een uitzondering rechtvaardigen, maar daar moet de kerkenraad dan wel goede redenen voor hebben. In elk geval zoeken de Protestantse Kerk in Nederland en de kleinere gereformeerde kerkgenootschappen de laatste jaren bewust toenadering. Dat opent ook in dit opzicht deuren.

Maar hoe zit het dan met een voorganger van een kerk die hierboven niet is bedoeld? Denk bijvoorbeeld aan de Reformed Church of America, of een andere kerk die behoort tot de Wereldgemeenschap van Gereformeerde Kerken. Of met een anglicaanse priester of een methodistische predikant? De vraag is nogal theoretisch, al was het maar vanwege het taalprobleem. Als zoiets al speelt, is het altijd mogelijk dat zo’n voorganger een rol speelt in een dienst die door de eigen predikant wordt geleid. Dan is er ook geen probleem. Voor het overige geldt dezelfde eis van wijsheid en onderscheidingsvermogen waarover het hierboven bij Nederlandse predikanten ging.

4.3.3     De uitzondering: bijzondere omstandigheden

Soms kan op grond van een ordinantiebepaling een niet-predikant volledig bevoegd verklaard worden, hoewel de Romeinse artikelen die ruimte niet lijken te geven (art. V-3). Dat geldt als er sprake is van een ‘gemeente in bijzondere missionaire, diaconale en pastorale omstandigheden’ (ord. 2-6; zie § 2.5). In 2014 besloot de generale synode dat een (wijk)gemeente waaraan een pioniersplek is verbonden, zonder meer kan worden aangemerkt als een (wijk)gemeente in bijzondere missionaire, diaconale en pastorale omstandigheden als hier bedoeld. Zo kunnen van geval tot geval ook ‘pioniers’ bevoegd verklaard worden om (althans op de eigen werkplek) Woord en sacramenten te bedienen. De betrokkenen kunnen echter niet als voorganger worden uitgenodigd in een andere gemeente.

4.3.4     Preekconsenthouders

Kerkenraden en ‘preekregelaars’ kunnen voor een kerkdienst een beroep doen op preekconsenthouders. Hun bevoegdheid is beperkt: zij mogen alleen preken, en geen andere ambtelijke werkzaamheden verrichten. Naast studenten en afgestudeerde theologen (waarover hieronder meer) gaat het vooral om kerkelijk werkers (GR 10-6,7). Voor alle preekconsenthouders geldt dat het preekconsent niet automatisch bestaat: het moet worden aangevraagd. Over de regels voor het aanvragen gaat het in het hoofdstuk over de kerkelijk werkers (zie hoofdstuk 12.4.4).

In de regel geldt een preekconsent voor niet-academisch opgeleide theologen – zoals met name de kerkelijk werkers – voor een bepaalde tijd en voor een of meer gemeenten. Dat geeft het preekconsent zelf aan. Op de vraag van een kerkenraad die betrokkene uitnodigt om voor te gaan, moet diegene het consent kunnen tonen (GR 10-2-3). Een kerkenraad die op dit punt twijfels heeft, doet er daarom goed aan de betrokkene tijdig daarnaar te vragen en niet te wachten tot de laatste minuten voor de dienst! Een preekconsent houdt in dat iemand – na het afleggen van een belofte – de bevoegdheid heeft ‘een kerkdienst te leiden’ (GR 10-1). In de woordkeus ligt een (in de praktijk wat de verkondiging betreft nauwelijks waarneembaar) onderscheid met de bevoegdheid van predikanten: aan hen is ‘de bediening van Woord en sacramenten’ (ord. 3-9-1) toevertrouwd.

Op de vraag van een kerkenraad die een consenthouder uitnodigt om voor te gaan, moet die het consent kunnen tonen

Wat mag iemand met een preekconsent dan wel, en wat mag hij of zij niet? Deze bevoegdheid is beperkt tot het preken, en omvat niet ‘de bediening van doop en avondmaal, het afnemen van de belijdenis van het geloof, de bevestiging van ambtsdragers en het leiden van trouwdiensten en het uitspreken van de zegen’. Deze worden daarmee aangemerkt als specifieke ambtelijke handelingen waartoe het preekconsent geen bevoegdheid verleent. De generale regeling preekconsent maakt duidelijk dat het negeren van deze beperking kan leiden tot het verlies van het preekconsent, en wel met onmiddellijke ingang (GR 10-3-2).

Waarom is deze maatregel zo streng van aard? De kerkorde grijpt hier terug op wat sinds lang in de kerken gebruikelijk is. De lijst kan als wat willekeurig overkomen. Dat de bediening van de sacramenten als een ambtelijke handeling wordt gezien, ligt voor de hand. Dat iemand die zelf geen predikant is, ook anderen niet in het ambt van predikant mag bevestigen, komt ook niet vreemd over. Maar waarom zou een ouderling-kerkelijk werker die catechese gegeven heeft, de openbare geloofsbelijdenis niet kunnen afnemen? Waarom kan een preekconsenthouder die zelf ouderling is, geen andere ouderling in het ambt bevestigen? Waarom zou iemand met een preekconsent geen huwelijk mogen inzegenen? Ten slotte, zou het niet elk gemeentelid toegestaan moeten worden om over anderen de zegen uit te spreken? Er is zeker sprake van een verschillend ‘gewicht’ bij de genoemde handelingen.

Binnen de kerk bestaat een scala aan theologische opvattingen over het ambt, en dat wordt ook in de vraag rond de ambtelijke handelingen duidelijk. De kerkorde – en daarin zowel de gereformeerde als de lutherse traditie – sluit in feite aan bij de meer ‘hoogkerkelijke’ ambtsopvatting die ook vóór de zestiende-eeuwse protestantse reformatie gold – en waaraan vandaag de dag in de breedte van de klassieke oecumene (protestants, katholiek en orthodox) wordt vastgehouden. Niet alleen de bediening van doop en avondmaal, maar ook handelingen die in die andere tradities verder nog als sacramenten gelden (huwelijk en ambtsbevestiging) of wat daarop lijkt (het afnemen van de openbare geloofsbelijdenis die in plaats kwam van het vormsel), blijven voorbehouden aan de predikant. In al die gevallen is er sprake van een belofte die wordt afgelegd ten overstaan van de voorganger, en van een vorm van bevestiging of zegen door de voorganger. Omdat ook het ambtelijk uitspreken – anders geformuleerd: opleggen – van de zegen aan het einde van de dienst gezien wordt als iets anders dan een zegenbede, wordt ook die handeling hier genoemd: in de praktijk betekent dit dat wie geen predikant is, een zegenbede dient uit te spreken: ‘… zij met ons allen’. De groet aan het begin van de dienst (ook wel zegengroet genoemd) valt echter niet onder de ambtelijke handelingen.

Binnen de kerk bestaat een scala aan theologische opvattingen over het ambt: dat wordt in de vraag rond de ambtelijke handelingen duidelijk

Van kerkenraden en preekconsenthouders mag verwacht worden dat zij zich aan deze regels houden. Op grond van een overgangsbepaling bij de kerkorde van 2004 kunnen overigens ook anderen dan mensen in de hier genoemde categorieën nog in het bezit zijn van een preekconsent, nl. degenen die er al vóór de kerkvereniging van 2004 een hadden, als het althans tijdig is verlengd.

4.3.5     Studenten en theologen met een ambtsopleiding

De generale regeling preekconsent geeft apart aandacht aan ‘degenen die de predikantsopleiding volgen of hebben gevolgd’ (GR 10-4,5), d.w.z. studenten en afgestudeerde theologen die niet kozen voor het predikantschap. Het belangrijkste verschil met het preekconsent voor bijvoorbeeld kerkelijk werkers is dat dit preekconsent geldt voor alle gemeenten.

Studenten krijgen in het kader van hun opleiding aan de Protestantse Theolo-gische Universiteit, op verklaring van de betrokken hoogleraren en docenten, namens de kleine synode van de genoemde commissie een preekconsent voor telkens ten hoogste twee jaar (ord. 13-11-1; zie voor de daar gebruikte uitdrukking ‘met gebruikmaking van’ § 4.5). Wie de predikantsopleiding volledig en met goed gevolg heeft afgerond maar besloten heeft zich (nog) niet beroepbaar te laten stellen, kan eveneens een preekconsent krijgen. Daarvoor is echter een aanbeveling van het breed moderamen van de eigen classicale vergadering nodig, terwijl de commissie voor de preekconsenten eerst met betrokkene in gesprek gaat. Zulke preekconsenten gelden voor vier jaar en eveneens voor heel de kerk.

4.3.6     Proponenten

Een aparte categorie in ord. 5-5-2 vormen ‘zij die als proponent de bevoegdheid hebben te staan naar het ambt van predikant in de Protestantse Kerk in Nederland’, de afgestudeerde theologische studenten die ook het colloquium hebben afgelegd en die bijvoorbeeld ‘op beroep preken’. Ze worden ook weleens ‘kandidaten tot de heilige dienst’ genoemd. Ook zij hebben een preekconsent (vgl. ord. 13-18-9); zij worden echter in de generale regeling preekconsent niet nader genoemd, omdat zij hun bevoegdheid om een kerkdienst te leiden ontlenen aan het afgelegde colloquium en langs andere weg ontvangen. Voor hen gelden dezelfde beperkingen ten aanzien van ambtelijke handelingen als voor andere preekconsenthouders. Hun bevoegdheid betreft alle gemeenten van de kerk; deze wordt steeds voor vier jaar verleend.

4.4      Verscheidenheid in kerkdiensten

Tot nu toe hebben we het vooral gehad over de gewone kerkdiensten op zondag. Ord. 5-1 noemt voorts de kerkelijke feest- en gedenkdagen. In art. VII-3 van de kerk-orde worden zij nader onderscheiden. Daarbij valt op dat behalve de algemeen bekende kerkelijke feestdagen ook ‘de verschijning van Christus’ (Epifaniën) en de zondag van de Drie-eenheid (zondag Trinitatis) als een feest worden genoemd, twee feestdagen die vanouds in de lutherse traditie in aanzien staan. Een gedenkdag die afzonderlijk genoemd wordt, is de dag van de kerkhervorming (31 oktober).

Maar wat de samenkomsten van de gemeente betreft blijft het niet bij zon- en feestdagen. Ord. 5-1-2 noemt daarnaast verschillende andere mogelijkheden, namelijk leerdiensten, bid- en dankstonden, en de kerkdiensten op oudejaarsavond en nieuwjaarsmorgen. Ook genoemd worden kerkdiensten ter gelegenheid van bijzondere gebeurtenissen in het leven van de gemeenteleden (zoals trouw- en rouwdiensten, zie resp. § 4.8, § 4.9 en § 4.10) dan wel naar aanleiding van belangrijke gebeurtenissen in de kerk en in de wereld.

Elke schijn moet vermeden worden dat een zegening van een pasgeborene ongeveer hetzelfde zou inhouden als een doopbediening

Bij de gebeurtenissen in het leven van gemeenteleden is ook sprake van ‘zegenvieringen’. Daarbij zal menigeen primair denken aan de andere levensverbintenissen waarover in ord. 5-4 verder wordt gesproken (zie § 4.9), maar daar gaat het hier zeker niet uitsluitend om. Ook bij andere kruispunten in het leven is het denkbaar dat iemand in de kring van de gemeente een zegen vraagt en krijgt, zoals bij ziekte, of bijvoorbeeld aan de vooravond van een lange reis. Hier kan ook gedacht worden aan de ‘zegening van zuigelingen op weg naar de doop’, wanneer ouders onoverkomelijke bezwaren hebben tegen de kinderdoop. Daarover wordt in de ordinantie over de doop, ord. 6, met geen woord gerept. Kerkordelijk én in de kerkelijke praktijk moet immers elke schijn vermeden worden dat een dergelijke zegening toch ongeveer hetzelfde zou inhouden als een doopbediening. Het dienstboek reikt hiervoor wel liturgische mogelijkheden aan.

Ord. 5-1-2 noemt ook belangrijke gebeurtenissen in het leven van de gemeente. Hierbij valt te denken aan de ingebruikneming of juist de buitengebruikstelling van een kerkgebouw. Het tweede deel van het Dienstboek geeft ook hiervoor mogelijkheden.

Gaat het om wat in de wereld geschiedt, dan kan gedacht worden aan bijvoorbeeld rampen en oorlogsdreigingen, of aan de gedenkdagen van gebeurtenissen die het samenleven, nationaal of plaatselijk, sterk hebben beïnvloed.

Ord. 5-2 bevat enkele bepalingen die betrekking hebben op specifieke diensten. Het gaat daarbij om getijdendiensten, diensten binnen de sfeer van persoonlijke omstandigheden en familieleven, oecumenische kerkdiensten, en bijzondere kerkdiensten.

Wat de dagelijkse getijdendiensten betreft: ze worden in ord. 5-1-7 al genoemd, en gespecificeerd in met name het morgen-, middag- en avondgebed. Ord. 5-2-1 noemt ze opnieuw, om vast te stellen dat, zelfs als deze diensten onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad staan, ambtelijke aanwezigheid niet steeds vereist is en dat elk gemeentelid kan worden gevraagd erin voor te gaan. Daarmee is overigens niet uitgesloten dat getijdendiensten soms een plaats krijgen binnen het leven van de gemeente zonder dat de kerkenraad ertoe besloten heeft. In een groothuisbezoek of een conferentie kan deze vorm van samenkomst ook goed functioneren.

Gezamenlijke diensten met een andere (wijk)gemeente zijn natuurlijk ook mogelijk, hetzij incidenteel, hetzij regelmatig (zie ook § 2.10). Dat is echter niet geregeld in ord. 5, maar in GR 1-3. Van belang is dat de ‘eigen’ kerkenraad verantwoordelijk blijft voor de bediening van de doop, de openbare geloofsbelijdenis en de bevestiging van ambtsdragers in zulke diensten. Afspraken moeten gemaakt worden over het al dan niet beantwoorden van de doopvragen door ouders die geen belijdenis hebben gedaan: het is dus denkbaar dat dat in een ‘eigen’ dienst wel kan, maar in een gezamenlijke dienst niet. Hetzelfde geldt voor het al dan niet toelaten van kinderen tot het avondmaal. Gedoopten worden ingeschreven in het ledenregister waarvoor de dopeling of de doopouders kiezen. Wie belijdenis doet, wordt belijdend lid van de gemeente waar hij of zij als dooplid al toe behoorde.

Oecumenische kerkdiensten worden in ord. 5-2-3 genoemd. Omdat de verantwoordelijkheid gedeeld wordt met andere kerkelijke gemeenschappen, dient hun mogelijke inbreng op liturgisch gebied voluit te worden gehonoreerd. Wie niet in de Protestantse Kerk in Nederland, maar wel in de eigen kerk bevoegd is voor te gaan, is dat ook in deze diensten. Deze bepaling dient gelezen te worden met dezelfde ‘bril’ als in ord. 5-5-1, waar het gaat over voorgangers uit andere kerken: zij mogen voorgaan ‘naar de bevoegdheden die deze voorgangers hebben in hun eigen kerkgemeenschap’. Zo mag bijvoorbeeld een rooms-katholieke pastoraal werker die de bevoegdheid heeft te dopen, dat ook doen in een oecumenische viering, maar hij of zij mag op grond van de rooms-katholieke regelgeving nooit voorgaan in een viering van de maaltijd van de Heer. Als in een oecumenische dienst iemand wordt gedoopt of belijdenis doet, dient de registratie daarvan plaats te vinden in de gemeente waartoe de betrokkene behoort.

In ord. 5-2-4 worden de mogelijkheden verder verruimd. In ‘bijzondere kerkdiensten’ kan worden afgeweken van de vaste orden van dienst (ord. 5-1-4) en ook van de bepalingen met betrekking tot de voorganger (ord. 5-5). Daarbij kan gedacht worden aan jeugddiensten, evangelisatiediensten, uitvaartdiensten en dergelijke. Dat biedt ruimte, maar het kan natuurlijk niet de bedoeling zijn dat het bijzondere van de dienst alleen maar ligt in het laten voorgaan van een onbevoegde voorganger!

4.5      De vormgeving van de eredienst

Hoeveel vrijheid heeft de (wijk)kerkenraad bij het vaststellen van de vaste orde van dienst in de kerkdiensten? Uiteraard gaat het daarbij om de grote lijnen, waarbinnen de specifieke verantwoordelijkheid van predikant, kerkmusicus en anderen gestalte kan krijgen (ord. 5-1-4). Het dienstboek biedt het kader waarbinnen de keuzen van de kerkenraad zich kunnen bewegen: de daarin gegeven toelichtingen zijn overigens niet bindend, maar bieden waardevolle achtergrondinformatie en gezichtspunten. De (gast)predikanten en kerkmusici dienen zich hierbij aan het kerkenraadsbeleid te houden.

Voor de eredienst zijn bijbelvertalingen nodig en liedbundels, orden van dienst en wellicht gebedsteksten. Er is voor de kerk op dat gebied veel beschikbaar. De generale synode heeft hierin een eigen verantwoordelijkheid, waarbij als motief genoemd wordt het bevorderen van de eenheid in de kerk (vgl. ord. 5-9-1; zie ook § 18.4). Maar eenheid betekent ook hier nog geen uniformiteit.

De synode wijst bijbelvertalingen aan, zoals de Nieuwe Bijbelvertaling (2004), maar ook de vertalingen die vóór de vereniging van 2004 in gebruik waren – de (Herziene) Statenvertaling en de NBG-vertaling 1951 – gelden als aangewezen. Zij biedt ook psalm- en gezangboeken aan, het Liedboek: zingen en bidden in huis en kerk (2013), maar ook de bundels die vóór 2004 in gebruik waren in de afzonderlijke kerken, zoals de ‘oude psalmberijming’ en het Liedboek voor de Kerken (1973), gelden als aangeboden. Deze vertalingen en liedbundels worden in de eredienst ‘bij voorkeur’ gebruikt (ord. 5-9-1). Weloverwogen afwijking is dus mogelijk.

Het hanteren van een andere dan de trinitarische doopformule is om oecumenische redenen ontoelaatbaar

De orden van dienst, samengebracht in het dienstboek van de kerk, worden niet aangewezen of aangeboden, maar vastgesteld. Dat klinkt verplichtender, en dat klinkt ook door in een uitdrukking die we steeds weer tegenkomen in kerkorde en ordinanties: ‘met gebruikmaking van een van de orden uit het dienstboek van de kerk’ of woorden van gelijke strekking (art. V-5; VIII-1; IX-1; XI-8; ord. 3-5-7; 3-6-9; 3-12-9; 5-1-4; 5-3-5; 5-9-2; 6-3-2; 7-3-1; 9-5-2; 13-11-1). Bij de orden van dienst is de kerkorde strikter dan bij bijbelvertalingen en liedbundels. Dat ligt om twee redenen voor de hand. Allereerst zijn er elementen in de eredienst waar het van groot belang is zich letterlijk te houden aan de door de traditie geijkte en/of door de kerk vastgestelde formuleringen. Het hanteren van een andere dan de bekende trinitarische doopformule is ontoelaatbaar, al was het maar omwille van goede oecumenische verhoudingen. De wederzijdse dooperkenning tussen een aantal Nederlandse kerken waaronder de Protestantse Kerk in Nederland en de Rooms-Katholieke Kerk (zie § 4.7.4), is bijvoorbeeld gebaseerd op een consequent vasthouden aan de klassieke doopformule. Maar bovenal dient van dergelijke formuleringen – te denken is hier ook aan de avondmaalswoorden – niet te worden afgeweken omdat zij direct verbonden zijn met de Bijbelse traditie. Ook bij de beloften die worden afgelegd bij de aanvaarding van een ambt of de inleiding in een bediening mag achteraf geen twijfel bestaan over de vraag wat iemand in dat kader heeft toegezegd (in de kerkelijke rechtspraak zal men, als het tegendeel niet blijkt, ervan uitgaan dat hierbij het dienstboek is gevolgd).

Dat lijkt dwingender dan het feitelijk is. Immers, bij alle ambtshandelingen waar het hier vooral om gaat, biedt het Dienstboek voor de niet direct geijkte onderdelen van een orde zo veel keuzemogelijkheden dat elke gemeente daarin wel kan vinden wat bij de eigen spiritualiteit past. Het is dan ook niet meer dan een kwestie van een zekere bescheidenheid zich daaraan zo veel mogelijk te houden, zonder dat daarmee van een ‘slaafs volgen’ sprake behoeft te zijn. Er zijn immers nog altijd vele mogelijkheden om, bijvoorbeeld met het oog op degenen die een kind ten doop houden of die in het ambt bevestigd worden, in verkondiging, gebeden en anderszins aan de dienst een heel persoonlijke invulling te geven.

Onderling respect dient het uitgangspunt te zijn

Bij de concrete uitwerking van de orde van dienst voor een bepaalde kerkdienst kan alleen een goed samenspel tussen alle betrokkenen – onder wie bijvoorbeeld ook de leiding van de kindernevendienst – tot een verantwoorde vormgeving van de eredienst leiden. Onderling respect dient daarbij het uitgangspunt te zijn. Zo is de predikant wel eindverantwoordelijk voor de keuze van de in de dienst te zingen liederen, maar daarbij kan zij/hij veel baat hebben bij wat de kerkmusicus vanuit een eigen deskundigheid inbrengt (ord. 5-1-4). Deze laatste beslist als het gaat om de verdere muzikale vormgeving, maar zal daarbij naar vermogen rekening hebben te houden met de in een gemeente bestaande muziekcultuur. De leiding van de kindernevendienst heeft alle recht te vragen om een goede aansluiting tussen hoofddienst en nevendienst en daarvoor suggesties te doen, maar men kan de predikant op dit punt niets voorschrijven, tenzij sprake is van kerkenraadsbeleid (dat dan ook met gastpredikanten bij het maken van afspraken moet zijn gecommuniceerd).

4.6      Kerkmuziek

Ord. 5-6 gaat over de kerkmusicus, en maakt hier in zoverre een wat merkwaardige indruk, dat het hier vooral over rechtspositionele zaken gaat: voor de honorering van de kerkmusicus bestaan kerkordelijke regels (ord. 5-6-2,3; GR 9). In hoofdstuk 13 over het plaatselijke beheer komt dat nader aan de orde. Alleen de eerste zin van lid 1 maakt duidelijk waarom de kerkmuziek ook in de ordinantie over de eredienst aan de orde moet komen: ‘Aan de gemeentezang en de verdere muzikale vormgeving van de eredienst wordt leiding gegeven door een kerkmusicus.’

Net als een kerkelijk werker kan ook een kerkmusicus in een bediening worden gesteld (ord. 5-6-1). Dat heeft niets te maken met een rechtspositie, maar het legt een eigen accent op de kerkelijke positie van de organist of de cantor. Daarbij wordt ook een belofte afgelegd (zie ord. 3-12-9).

Vooral bij kerkmuziek – maar in beginsel ook bij te gebruiken teksten van bijvoorbeeld gedichten – is het van belang rekening te houden met de burgerlijke wetgeving over het auteursrecht. De Auteurswet onderscheidt twee velden: ‘openbaar maken’ en ‘verveelvoudigen’.

Bij ‘openbaar maken’ moet in de kerk allereerst gedacht worden aan gemeentezang en de instrumentale begeleiding daarvan tijdens de kerkdienst. Die gelden niet als een inbreuk op het auteursrecht, dus hiervoor hoeft geen auteursrecht betaald te worden. Voor bijvoorbeeld zang tijdens andere gemeentesamenkomsten, of het spelen van muziek tijdens gemeenteactiviteiten, hebben de landelijke kerken met buma/stemra een regeling getroffen. Daarvoor betaalt de landelijke kerk jaarlijks een bepaald bedrag. Maar zaken als bruiloften en partijen in het verenigingsgebouw of een volledig ‘open’ jeugdsociëteit vallen buiten deze regeling: daarvoor dienen de gewone auteursrechtelijke vergoedingen te worden voldaan.

Alleen kopiëren voor persoonlijk gebruik is toegestaan; voor het overige is toestemming nodig

Onder ‘verveelvoudigen’ vallen zaken als: drukken en kopiëren, zoals bij het vervaardigen van liturgieën. Alleen verveelvoudigen voor persoonlijk gebruik is toegestaan. Voor het Liedboek van 2013 en het Liedboek voor de kerken van 1973 berusten de auteursrechten inzake het ‘verveelvoudigen’ bij de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied.

Voor meer eigentijdse vormen als het projecteren met een beamer moet een abonnement genomen worden. Voor het overnemen van de tekst van een gezang in het kerkblad of het opnemen van auteursrechtelijk beschermd materiaal op geluidsdragers is toestemming nodig, en men kan ervoor moeten betalen. Voor dit alles kan men zich wenden tot de uitgever van het desbetreffende werk.

Veel meer informatie over auteursrechten en alles wat daarmee samenhangt, staat in de brochure Auteursrecht en naburige rechten in de kerk.

4.7      De sacramenten: doop en avondmaal

De ordinanties over de heilige doop en over het heilig avondmaal (ord. 6 en 7) zijn de kortste ordinanties van de kerkorde, en terecht. Bij de bediening van de sacramenten denken we immers niet allereerst aan de kerkorde, maar eerder aan het dienstboek en het liedboek. Toch moet er wel iets geregeld worden. Doop en avondmaal vallen immers onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad (zie art. VIII-3 en IX-4 KO).

4.7.1     De toelating tot de doop

De kerk kent een dubbele dooppraktijk: zowel de kinderdoop als de doop op belijdenis is mogelijk. Dat blijkt uit art. VIII-2: ‘De doop wordt bediend aan hen voor wie of door wie de doop begeerd wordt, nadat het geloof door en met de gemeente beleden is.’ De eigen plaats van de doop op belijdenis wordt dus nadrukkelijk erkend, maar zonder dat het goed recht van de kinderdoop daardoor in twijfel wordt getrokken. Dat laatste blijkt ook uit het accent in de laatste woorden van ord. 6-1-1, waar de gemeente wordt opgewekt tot de viering van de doop, ‘in het bijzonder van de doop van de kinderen van de gemeente’.

De normale gang van zaken is als volgt. De kerkenraad is verantwoordelijk voor de toelating tot de doop. Zo wordt ‘de doop in de gemeente heilig gehouden’ (ord. 6-1-2). Zo nodig wordt een doopaanvraag in (het moderamen van) de kerkenraad behandeld. Een doopaanvraag dient dus liefst ruim tevoren te worden ingediend. Veelal zal er geen reden zijn om over de toelating tot de doop een apart besluit te nemen.

Na de doopaanvraag – of in de praktijk ook wel eerder – is er een gesprek met doopouders of dopelingen, waarin de betekenis van de doop én het verlangen van de doopouders – en uiteraard in voorkomende gevallen ook van de dopelingen – aan de orde komen.

Een kerkenraad dient het doopgesprek niet aan de predikant over te laten

Aan het doopgesprek nemen ‘in de regel’ een predikant en een ouderling deel (ord. 6-2-2). Zo kan de verantwoordelijkheid van de kerkenraad beter tot haar recht komen. Een kerkenraad dient dit dus, uitzonderingen daargelaten, niet aan de predikant over te laten. Dat de tekst spreekt van ‘een’ doopgesprek, sluit uiteraard niet uit dat meer dan één gesprek wordt gevoerd.

Volgens ord. 6-2-1 heeft de kerkenraad bij de toelating tot de doop te handelen in overeenstemming met de richtlijnen van de generale synode. Tot nu toe heeft de generale synode van de Protestantse Kerk in Nederland echter geen richtlijnen vastgesteld. Men kan daarom het beste aansluiten bij wat voorheen gold in de drie kerken die de Protestantse Kerk in Nederland zijn gaan vormen. In wat nu volgt, wordt daarop ingespeeld.

Doopouders zijn zelf ook gedoopt. In sommige gemeenten mogen alleen belijdende leden de doopvragen beantwoorden, terwijl in andere gemeenten ook doopleden daartoe gerechtigd zijn. De beslissing daarover dient niet van geval tot geval genomen te worden, maar vindt plaats binnen een beleid, waarbij de kerkenraad bij een voorgenomen beleidswijziging de gemeenteleden in de gelegenheid stelt hun mening te geven (ord. 6-2-4), dus naar het in ord. 4-8-9 bepaalde.

Een aanvraag kan ook komen van gastleden, als zodanig ingeschreven in het register van gemeenteleden (ord. 2-2-1). Dan zegt de generale regeling gastlidmaatschap dat de kerkenraad eerst overlegt met het bevoegde orgaan van de eigen kerk van de betrokkenen (GR 3-7-2). In het algemeen zal de doopaanvraag niet worden gehonoreerd als de eigen kerk er niet mee kan instemmen. Ook wordt overlegd in welke gemeente inschrijving als dooplid zal plaatsvinden. In elk geval wordt achteraf bericht gezonden dat de doop is bediend (GR 3-7-3).

Als vrienden die zelf ooit gedoopt zijn maar niet meer tot enige kerk behoren, de doop aanvragen voor hun kind, mag van hen worden verwacht dat zij alsnog zelf ook volledig lid van de gemeente worden.

In het register van de gemeente zijn na de vereniging in 2004, nu als vrienden, ook opgenomen degenen die bij hun gemeente wilden blijven behoren maar geen deel wilden uitmaken van de Protestantse Kerk in Nederland. Hun aanvraag kan worden behandeld naar dezelfde maatstaven als die gelden voor de leden van de gemeente. Als zij hun kind laten dopen in de gemeente, wordt het als dooplid in de gemeente ingeschreven en is het daarmee lid van de kerk.

Een kerkenraad moet wel heel sterke argumenten hebben om een doop te weigeren. Toelating tot de doop kan in elk geval niet worden geweigerd bij wijze van middel van kerkelijke tucht. Immers, ord. 10-9-6 kent als tuchtmaatregel inzake de sacramenten alleen de afhouding van het heilig avondmaal – zij het in de vorm van een ernstige vermaning – maar niet het weigeren van de doop (zie ook § 21.5.4).

Met pastorale fijngevoeligheid dient rekening gehouden te worden met het recht van het kind om gedoopt te worden

Moeten beide ouders achter de doopaanvraag staan? Het feit dat slechts één ouder de doop aanvraagt, is geen reden om op de doopaanvraag niet positief in te gaan (vgl. ord. 6-2-3). In goed overleg kan worden bepaald hoe de andere ouder in de dienst een rol speelt; het is vanzelfsprekend dat daarbij de opvatting van die ander voluit wordt gerespecteerd. Dat betekent ook dat de kerkenraad er wijs aan doet een doopaanvraag niet te honoreren als de andere ouder zich daartegen uitdrukkelijk verzet. Ook als, bijvoorbeeld in het geval van een ongehuwde moeder, slechts één ouder bekend is of aanwezig kan zijn, kan de doop worden bediend. Hier dient met pastorale fijngevoeligheid rekening gehouden te worden met het recht van het kind om gedoopt te worden.

Is geen van de ouders gerechtigd de doopvragen te beantwoorden? Daarover gaat het hieronder, in § 4.7.2.

Wat te doen als ouders die lid zijn van een andere gemeente binnen de kerk, hun kind willen laten dopen? Dan moet de kerkenraad waar de aanvraag is ingediend, de andere kerkenraad informeren. Als de ouders dit bijvoorbeeld wensen omdat ze nog onlangs uit die gemeente vertrokken zijn, zal niemand daar moeite mee hebben. Heeft de ‘andere kerkenraad’ echter wel bezwaren, dan geldt daarvoor een procedure met termijnen die te vinden is in ord. 6-2-5.

Vanwege de termijnen die in acht genomen moeten worden, is het van belang dat een doopbediening ‘elders’ vroegtijdig wordt aangevraagd. Soms ligt het meer voor de hand dat de betrokken ouders zich alsnog laten overschrijven naar de gemeente waarin de doop zal worden bediend: ord. 2-2-2 biedt daarvoor immers ruimte.

Ord. 6-4-4 wijst er overigens op dat achteraf aan de eigen gemeente bericht moet worden gezonden als de doop is bediend; dit met het oog op de inschrijving in het ledenregister als dooplid.

Het is ondenkbaar pleegkinderen te laten dopen zonder toestemming van de natuurlijke ouders, zeker als die het gezag hebben

Hoe zit het met de doop van geadopteerde kinderen en pleegkinderen? Bepalend is de vraag of de adoptie- of pleegouders het gezag hebben. Gemeenteleden die kinderen geadopteerd hebben of om andere redenen het gezag hebben over andere dan hun eigen kinderen, kunnen voor deze kinderen de doop aanvragen. Dit is staand beleid van de kerken. Het is binnen het burgerlijk recht ondenkbaar pleegkinderen te laten dopen zonder toestemming van de natuurlijke ouders, zeker als die het gezag nog hebben. Bij de doop van voogdijkinderen in een instelling geldt dat evenzeer. Wordt geen toestemming gegeven, dan blijft wel de mogelijkheid bestaan van het geven van een ‘zegening van zuigelingen op weg naar de doop’ (zie § 4.4): dan wordt immers de mogelijkheid voor het kind om later zelf te kiezen nadrukkelijker opengelaten. Wanneer de natuurlijke ouders toestemming geven voor de doop, zijn het de pleegouders die bij de doop in hun plaats treden.

Tot zover gaat het over de situatie waarin althans een van de ouders lid is van de Protestantse Kerk in Nederland. Maar wat als een doopaanvraag komt van ouders die lid zijn van een andere kerk? In dat geval stelt ord. 6-2-6 dat ‘zo mogelijk’ overleg met het bevoegde orgaan van de eigen kerk van de ouders verplicht is. Bij andere Nederlandse kerken valt nauwelijks in te zien waarom dan de doop niet in die kerk bediend zou worden; en als daar een doopbediening niet wordt toegestaan, zou ook een kerkenraad van de Protestantse Kerk in Nederland daartoe niet moeten besluiten, tenzij de betrokkenen overkomen naar de Protestantse Kerk in Nederland.

De regel is vooral van belang wanneer bijvoorbeeld asielzoekers de doop voor hun kind aanvragen, of wanneer Nederlanders die in het buitenland wonen, met verlof in Nederland zijn en hier een kind willen laten dopen. Zeker in het eerste geval is overleg met de eigen kerk vaak niet mogelijk, maar kan dat wel, dan moet het ook gebeuren. In dat geval is feitelijk instemming van de eigen kerk vereist, gezien het belang van een correcte oecumenische omgang. Voor het toelaten tot de doop is het niet relevant of een asielzoeker een verblijfsvergunning heeft.

Soms vragen asielzoekers voor zichzelf de doop aan. Zo’n aanvraag kan vragen oproepen, omdat de bekering een grond kan zijn voor een verblijfstatus. Van de kerkenraad wordt dan veel pastorale wijsheid gevraagd.

4.7.2     De bediening van de doop

De kerkorde zegt: ‘De heilige doop wordt bediend in het midden van de gemeente door een predikant, met gebruikmaking van een van de orden uit het dienstboek van de kerk’ (art. VIII-1). Ord. 6-3 werkt dit uit. ‘In het midden van de gemeente’ wil zeggen: in een kerkdienst van de gemeente (ord. 6-3-2). Daarvoor moet minstens eenmaal per maand de gelegenheid geboden worden (ord. 6-3-1).

Principieel is de bediening van de doop geen familiegebeuren, maar een zaak van de gemeente

Kan het dan niet op een ander tijdstip, bijvoorbeeld in een privéviering, buiten de normale kerkdiensten? En kan het wellicht ook elders, thuis of in een ziekenhuis? Daartoe kunnen bijzondere omstandigheden aanleiding geven, zegt ord. 6-3-3. Te denken valt aan ernstige ziekte van de moeder of van het kind, die een afzonderlijke doopviering wenselijk maakt. Of aan psychische problemen zoals claustrofobie of pleinvrees die het een van de ouders onmogelijk maken naar het kerkgebouw te komen. Maar ook dan moet het een zaak van de kerkenraad en zo veel mogelijk ook van de gemeente blijven. Principieel is de bediening van de doop immers geen familiegebeuren, maar een zaak van de gemeente. Voor de reikwijdte van de uitdrukking ‘met gebruikmaking van’ (ord. 6-3-2), zie § 4.5.

Elke doop die heeft plaatsgevonden, wordt geregistreerd in het doopboek van de gemeente waar de doop werd bediend (ord. 6-4-1): dat doopboek valt niet samen met het register van doopleden (zie § 14.3).

Kunnen ook anderen dan de ouders de doopvragen beantwoorden, en zo (mede)verantwoordelijkheid dragen voor de geestelijke vorming van het kind? Ord. 6-3-4 spreekt over die mogelijkheid. Als de ouders of verzorgers van een kind niet in staat of gerechtigd zijn de doopvragen te beantwoorden, moet het niet op voorhand onmogelijk zijn dat dat kind gedoopt wordt. Anderen, bijvoorbeeld grootouders, nemen in dit geval de eerste verantwoordelijkheid voor de geestelijke vorming. Dat moet dan ook wel mogelijk zijn. Door de term ‘(mede)verantwoordelijkheid’ blijft open of ook de ouders zelf daarin een zekere verantwoordelijkheid willen nemen.

Vroeger werd in dit geval wel van ‘doopgetuigen’ gesproken. In ord. 6-3-4 wordt die term ook in een andere betekenis gebruikt. Daarbij is gedacht aan een gebruik dat men sterker in andere tradities vindt: de peter en meter. Zulke doopgetuigen treden niet in de plaats van de ouders, maar spelen aanvullend een rol. Zo iemand is een vertrouwensfiguur, bij wie het kind weet te allen tijde te kunnen aankloppen. Ook die mogelijkheid bestaat dus in de Protestantse Kerk in Nederland.

Ten slotte, tot welke leeftijd is er sprake van een ‘kinderdoop’? Op een bepaald moment kan het betrokken kind immers al als mondig beschouwd worden. De grens kan niet in een leeftijd worden vastgelegd: als de kerkenraad van oordeel is dat de doop op belijdenis kan worden bediend, dan heeft hij het recht dat zo te doen plaatsvinden. Kiest men daarvoor niet, maar is het kind in kwestie toch al wel in staat zelf mee te spreken, dan dient eerst dooponderricht plaats te vinden en beantwoordt het kind in kwestie zelf de doopvragen, eventueel samen met de ouders (ord. 6-3-5). In dat laatste geval is nog steeds sprake van een kinderdoop!

4.7.3     Doopbewijs

Vraagt iemand de kerkenraad om een doopbewijs (ord. 6-4-2)? De dopeling (of de doopouders) krijgt (krijgen) dan een schriftelijke verklaring; veelal zal dat vorm krijgen via een fraai uitgevoerde doopkaart. Maar een meer formeel document kan nodig zijn, bijvoorbeeld voor een kerkelijk huwelijk in het buitenland (dan verdient een Engelstalig doopbewijs veelal de voorkeur). Zo’n doopbewijs kan dan worden aangevraagd bij de kerkenraad. Als betrokkene in het buitenland woont en in het landelijk register is opgenomen, kan een doopbewijs worden aangevraagd bij de generale synode. In andere gevallen zal dit moeten worden gevraagd aan de kerkenraad van de gemeente waar de doop heeft plaatsgehad, die immers de doop in het doopboek heeft aangetekend.

Een doopbewijs kan niet altijd worden afgegeven

Als iemand om een officieel doopbewijs (of verklaring van lidmaatschap) vraagt, dan kan dat alleen als duidelijk is dat de bedoeling niet strijdig is met het belijden van de kerk (ord. 6-4-3). Het mag dus wel – en is aan te bevelen – wanneer iemand voor een kerkelijk huwelijk in een Grieks-Orthodoxe Kerk zo’n bewijs nodig heeft, maar het is niet toegestaan wanneer een vreemde overheid het bewijs wil hebben dat iemand niet-jood of niet-moslim is.

4.7.4     Dooperkenning

Stel dat iemand vanuit een andere geloofsgemeenschap over wil komen naar de gemeente, dan kan de vraag zijn of betrokkene naar het inzicht van de Protestantse Kerk in Nederland wel of niet gedoopt is. Vier inhoudelijke criteria zijn hier van belang: (1) heeft de doop plaatsgevonden in of vanwege een christelijke kerk of een gemeenschap van christenen, (2) door een aldaar tot de doopbediening bevoegd persoon, (3) met water en (4) in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest? Ord. 6-5-1 noemt deze criteria.

In veel gevallen behoeft de kerkenraad dit niet verder na te gaan, omdat sprake is van wederzijdse dooperkenning. In 2012 ondertekenden vertegenwoordigers van de Protestantse Kerk in Nederland, de Rooms-Katholieke Kerk, de Anglicaanse Kerk, de Bond van Vrije Evangelische Gemeenten, de Evangelische Broedergemeente, de Molukse Evangelische Kerk, de Oud-Katholieke Kerk, de Remonstrantse Broederschap en de Syrisch-Orthodoxe Kerk een verklaring waarin wederzijds de doop werd erkend. Men mag er ook van uitgaan dat de doop wordt erkend van kerken waarmee naar ord. 14-4 bijzondere betrekkingen zijn aangegaan. Het maakt niet uit of degene die de doop heeft bediend de bevoegdheid om te dopen ook binnen de Protestantse Kerk in Nederland zou kunnen hebben: de regels van de betrokken kerk zijn doorslaggevend. Zo is ook een rooms-katholieke ‘nooddoop’ erkend. Soms moet de kerkenraad zich er zelf – al dan niet geadviseerd door de dienstenorganisatie van de kerk – van vergewissen hoe het ligt. Als in een bepaald geval de doop niet kan worden erkend en betrokkene wil toch lid worden, dan kan dat alleen via doop op belijdenis.

Als degene die wil overkomen een doopbewijs kan overleggen, is dat prachtig. Soms zal dat niet kunnen, bijvoorbeeld als het gaat om een vluchteling. Als de kerkenraad in dat geval tot de redelijke overtuiging is gekomen dat de betrokkene de waarheid spreekt, mag dat voldoende zijn om hem of haar als dooplid in te schrijven.

Ord. 6-5-2 maakt duidelijk dat voor een elders gedoopte nog geen automatisch recht ontstaat om als lid van de gemeente en de kerk te worden ingeschreven: ook als de doop kan worden erkend, dient de kerkenraad zich een oordeel te vormen over de beweegredenen die iemand heeft om lid te willen worden van de gemeente. Dat zou dus ook geweigerd kunnen worden – al lijkt het niet erg waarschijnlijk dat iemand inschrijving in de gemeente zonder goede motieven zou aanvragen. Dat geldt ook als iemand ooit is gedoopt in de Protestantse Kerk in Nederland of een van de kerken waaruit deze kerk is ontstaan, en – op eigen initiatief of dat van de ouders – op enig moment is uitgeschreven. Herinschrijving als dooplid is mogelijk, als een goed pastoraal contact daartoe de vrijheid geeft. Zie voor de overkomst als belijdend lid ord. 9-5-7 en § 5.6.2.

Hoe ga je als kerkenraad om met als kind gedoopte gemeenteleden die zich elders als volwassene opnieuw hebben laten dopen? Betekent dat feit als zodanig al een breuk met de gemeente? Betrokkenen ervaren dat lang niet altijd zo; dan blijven ze actief in de eigen gemeente. Hier wordt pastorale wijsheid gevraagd: gedetailleerde regelgeving helpt dan niet verder. Niet zelden heeft zo iemand bovendien goede gaven voor het ambt van ouderling of diaken.

Het is niet bij voorbaat uitgesloten dat iemand die ‘overgedoopt’ is, wordt toegelaten tot het ambt

Hoe gevoelig deze thematiek ligt, wordt duidelijk uit een uitspraak van het generale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Het besluit van een kerkenraad om ‘overgedoopte’ gemeenteleden zonder nadere voorwaarden toe te laten tot het ambt, werd door het GCBG vernietigd. Het college stelt dat in zo’n situatie in elk geval aan drie voorwaarden dient te worden voldaan: de betrokkene moet de kinderdoop aanvaarden als een legitieme doop, hij of zij moet beloven geen propaganda te maken voor de eigen overtuiging ten aanzien van de volwassendoop, en de samenwerking met andere ambtsdragers mag niet onder druk komen te staan door de overtuiging of houding van de overgedoopte (vgl. GCBG 2007/30).

Deze uitspraak geeft heldere criteria, maar laat tegelijk de deur naar een pastorale benadering openstaan.

4.7.5     Nodiging tot, voorbereiding op en toelating tot het avondmaal

Hoe kan de kerkenraad zijn verantwoordelijkheid voor de avondmaalsviering gestalte geven? Voorop staat een fundamentele uitspraak van de kerkorde zelf: ‘Tot de maaltijd van de Heer zijn genodigd zij die Jezus Christus belijden en instemmen met de lofprijzing en door geloofsonderricht tot dit geheimenis zijn toegeleid’ (art. IX-2). De kerkenraad beschikt niet over de tafel van de Heer; hij nodigt uit, in eredienst en pastoraat (ord. 7-1-1), en draagt zorg voor de toeleiding of voorbereiding (ord. 7-1-3). Bij dat laatste is te denken zowel aan catechese als aan de ‘voorbereiding op het heilig avondmaal’, waarop ord. 7-4 dieper ingaat. Als de kerkenraad dat wenselijk acht, kunnen de voorbereiding op de viering van het avondmaal, waarin de gemeente wordt opgewekt tot verootmoediging en vertrouwen, en de dankzegging na het avondmaal plaatsvinden in een kerkdienst voorafgaand aan respectievelijk volgend op de viering van het avondmaal.

Maar de kerkenraad is ook verantwoordelijk voor de toelating tot het avondmaal (ord. 7-2): wie mogen er deelnemen? Hier spelen verschillende vragen, waaronder die rond ‘kinderen aan het avondmaal’. De kerk kent in dat opzicht een dubbele praktijk: in sommige gemeenten worden alleen belijdende leden toegelaten; in andere gemeenten worden alle gedoopten genodigd die ‘Jezus Christus belijden en instemmen met de lofprijzing’ (art. IX-2), en dus ook de kinderen. In dat geval kan het geloofsonderricht waardoor kinderen en jongeren tot dit geheimenis worden toegeleid, vorm krijgen in een kindercatechese.

De kerk is wel van oordeel dat gedoopt zijn een voorwaarde is om deel te nemen aan het avondmaal. Daarin deelt zij een oecumenisch breed gedragen overtuiging dat men alleen door de doop volledig wordt opgenomen in de gemeenschap van het lichaam van Christus die aan de avondmaalstafel op een bijzondere manier gestalte krijgt.

De vraag of alleen belijdende leden of ook doopleden aan het avondmaal worden genodigd, is een zaak die voor de identiteit van een gemeente van zodanig gewicht is, dat de kerkenraad op dat punt niet tot een wijziging in het beleid kan besluiten zonder dat daarover een bezinningsproces in de gemeente heeft plaatsgevonden, waarbij de gemeenteleden nadrukkelijk uitgenodigd worden. De kerk-orde spreekt dan van ‘beraad in de gemeente’ (art. IX-3, ord. 4-8-9).

Leden van andere gemeenten binnen de kerk worden toegelaten tot de viering (ord. 7-2-3): een kerkenraad kan geen leden van de kerk buitensluiten, alleen omdat ze tot een andere gemeente behoren. Dat geldt ook voor leden van geassocieerde kerken en gemeenten (zie § 18.15). Indien in een gemeente alleen belijdende leden worden toegelaten tot de viering, zijn ook doopleden uit andere gemeenten uiteraard niet gerechtigd deel te nemen aan de avondmaalsviering.

De kerkenraad mag van hen geduld en wijsheid vragen: men moet geen aanstoot willen geven en niet overvragen.

Hoe ligt dat met leden van andere kerken? Een kerkenraad heeft de mogelijkheid gasten niet toe te laten. Maar in ord. 7-2-4 ligt de kerkordelijke basis voor een open uitnodiging die leden van andere kerken insluit: ‘Wie gedoopt is en in eigen kerk kan deelnemen aan de maaltijd van de Heer, mag zich welkom weten in de kring rond de tafel om dankbaar en gelovig in te stemmen met de lofzegging en de zegening van God, onze hemelse Vader.’

Als in een bepaalde gemeente geen sprake is van zo’n ‘open’ avondmaalsviering, verdient het oude gebruik dat iemand zich als gast voor de dienst meldt bij de kerkenraad, nog altijd aanbeveling.

Soms is een waardige viering van het avondmaal niet vanzelfsprekend

Soms is een waardige viering van het avondmaal helaas niet vanzelfsprekend. In ord. 7-4-2 wordt daarom gewezen op de mogelijkheid dat de kerkenraad een samenkomst belegt ter bezinning en verzoening. Er kan immers door conflicten in een gemeente een situatie zijn ontstaan die zo’n samenkomst nodig maakt. Het avondmaal is tenslotte het heilig avondmaal, en – niet minder belangrijk – de gemeente is geroepen een heilige gemeente te zijn!

Bepaalde gemeenten kennen vanouds de censura morum, waarbij in de laatste kerkenraadsvergadering voorafgaande aan de viering van het avondmaal aan de leden van de kerkenraad wordt gevraagd of iemand moeite heeft met de ambtsvervulling van een van de andere leden. Zo ja, dan dient dit eerst te worden uitgepraat.

Het is ook denkbaar dat de kerkenraad – of strikt genomen ‘het college van predikant(en) en ouderlingen’ (ord. 10-7-1), dus zonder diakenen – moet besluiten iemand ernstig te vermanen ‘dat de kennelijke verharding tegen het Woord het op waardige wijze eten van het brood en drinken van de beker des Heren voor de betrokkene verhindert, waardoor de gemeenschap wordt geschaad’ (ord. 10-9-6). Het gaat om een vermaning, niet om een verbod, en dat betekent dat het betrokken gemeentelid uiteindelijk zelf in geweten moet beslissen. Voor de toepassing van dit middel van kerkelijke tucht, zie § 21.5.4.

4.7.6     De viering van het avondmaal

Ord. 7-3-1 benadrukt de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de drie ambten rond de tafel van de Heer. Een predikant – of in bijzondere situaties een andere ambtsdrager (zie § 4.3.3 en § 12.4.5) – bedient het avondmaal, maar ouderlingen dragen medeverantwoordelijkheid en diakenen dienen aan de tafel van de Heer: zij maken de tafel klaar en spelen eventueel ook een rol in de uitdeling. De kerkenraad als geheel bepaalt ook het beleid inzake de wijze van vieren: zittend rond de tafel of in de banken, dan wel staand in een kring, lopend of misschien wel knielend voor in de kerk. Daarin zijn de gemeenten vrij. Dat geldt ook voor de frequentie, maar ord. 7-3-2 noemt wel een minimum: het avondmaal wordt in elke gemeente ten minste vier maal per jaar gevierd.

De bediening vindt plaats ‘met gebruikmaking van een van de orden uit het dienstboek van de kerk’ (art. IX-1, ord. 7-3-1; zie § 4.5).

Soms kan het niet in de kerk. Een viering in bijvoorbeeld de huiselijke kring met wie aan huis gebonden is, is dan mogelijk. De gedachte daarachter is dat zo’n viering verbonden is met de viering in de kerkdienst (vgl. ord. 7-3-3). Dat kan op verschillende manieren. Zo kan bijvoorbeeld een vertegenwoordiger van de kerkenraad – bij voorkeur een ambtsdrager – tijdens de dienst bij iemand thuis zijn, terwijl de dienst via internet wordt meebeleefd. Ook valt te denken aan de mogelijkheid om onmiddellijk na de dienst de viering bij iemand thuis voort te zetten. Hier is wel enige ruimte voor eigen vormgeving, maar de relatie met de viering in de kerkdienst blijft van belang, juist omdat in het avondmaal de onderlinge gemeenschap van de gemeente in de Heer mag worden vormgegeven en beleefd. Vieringen in instellingen worden apart genoemd (ord. 7-3-4): hier gaat het in de regel wel om gewone kerkdiensten, die alleen niet in het kerkgebouw van de gemeente worden belegd.

4.8      Huwelijksviering

Ook wie niet ‘voor de kerk’ maar alleen ‘op het stadhuis’ getrouwd is, is voluit getrouwd. Wat de kerkorde over het huwelijk zegt, is gebaseerd op de burgerlijke wetgeving daarover. De eigenlijke kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland bevat zelfs geen afzonderlijk artikel over het huwelijk. Daarin wordt over het huwelijk alleen gesproken in het kader van de eredienst, door de aanduiding ‘trouwdiensten’ in art. VII-1. Daarvan wordt een uitwerking gegeven in ord. 5-3.

Denkt de kerk dus precies hetzelfde over het huwelijk als de overheid? Dat nu ook weer niet. De wet kijkt naar de ‘burgerlijke betrekkingen’ (art. 1:30 lid 2 BW) die met het huwelijk gegeven zijn, voor de kerk is het ‘een verbond van liefde en trouw voor Gods aangezicht’ (ord. 5-3-1). Waar het burgerlijk recht ook het huwelijk tussen mensen van gelijk geslacht kent, spreekt de ordinantie over het huwelijk ‘van man en vrouw’; elke andere vorm van wettelijke verbintenis tussen twee personen rekent de kerk onder de ‘andere levensverbintenissen’ (zie ord. 5-4; zie § 4.9).

Een predikant die een niet naar burgerlijk recht tot stand gekomen huwelijk inzegent, is onder het Nederlands recht strafbaar

De aansluiting bij het burgerlijk recht betekent ook dat alleen ‘een naar burgerlijk recht tot stand gekomen’ huwelijk kan worden ingezegend (ord. 5-3-8). Immers, een predikant die een niet naar burgerlijk recht tot stand gekomen huwelijk inzegent, is onder het Nederlands recht strafbaar (zo art. 1:68 BW en art. 449 lid 1 Wetboek van Strafrecht). In zo’n geval – bijvoorbeeld wanneer het gaat om een geregistreerd partnerschap (art. 1:80a BW) – blijft alleen een zegenviering als bedoeld in ord. 5-4, waarin niet van ‘huwelijk’ wordt gesproken, denkbaar.

De kerkorde heeft het in ord. 5 wat het huwelijk betreft dus uitsluitend over de trouwdienst. In ord. 9 komt dan nog de geestelijke vorming met het oog op het leven in huwelijk en gezin even in beeld (ord. 9-3-4).

Wat moet er gebeuren voordat de trouwdienst een feit is? Ord. 5-3 geeft een routebeschrijving, met bijbehorende termijnen.

Het begint met een verzoek tot inzegening van het huwelijk. Dat moet tijdig worden ingediend bij de kerkenraad die gevraagd wordt de verantwoordelijkheid te nemen voor de trouwdienst. Is dat de kerkenraad van de gemeente waartoe bruid en bruidegom beiden behoren, dan dient het verzoek ten minste zes weken van tevoren te worden ingediend (ord. 5-3-2). Behoort een van beiden (of behoren beiden) tot een andere gemeente binnen de kerk, dan geldt zelfs een termijn van tien weken (ord. 5-3-3). Dan moet immers een andere kerkenraad (of zelfs twee) op de hoogte gesteld worden, en daarmee de mogelijkheid hebben bezwaar te maken (zie voor de termijnen ord. 5-3-3). Bezwaren kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op bij de kerkenraad bekende feiten ten aanzien van de levenswijze van de betrokken partner(s), die de kerkenraad strijdig acht met de heiligheid van het huwelijk. Uiteraard kan een kerkenraad niet om een andere, oneigenlijke reden – bijvoorbeeld omdat er een zakelijk geschil is met de betrokkene – deze toestemming weigeren.

Behoort een van de huwelijkspartners tot een ander kerkgenootschap, dan wordt daarmee zo mogelijk contact opgenomen. Dat kan leiden tot een oecumenische viering (vgl. ord. 5-2-3; zie § 4.4), maar dat hoeft natuurlijk niet. In elk geval wordt de inzegening van het huwelijk achteraf aan die kerk gemeld, zodat ook daar registratie mogelijk is.

Daarbij blijft het in een kerk met zoveel verscheidenheid als de Protestantse Kerk in Nederland denkbaar dat een oprecht verschil in theologische visie – bijvoorbeeld als het gaat om ongehuwd samenwonen – ertoe leidt dat het bezwaar niet doorslaggevend wordt geacht. Van een kerkenraad mag wel de bereidheid verwacht worden over zulke verschillen met elkaar te spreken.

Ten minste twee weken voor de trouwdienst wordt ook de gemeente geïnformeerd. Het zou immers kunnen zijn dat in de gemeente zaken bekend zijn waar de kerkenraad niet van weet en die toch een beletsel voor een trouwdienst zouden kunnen vormen.

We nemen aan dat de kerkenraad graag op het verzoek ingaat. Dan moet er een predikant worden uitgenodigd. Daarvoor is de kerkenraad verantwoordelijk. Het zal in de regel een predikant van de gemeente zijn, maar in overleg met het bruidspaar kan ook een andere predikant, met wie men een bepaalde band heeft, worden uitgenodigd. Het is raadzaam hierin zo veel mogelijk ruimte te geven, met inachtneming van wat de kerkorde zegt over de bevoegdheid om voor te gaan (zie § 4.3). Als de door het bruidspaar gewenste voorganger niet bevoegd is, dan kan deze onder verantwoordelijkheid van een predikant die de dienst leidt, natuurlijk toch een rol spelen in de trouwdienst.

Het spreekt vanzelf dat in een huwelijksviering de integriteit van het bruidspaar centraal moet staan

Wenst het bruidspaar een andere predikant terwijl er een predikant van de gemeente beschikbaar is, dan ligt het voor de hand dat het bruidspaar ook de kosten draagt. De orde van dienst is te vinden in het dienstboek van de kerk (zie voor de uitdrukking ‘met gebruikmaking van’ § 4.5). Het spreekt vanzelf dat in een huwelijksviering de integriteit van het bruidspaar centraal moet staan: als een belofte voor Gods aangezicht of een zegen van God voor bruid of bruidegom in feite geen enkele betekenis heeft, is het aan te raden de dienst liever als een gebedsdienst in te richten. Ten slotte wordt in ord. 5-3-6 gewezen op het gebruik om in de trouwdienst een huisbijbel te schenken.

Moet het altijd in de eigen kerk? Gewoonlijk zijn er dan geen kosten aan verbonden. Soms wil een bruidspaar de trouwdienst elders houden, omdat bijvoorbeeld voor een ‘mooi kerkje’ wordt gekozen. Dan is het niet voldoende een en ander met de koster ter plaatse te regelen, meestal tegen betaling van een vast bedrag. Aan de kerkenraad van de betrokken gemeente dient in dat geval gevraagd te worden om schriftelijke instemming met het feit dat op ‘zijn terrein’ een kerkdienst wordt gehouden onder verantwoordelijkheid van een andere kerkenraad (ord. 5-2-2). Het ligt voor de hand die toestemming ruimhartig te geven. Soms zal enig overleg nodig zijn. Als die instemming niet wordt gegeven, zal de dienst elders gehouden moeten worden.

De laatste stap betreft de registratie. Het is niet noodzakelijk, maar wel mogelijk een huwelijksinzegening te registreren in een afzonderlijk trouwboek (ord. 5-3-7). In elk geval dient iemands burgerlijke staat en de kerkelijke inzegening van een huwelijk in de registers van gemeenteleden te worden opgenomen (GR 2-3-2).

4.9      Andere levensverbintenissen

Kan dus alleen een bruidspaar van man en vrouw bij de kerk terecht? Hoe zit dat dan met een huwelijk van twee mensen van gelijk geslacht? Bij de totstandkoming van de Protestantse Kerk in Nederland lag hier al een van de moeilijkste vraagstukken, en de discussie is in de generale synode nadien opnieuw opgepakt.

Over ‘andere levensverbintenissen’ dan een huwelijk van man en vrouw is de kerkorde in ord. 5-4 uiterst beknopt: ‘De kerkenraad kan – na beraad in de gemeente – besluiten dat ook andere levensverbintenissen van twee personen als een verbond van liefde en trouw voor Gods aangezicht kunnen worden gezegend.’ Dat is alles, een korte tekst die nog steeds leidt tot veel discussie.

Een compromis dat voor velen onbevredigend gebleven is, maar meer bleek niet mogelijk

Een deel van de kerk doet er alles aan om de kerkelijke gelijkwaardigheid van een ‘gewoon’ huwelijk en bijvoorbeeld een huwelijk van twee homoseksuele gemeenteleden of een geregistreerd partnerschap in de zin van boek 1:80a BW e.v. in de kerkorde tot uitdrukking te brengen. Een ander deel van de kerk kan dat voor het eigen geweten niet verantwoorden en wilde zich kerkordelijk beperken tot het klassieke huwelijk, waarbij velen ook graag een artikel over het huwelijk als ‘instelling Gods’ in de eigenlijke kerkorde hadden gezien. De discussie heeft er in 2004 toe geleid dat die laatste wens niet werd gehonoreerd, maar dat anderzijds op verschillende punten sprake is van een niet geheel gelijke kerkordelijke positie van een huwelijk van man en vrouw en een ‘andere levensverbintenis’. Wel wordt in beide gevallen gesproken van ‘een verbond van liefde en trouw voor Gods aangezicht’. Het is een compromis dat voor velen aan beide kanten onbevredigend gebleven is, maar meer was toen niet mogelijk zonder de kerkelijke eenheid in gevaar te brengen.

Waar zitten dan de verschillen tussen het huwelijk van ord. 5-3 en de andere levensverbintenis van ord. 5-4?

Allereerst valt op dat ord. 5-4 verwijst naar de noodzaak van beraad in de gemeente, zoals nader aan de orde in ord. 4-8-9. Een kerkenraad kan op dit punt geen koerswijziging – in welke richting dan ook – doorvoeren zonder zulk beraad.

Het tweede verschil is door voorstanders van het huwelijk van twee mensen van gelijk geslacht vaak als het pijnlijkst ervaren: in ord. 5-4 wordt niet van ‘inzegenen’ gesproken, maar van ‘zegenen’. Ten aanzien van het huwelijk werd bij de vaststelling van de kerkorde bewust vastgehouden aan de klassieke term ‘inzegenen’: de synode wilde niet door hier een ander woord in te voeren de suggestie wekken dat de waardering van het huwelijk zou zijn veranderd. Overigens kent het burgerlijk recht die term niet: art. 1:68 BW spreekt heel algemeen van ‘godsdienstige plechtigheden’. In een rapport onder de titel De plaats van levensverbintenissen in de kerkorde, dat in 1996 in de gezamenlijke vergadering van de synodes van de SoW-kerken werd besproken, wordt het onderscheid niet gemaakt. Toch is er bij de vaststelling van de tekst van de ordinanties aan vastgehouden. Alleen zo kon een meerderheid gevonden worden voor de vaststelling van ord. 5-4. Intussen heeft de generale synode zich in november 2018 opnieuw beziggehouden met deze vraag, en besloten de kerkordetekst niet te wijzigen, maar wel een nadere uitleg gegeven van wat de kerkorde hier zegt. De synode benadrukt dat de kerkorde in deze bepalingen geen waardeoordeel geeft over de seksuele geaardheid van haar leden, noch over het huwelijk of andere levensverbintenissen. Verder stelt zij vast dat het hier gaat om een praktische modus vivendi waarin ruimte wordt gegeven aan (wijk)kerkenraden om zelf te kunnen beslissen om naast het huwelijk tussen man en vrouw ook andere levensverbintenissen tussen twee mensen – waaronder het huwelijk tussen twee mensen van hetzelfde geslacht – te zegenen. Voorts geeft de synode als uitleg dat de verschillende termen ‘inzegenen’ en ‘zegenen’ eenzelfde liturgische lading hebben, namelijk het stellen van twee mensen in hun huwelijk of levensverbintenis voor het aangezicht van God, onder de belofte van zijn bewaring, genade en vrede. En ten slotte stelt zij dat deze bepalingen (wijk)gemeenten aansporen de veilige ruimte voor alle leden te vergroten waarin het gesprek over gender, seksualiteit en zegen gevoerd kan worden.

Hier liggen voor een kerkenraad en het betrokken paar geen verplichtingen en moet men een eigen weg vinden

Het derde verschil tussen ord. 5-3 en 5-4 is het opvallendst. Uiteindelijk is er niet voor gekozen datgene wat in ord. 5-3-2 t/m 8 gesteld is, op overeenkomstige wijze te laten gelden voor andere levensverbintenissen. Dat biedt vrijheid: hier liggen voor een kerkenraad en het betrokken paar geen verplichtingen en moet men een eigen weg vinden. Maar het ligt voor de hand zich in veel opzichten toch wel te oriënteren op wat over de trouwdienst is gezegd, bijvoorbeeld als het gaat om termijnen, om afkondiging in de gemeente of om de keuze van een predikant. Maar het hoeft niet pertinent. Zo zou bijvoorbeeld – als tenminste de plaatselijke regeling naar ord. 4-8-9 dat niet uitsluit – een kerkenraad formeel kunnen instemmen met de zegening van een andere levensverbintenis in het midden van de gemeente zonder de eigen kerkenraad van (een van) de partner(s) daarover in te lichten (vgl. ord. 5-3-3). Het is de vraag of dit kerkelijk correct is. Als mensen daarvoor in arren moede toch maar kiezen omdat ze in het andere geval alleen maar veel problemen zouden verwachten, dan verdient het wellicht de voorkeur als de betrokkenen zich door toepassing van ord. 2-2-2 ruim tevoren laten inschrijven bij een andere gemeente.

Ten slotte volgt hier nog iets over de registratie. In de generale regeling ledenregistratie (GR 2-3-2 sub i) is aan de gewetensbezwaren van een deel van de kerk tegemoetgekomen, doordat de verplichting een kerkelijke zegening van een andere levensverbintenis te registreren is beperkt tot die gemeenten waar van de in ord. 5-4 geboden mogelijkheid gebruik is gemaakt. Zou een paar dat een dergelijke zegening heeft ontvangen dus lid zijn van een gemeente die de mogelijkheid van zegening zelf niet kent, dan wordt de hun gegeven zegening niet pertinent in het ledenregister en daarmee in de landelijke registratie opgenomen. Er kan dan dus hooguit sprake zijn van vermelding in het trouwboek van de gemeente waar de zegening plaatsvond. Natuurlijk blijft het altijd mogelijk zulke feitelijke gegevens later nog aan te vullen in het ledenregister.

4.10    Uitvaartdiensten

De kerkorde regelt verder niets voor de in art. VII-1 en ord. 5-1-2 genoemde ‘diensten van rouwdragen en gedenken’. Soms gaat het hier om een gewone kerkdienst, in een kerkgebouw of ook in de aula van een begraafplaats of crematorium. Dan wordt de uitvaartdienst dus geleid door een bevoegd predikant of iemand met een preekconsent, en is een lid van de kerkenraad ambtelijk aanwezig (ord. 5-1-5).

Bij het leiden van uitvaartdiensten is geen sprake van een exclusieve bevoegdheid van predikanten

In de praktijk is het ook denkbaar dat geen kerkdienst wordt gehouden, maar een andersoortige bijeenkomst: anders dan bij trouwdiensten is er immers geen sprake van een exclusieve bevoegdheid van predikanten. De dienstenorganisatie biedt ook cursussen aan om gemeenteleden daarin te bekwamen. Als het houden van een godsdienstige plechtigheid in een familie moeilijk ligt, kan de kerkenraad zich in zijn verantwoordelijkheid ook beperken tot het verhuren van de kerkruimte. Begrafenissen worden niet als zodanig geregistreerd: ‘begraafboeken’ bestaan niet.

Wat hierboven werd gezegd over trouwdiensten op het grondgebied van een andere gemeente geldt ook hier. Naar de letter van ord. 5-2-2 zou instemming van de betrokken kerkenraad gevraagd moeten worden wanneer bij een uitvaart een kerkdienst bijvoorbeeld wordt gehouden in het crematorium van een buurgemeente. Het ligt voor de hand in zulke steeds terugkerende gevallen uit te gaan van een doorlopende instemming (ord. 3-9-2; zie ook § 7.2.2).


Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken