Menu

None

Het leven van de gemeente

Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland

5.1      Waar het om gaat

De kerkorde typeert het werk van de kerkenraad als ‘leiding geven aan de opbouw van de gemeente in de wereld’. Maar wat moet je je daarbij voorstellen? Ord. 4-7-1 ziet het als de tweede taak van de kerkenraad, na de zorg voor de dienst van Woord en sacramenten: immers, in paragraaf 2.1 zagen we al dat de gemeente allereerst een horende en vierende gemeenschap is. Maar wie het Woord hoort en de gemeenschap met God en mensen beleeft rond doop en avondmaal, weet zich ook geroepen ‘tot dienst aan het Woord van God’ (art. IV-1 KO). Daarmee komt de opbouw van de gemeente in de wereld in beeld. Opbouw van de gemeente: in pastoraat, gemeentediaconaat, geestelijke vorming, en wat ook verder maar kan dienen ‘tot opbouw van het lichaam van Christus’. In de wereld: onder meer in diaconaal en missionair werk.

In dit hoofdstuk ligt het accent op de gemeenteopbouw, in het volgende hoofdstuk op wat de gemeente doet in de samenleving. Die ordening is relatief, want alles hangt met alles samen: diaconaat en pastoraat gaan soms naadloos in elkaar over, en catechese kan niet zonder de betrokkenheid op de leefwereld van jongeren in hun schoolsituatie: het gaat om het ene leven van de gemeente.

Tegelijk is het van belang dat het eigene van elke ‘werksoort’ wel herkenbaar blijft: diaconaat is niet precies hetzelfde als pastoraat. Ord. 8-1-1 zegt: ‘De gemeente vervult haar missionaire, diaconale en pastorale roeping in het besef dat de daaruit voortvloeiende taken zowel in hun onderlinge samenhang als in hun eigenheid behartigd dienen te worden.’ Dat geldt niet minder voor de hier niet genoemde zaken als catechese, vorming en toerusting.

Wat hier met ‘de opbouw van de gemeente in de wereld’ wordt aangeduid, wordt in de kerkorde behandeld in twee afzonderlijke ordinanties, namelijk ord. 8 over de missionaire, diaconale en pastorale arbeid van de gemeente en ord. 9 over de geestelijke vorming.

De gemeenteleden hebben een recht, zij zijn ‘gerechtigd’ hun gaven in te zetten

In dit alles leeft de gemeente: het gaat om meer dan een takenpakket, het betreft een roeping, en wel van de gemeente, en dus van de gemeenteleden. Zij zijn ‘geroepen en gerechtigd hun gaven aan te wenden tot vervulling van de opdracht die Christus aan de gemeente geeft’ (art. IV-2 KO). De gemeenteleden hebben dus een recht, zij zijn ‘gerechtigd’ hun gaven in te zetten. Een goede kerkenraad erkent dit recht en maakt er ruimte voor. Maar de kerkenraad geeft leiding (art. IV-3 KO), en de kerkorde gaat vooral over wat dat leiding geven inhoudt. De kerkenraad bevordert de samenhang in het leven en werken van de gemeente, tot eer van Gods naam en tot heil van de wereld (zie art. IV-3 KO). Hij zorgt voor de feitelijke afstemming van taken en ziet er onder meer op toe dat de gemeente in de vervulling van haar taken gericht is op het gemeente-zijn in de wereld (ord. 8-1-2).

5.2      Gemeenteopbouw

Bij de opbouw van de gemeente als zodanig gaat het vooral om pastoraal werk en geestelijke vorming. Een kerkorde volgt per definitie het leven, en dat geldt zeker in deze thematiek. Immers, de gemeente leeft: op het terrein van bijvoorbeeld pastoraat, catechese, geestelijke vorming en jeugdwerk doen zich allerlei nieuwe ontwikkelingen voor die zullen blijven vragen om bezinning, en die mogelijk op termijn ook wel weer tot wijzigingen in de kerkorde zullen leiden. De kerkorde beperkt zich hier dan ook tot enkele hoofdlijnen.

De gemeente kan niet doen alsof zij met de kerk niets te maken heeft

Het leven van de gemeenten staat in de samenhang van wat de kerk als geheel doet. Dat geldt voor het missionaire, diaconale en pastorale werk (ord. 8-1-6), maar niet minder voor bijvoorbeeld het jeugdwerk (vgl. ord. 9-1-2 en 9-6-4). Daarom laat de kerkenraad zich voorlichten en bijstaan door de organen van de kerk, die op deze terreinen werkzaam zijn. Dat is niet een mogelijkheid, maar een vanzelfsprekendheid. Natuurlijk kan een kerkenraad materiaal gebruiken dat niet via de dienstenorganisatie beschikbaar wordt gesteld. Waar een kerkenraad, goedgeïnformeerd over wat de kerk als geheel op deze terreinen te bieden heeft, kiest voor een andere weg, behoort dat de dienstenorganisatie van de kerk aan het denken te zetten! Ook dat maakt deel uit van de onlosmakelijke band van kerk en gemeenten. Maar de gemeente kan niet doen alsof zij met de kerk op dit gebied niets te maken heeft. Wat in ord. 8 gezegd wordt over de missionaire, diaconale en pastorale arbeid van de gemeente (ord. 8-2-4 en 8-3-4), komt in ord. 14 opnieuw in beeld, bij de taken die daaromtrent liggen bij de kerk als geheel (ord. 14-8 t/m 10).

5.3      De pastorale arbeid

Als ‘gewone’ ouderling doe je (meestal) pastoraal werk (ord. 3-10-1), samen met de predikant (ord. 3-9-1). In de kerkorde heet dat ook wel ‘herderlijke zorg’. Menigeen ziet pastoraat als de kerntaak van de ouderling. Ook hier zet de kerkorde echter breder in: ‘In de gemeente zijn de leden geroepen pastoraal en liefdevol naar elkaar om te zien en elkaar op te bouwen in geloof, hoop en liefde’ (art. XII-2); de leden, niet alleen de ouderlingen! In de uitwerking hiervan wordt gesproken over ‘de roeping die op alle leden van de gemeente rust om naar elkaar om te zien, elkaar op te bouwen, elkaar de vergeving Gods aan te zeggen en zo nodig elkaar te vermanen en dit vermaan ter harte te nemen’ (ord. 10-1-2). Hier ligt de basis voor wat gezegd kan worden over het opzicht over de gemeente (zie hoofdstuk 21).

‘De gemeente is geroepen tot de vervulling van haar pastorale opdracht door het verlenen van herderlijke zorg’ (ord. 8-4-1). Onderling pastoraat vormt dus het uitgangspunt (ord. 8-4-3). Dat kan ook vorm krijgen in groothuisbezoeken, gemeentekringen, e.d. Maar inderdaad, aan de ouderlingen is primair toevertrouwd ‘de zorg voor de gemeente als gemeenschap’ en, samen met de predikanten, ‘de herderlijke zorg, onder meer door het bezoeken van de leden van de gemeente’ (ord. 3-10-1). In veel gemeenten delen ouderlingen dit werk met zogeheten pastoraal medewerkers, gemeenteleden die officieel namens de kerkenraad een deel van het bezoekwerk op zich nemen. De ‘zorg voor de gemeente als gemeenschap’ is dus breder dan alleen het pastorale werk, in de vorm van het bezoeken van gemeenteleden. Alles wat ouderlingen doen, ook bijvoorbeeld in hun werk in de kerkenraad, is erop gericht de gemeente te laten groeien tot een echte gemeenschap waarin mensen op elkaar aankunnen. Kerkordelijk valt hier weinig meer te regelen, in de praktijk valt hier heel veel te doen.

De kerkenraad kan niet zomaar stellen dat de predikant zich in de pastorale zorg dient te beperken tot de eigen kring

In zo’n gemeenschap mogen ook buitenstaanders zich welkom weten. Pastorale zorg betreft niet alleen degenen die behoren tot de gemeenschap van de gemeente, maar ook ‘anderen die herderlijke zorg behoeven’ (ord. 8-4-2; vgl. art. X-3). Het is opvallend dat de kerkorde de pastorale arbeid het meest expliciet behandelt in ord. 8, en daarmee in nauwe samenhang met diaconaal en missionair werk. Ook de pastorale arbeid is dus kerkordelijk geen puur intern-kerkelijke zaak. Er kunnen anderen zijn die deze zorg behoeven. Een kerkenraad kan daarom niet zomaar stellen dat de predikant zich in de pastorale zorg dient te beperken tot de eigen kring.

Ord. 8-4-4 wijst nog op een ander aspect: waar in instellingen (ziekenhuizen, gevangenissen, kazernes) in de eigen omgeving pastoraal werk geschiedt, daar wordt van de gemeente gevraagd ‘uitdrukking te geven aan haar verbondenheid daarmee’. Je kunt als kerkenraad bijvoorbeeld verantwoordelijkheid nemen voor het beroepen van een predikant met bijzondere opdracht (ord. 3-23) of voor het verlenen van een bijzondere opdracht aan een kerkelijk werker (ord. 3-13). Denk hier ook aan de inzet van gemeenteleden als vrijwilligers ter ondersteuning van deze pastorale zorg. Je kunt ook een in het categoriale pastoraat werkende predikant die in de gemeente woont, betrekken bij het kerkenraadswerk (ord. 4-6-7): dat kan ook om heel andere redenen gewenst zijn, maar het kan tevens helpen om de verbondenheid met het pastorale werk van deze predikant tot uitdrukking te brengen.

Het schrikbeeld van de ouderling als de controleur van het geestelijk leven duikt in de literatuur nog altijd op

Hoe zit het dan met het vermaan (vgl. ord. 10-1-2)? Vanouds heeft pastoraat toch ook een aspect van opzicht in zich? Het schrikbeeld van de ouderling als de controleur van het geestelijk en kerkelijk leven duikt in de literatuur nog altijd op. Dat is een vertekening, maar soms kan de levenswijze van een gemeentelid het toch noodzakelijk maken de betrokkene te vermanen, d.w.z. erop te wijzen dat het leven van dit gemeentelid volstrekt niet spoort met wat het Evangelie ons voorhoudt. Dat is kwetsbaar, en het vraagt om grote bescheidenheid en voorzichtigheid – maar het kan onontkoombaar zijn. Het kan zelfs leiden tot formele kerkenraadsbesluiten in de sfeer van het opzicht. Over hoe dan te handelen, zie hoofdstuk 21.

5.4      Vorming en toerusting

De meeste gemeenten hebben wel zoiets als een ‘commissie vorming en toerusting’. Immers, meer dan ooit beseffen we dat de wereld verandert en dat kerk en geloof zich daarom steeds opnieuw moeten heroriënteren. Ord. 9-1 spreekt niet voor niets van een ‘blijvend proces van geestelijke vorming waarin alle generaties betrokken zijn’. Prediking en pastoraat zijn daarin van groot belang, maar geestelijke vorming vraagt ook om andere vormen. De kerkorde geeft hiervoor in art. XI de kaders. Het artikel begint met de fundamentele uitspraak dat de gemeente geroepen is blijvend een lerende gemeenschap te zijn, en het eindigt met de stelling (in lid 9) dat de zorg voor de daaruit voortvloeiende activiteiten berust bij de kerkenraad.

Ord. 9-1-2 wijst de kerkenraad op de rol van de organen van de kerk, waarbij met name gedacht kan worden aan de voorlichting en bijstand die door de dienstenorganisatie worden verleend (zie hiervoor ook § 5.2 en § 18.3.3).

Het gaat dus om een veelheid aan vormen. Bij de invulling in meer concrete regelgeving besteedt ord. 9 achtereenvolgens aandacht aan vorming en toerusting, aan de catechese, aan de openbare geloofsbelijdenis en aan het jeugdwerk.

Vorming is primair gericht op persoonlijke geestelijke groei; toerusting heeft vooral betrekking op het vervullen van taken van gemeente en kerk (ord. 9-2-1). Beide zijn breder dan wat gewoonlijk in een winterprogramma van de desbetreffende werkgroep of commissie wordt samengebracht, hoe belangrijk en interessant ook. Het heeft ook te maken met meditatie en gebed, met beraad en daadwerkelijke inzet, zegt art. XI-2. Zo is de geestelijke vorming van de jonge gemeenteleden breder dan het catecheseprogramma en het jeugdwerk: de geloofsopvoeding – niet alleen thuis, maar ook in de gemeente – is hier evenzeer van belang (art. XI-3). De gemeente is immers ook betrokken bij de doop (ord. 9-2-2 en 6-1-1). Overigens blijven de hier gestelde regels betrekkelijk vaag.

Dat geldt ook voor het in ord. 9-2-3 bepaalde. Daar wordt de gemeente kerkordelijk ‘verplicht’ tot onderlinge aanmoediging om aan leeractiviteiten deel te nemen. Veel concreets valt daarbij echter niet te regelen. Het maakt wellicht duidelijk dat het hier gaat om een manier van gemeente-zijn die nog bezig is haar vormen te vinden en waarin plaatselijke omstandigheden, mogelijkheden en behoeften terecht van doorslaggevend belang zijn.

In vormingsactiviteiten moeten we vooral niet eenkennig zijn!

Hoewel de kerkorde dat niet met zoveel woorden zegt (zie art. XI), is het natuurlijk prachtig als ook mensen buiten de kerk bij de geestelijke vorming betrokken worden, en uitgenodigd worden. Hier moeten we vooral niet eenkennig zijn! In ord. 9-2-4 wordt in elk geval duidelijk gesteld dat deze opdracht wel bij voorkeur in oecumenisch verband gestalte zou moeten krijgen.

Ook in ord. 8 is sprake van vorming en toerusting, daar in het bijzonder gericht op het missionaire, diaconale en pastorale werk (ord. 8-1-3,4). De kerkenraad is verantwoordelijk voor het stimuleren van de gemeente en de zorg voor passende toerusting en vorming. Kerkdiensten, onderricht en publicaties kunnen een rol spelen bij deze toerusting. De kerkenraad moet zorgen voor een adequate structuur en voor de nodige middelen, en bij dit alles de oecumenische contacten onderhouden.

5.5      Catechese

Catechese is voor de kerk van oudsher bekend terrein. Hierover spreekt de kerkorde en ord. 9 dan ook veel uitvoeriger. De artikelen XI-5 t/m 7 omschrijven achtereenvolgens de doelgroep – niet alleen de jongeren, en niet alleen binnen de gemeente! –, het doel en de thematiek van de catechese. Het doel van de catechese ligt niet alleen in de toeleiding tot de viering van doop en avondmaal en de voorbereiding op de openbare belijdenis van het geloof. Catechese betreft heel het leven uit Gods beloften en naar zijn geboden. Daaraan zit een missionair aspect: de toerusting tot het christelijk getuigenis in de wereld. Maar het gaat er evenzeer om dat jong en oud hun gaven ontdekken en leren inzetten voor de opbouw van de gemeente van Christus.

Catechese betreft heel het leven uit Gods beloften en naar zijn geboden

De ordinantie (ord. 9-3) vult het nader in. De onderwerpen voor de catechese worden wel letterlijk overgenomen uit het kerkordeartikel: het lezen en verstaan van de Heilige Schrift; de eredienst, de liederen en gebeden, de belijdenis en de geschiedenis van de kerk, en het leven als christen in de wereld. Dat kan wat dwingend klinken, maar daarmee is nog niets gezegd over de keuze van leermiddelen en methoden; in elk geval dienen die afgestemd te zijn op leefwereld en ontwikkeling van de catechisanten (ord. 9-3-3).

Dat is de klassieke catechese, die onmiskenbaar onder druk is komen te staan. Ord. 9-3-4 noemt daarnaast verschillende bijzondere vormen van catechese die wellicht nieuwe kansen voor geestelijke vorming bieden. Daarbij komen ook anderen dan de jongeren in beeld.

De belijdeniscatechese is een vertrouwd gegeven (zie ook § 5.6.1). Introductiecatechese betreft bijvoorbeeld catechese aan mensen die niet tot een kerk behoren, maar door een gemengd huwelijk met de gemeente in aanraking komen. Hierbij valt ook te denken aan de Alpha-cursussen. Bij doopcatechese wordt onder verantwoordelijkheid van de kerkenraad met doopouders, individueel of groepsgewijs, nagedacht over de betekenis van de doop in het licht van de Schrift en de traditie van de kerk. Huwelijkscatechese zal zich veelal richten op aanstaande echtparen en/of jonggehuwden.

In goed overleg zal bepaald worden wie de catechese geven. Duidelijk moet blijven dat de kerkenraad het beleid daarin uiteindelijk bepaalt en dat de predikant primair verantwoordelijk is (vgl. art. V-3 KO): deze kan zich niet zonder instemming van de kerkenraad aan een uitvoerende verantwoordelijkheid onttrekken; vooral de belijdeniscatechese blijft in de regel aan de predikant opgedragen (ord. 9-4-1). Ook als gelukkig andere gemeenteleden bij de catechese een waardevolle en deskundige rol spelen, dient een predikant of kerkelijk werker een en ander te begeleiden (ord. 9-3-5,6).

5.6      De openbare belijdenis van het geloof

Wie doet er belijdenis? Niet alleen de klassieke catechese, ook de openbare geloofsbelijdenis – vanouds het doel en de afsluiting van de catechese – staat vandaag de dag onder druk. Toch besteedt de kerkorde hieraan relatief veel aandacht. Het gaat immers om een voor de opbouw van de gemeente vitale uitdaging, ook als de tijd vraagt om een andere aanpak dan voorheen.

Art. XI-8 tekent de grondlijnen en weer is sprake van een bredere benadering: het gaat niet alleen om toegang tot de sacramenten (voor zover daarvoor het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis al nodig is, zie ord. 6-2-4 en 7-2-2 en § 4.7.5), maar om een leven dat gekenmerkt wordt door persoonlijk getuigenis, (mede)verantwoordelijkheid en betrokkenheid op de gemeente, in het bijzonder waar zij samenkomt in de dienst van Woord en sacramenten. Dat doel staat voorop, en kan vragen om een creatieve, nieuwe vormgeving.

5.6.1     De gebruikelijke gang van zaken

Eerst een ‘gewone’ routebeschrijving (ord. 9-4). Het begint met de belijdeniscatechese (ord. 9-4-1). Deze vormt de gebruikelijke voorbereiding op de openbare belijdenis van het geloof, en wordt bij voorkeur door de predikant van de gemeente gegeven.

Het is niet ondenkbaar dat een zestienjarige wordt toegelaten tot de openbare geloofsbelijdenis

Daarop volgt een gesprek met (vertegenwoordigers van) de kerkenraad (art. XI-8; ord. 9-4-2), waarin de motivatie van de betrokkenen aan de orde komt en zo ook de inhoud van hun geloof. De kerkorde kent hiervoor geen leeftijdsgrens: het is niet ondenkbaar dat een zestienjarige wordt toegelaten tot de openbare geloofsbelijdenis, als de kerkenraad ervan overtuigd is dat het gaat om een weloverwogen beslissing. Een jongere van die leeftijd mag immers naar burgerlijk recht bijvoorbeeld ook zelf beslissen over een medische behandeling. Als het gaat om doopleden die nog niet meerderjarig zijn, zullen in de praktijk ook de ouders een rol spelen in de overwegingen. Men kan toch moeilijk een veertienjarige – die nog voor veel zaken toestemming van de ouders moet hebben – toelaten tegen het uitdrukkelijke advies van (een van) de ouders in.

Vervolgens wordt de gemeente erbij betrokken: de namen van degenen die belijdenis gaan doen, worden aan de gemeente meegedeeld (ord. 9-4-3). De kerkorde zegt niet met zoveel woorden dat bezwaar kan worden aangetekend, maar sluit dat evenmin uit. In beginsel is het uiteraard mogelijk dat iemand in geweten meent te moeten zeggen dat een gemeentelid niet zonder meer belijdenis zou mogen afleggen.

Over mogelijke bezwaren wordt wel gesproken wanneer degene die belijdenis wil doen, als lid in een andere gemeente staat ingeschreven (ord. 9-4-4). De kerkenraad van de eigen gemeente moet dan ruim tevoren geïnformeerd worden en kan bezwaar aantekenen. Het is niet zinvol hier veel te zeggen over de aard van mogelijke bezwaren; wellicht is dit te brengen onder de algemene formule dat het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis in het licht van wat de eigen kerkenraad meent te weten over leer en leven van de betrokkene, ongeloofwaardig geacht zou moeten worden. De beslissing over de toelating tot de openbare belijdenis van het geloof ligt uiteindelijk bij de kerkenraad waar de betrokkene zich heeft aangemeld, die ook het gesprek voert over de motivatie en de inhoud van het geloof. In uiterste instantie zou de eigen kerkenraad tegen deze beslissing bezwaar kunnen indienen bij het classicale college voor de behandeling van bezwaren en geschillen. Vandaar dat de eigen kerkenraad uiterlijk vier weken voor de belijdenisdienst van deze beslissing op de hoogte moet worden gesteld. In de praktijk zal het zo ver niet snel komen: de betrokkene kan zich immers eenvoudigweg laten overschrijven naar de gemeente waarin de openbare geloofsbelijdenis zal worden afgelegd (ord. 2-2-2).

Dan volgt de beslissende stap: de openbare geloofsbelijdenis wordt afgelegd in een kerkdienst van de gemeente (ord. 9-5-2). Alleen ‘in bijzondere omstandigheden’ – dit ter beoordeling van en dus ook met instemming van de kerkenraad – kan de belijdenis in kleinere kring, voor (een vertegenwoordiging van) de kerkenraad, worden afgelegd (ord. 9-5-5). De reden daarvoor kan niet liggen in het feit dat iemand tegen het openbare karakter van de geloofsbelijdenis is. Wel valt te denken aan situaties waarin bijvoorbeeld iemands lichamelijke toestand kerkgang niet toelaat, of waarin een psychische gesteldheid zoals claustrofobie een grote belemmering vormt.

In de kerkdienst wordt uiteraard gebruikgemaakt van wat het dienstboek op dit punt te bieden heeft (art. XI-8 en ord. 9-5-2; zie § 4.5).

De laatste stap: de openbare geloofsbelijdenis heeft als gevolg dat de betrokkenen worden opgenomen onder de belijdende leden van de gemeente (ord. 9-5-1), en dus ingeschreven worden in het belijdenisboek van de gemeente waar de belijdenis werd afgelegd (ord. 9-5-8) en als belijdende leden in het ledenregister van de gemeente waartoe betrokkene behoort. Dat geldt ook als het gaat om een gedoopte ‘vriend’: die wordt door belijdenis te doen voluit lid van de gemeente. Wanneer de geloofsbelijdenis heeft plaatsgevonden buiten de eigen gemeente, moet de eigen kerkenraad daarvan achteraf in kennis worden gesteld, met het oog op de inschrijving als belijdend lid (ord. 9-5-9).

5.6.2     Alternatieve mogelijkheden

Opneming onder de belijdende leden is ook mogelijk zonder dat daaraan de gebruikelijke vorm van belijdeniscatechisatie voorafgaat. Dan is er een aangepaste vorm van voorbereiding, want de voorbereiding kan niet eenvoudigweg achterwege blijven.

De openbare geloofsbelijdenis kan verbonden zijn met een andere belangrijke gebeurtenis in het leven van de betrokken gemeenteleden en van de gemeente (ord. 9-5-3,4). Zo kunnen doopouders in het kader van de doopdienst antwoorden op ‘een daartoe strekkende vraag’, waarmee zij belijdend lid worden. Datzelfde kan ook gebeuren wanneer doopleden worden gekozen tot ambtsdrager en hun verkiezing willen aanvaarden. De kerkenraad beoordeelt overigens wel voor de kandidaatstelling of degene die als mogelijk toekomstig ambtsdrager wordt gezien, inderdaad kan worden opgenomen onder de belijdende leden; men kan hier denken aan een gesprek over hun motivatie en de inhoud van hun geloof (vgl. ord. 9-4-2). Is dat het geval, dan gaat na de verkiezing het beantwoorden van de daartoe strekkende vraag vooraf aan de bevestiging in het ambt. In de orden van dienst in het dienstboek wordt overigens geen vaste formulering voor een dergelijke vraag gegeven. Voorgangers zullen op dat punt creatief mogen en moeten zijn. Te denken is aan een formulering die nauw aansluit bij die in de orde van dienst voor de openbare geloofsbelijdenis, bijvoorbeeld: ‘Verlang je je doop te beamen en onder de belijdende leden van de gemeente opgenomen te worden?’

Ord. 9-4-1 wijst erop dat ook in deze uitzonderingsgevallen door de kerkenraad zorg gedragen moet worden voor een aan de situatie aangepaste voorbereiding op de geloofsbelijdenis.

De kerkenraad heeft een zekere vrijheid om te bepalen hoe iemand onder de belijdende leden van de gemeente wordt opgenomen

Het kan ook gebeuren dat iemand die gedoopt is, als belijdend lid overkomt uit een andere kerk (voor de overkomst als dooplid, zie ord. 6-5-2 en § 4.7.4). Aan het gegeven dat in ord. 9-5-7 de term ‘kerk’ – en niet zoals in ord. 6-5-1 de term ‘kerkgemeenschap’ – wordt gebruikt, moet geen bijzondere waarde toegekend worden. In ord. 7-2-4 worden de uitdrukkingen naast elkaar gebruikt.

In dit geval kan er reden zijn om de betrokkene in de gelegenheid te stellen de belijdenis voor de kerkenraad af te leggen. De kerkenraad heeft daarbij immers een zekere vrijheid om te bepalen op welke wijze de betrokkene onder de belijdende leden van de gemeente wordt opgenomen (ord. 9-5-7). Ook in de hier bedoelde situaties worden de namen van de nieuwe belijdende leden opgetekend in het belijdenisboek van de gemeente (ord. 9-5-8). Dat geldt dus ook als iemand zonder een bijzonder liturgisch moment als belijdend lid wordt opgenomen – al zal het pastoraal wijs en heilzaam voor de gemeente zijn wanneer men toch zo veel mogelijk wel een vorm vindt om in het midden van de gemeente aan de opneming onder de belijdende leden aandacht te schenken.

De kerk kan voor de overkomst uit andere kerken nadere richtlijnen geven. Zolang die niet beschikbaar zijn, kan men zich in elk geval oriënteren op de regelgeving in de generale regeling gastlidmaatschap. In GR 3-1-3 worden immers criteria genoemd voor het verlenen van het gastlidmaatschap aan leden van die kerken waarvoor dat niet met zoveel woorden is geregeld. Wat daar over kerken wordt gezegd, kan een rol spelen bij de beoordeling van iemands belijdenis, al gaat het daar wel over een andere vraag.

Niet altijd zal gevraagd moeten worden om het afleggen van de openbare geloofsbelijdenis: de persoonlijke geschiedenis in de andere kerk(gemeenschap) en de wijze waarop men die heeft beleefd, kunnen voor de kerkenraad aanknopingspunten bieden om hier een verantwoorde beslissing te nemen. Zo is het denkbaar dat een rooms-katholiek lid dat overkomt naar de Protestantse Kerk in Nederland door de kerkenraad zonder (openbare) geloofsbelijdenis onder de belijdende leden wordt opgenomen omdat deze persoon het vormsel persoonlijk sterk als een belijden van het geloof heeft ervaren. Voor andere rooms-katholieken ligt dat wellicht heel anders; dan ligt het voor de hand dat zij wel alsnog belijdenis doen van hun geloof. Als iemand overkomt vanuit het Leger des Heils (zonder ooit gedoopt te zijn), kan de kerkenraad de daar afgelegde openbare geloofsbelijdenis erkennen, en daarom de betrokkene alsnog dopen zonder dat in strikte zin opnieuw wordt gevraagd om een openbare geloofsbelijdenis (vgl. ord. 6-3-6).

Het is niet mogelijk in deze Toelichting richtlijnen te geven voor alle denkbare situaties. Pastorale wijsheid wordt gevraagd, bijvoorbeeld als iemand overkomt naar de Protestantse Kerk in Nederland na in een andere kerk te zijn geconfronteerd met een tuchtmaatregel.

Ten slotte, het is mogelijk dat een dooplid of belijdend lid dat zich aan de gemeenschap van de kerk onttrokken heeft, tot de gemeente wil terugkeren. Daarvoor zal de gemeente open willen staan. Na een gesprek met betrokkene zal de kerkenraad hem of haar weer kunnen opnemen als lid. Het doel zal zijn betrokkene weer onder de belijdende leden op te nemen (ord. 9-5-6), maar iemand kan ook bijvoorbeeld eerst als vriend of dooplid geregistreerd worden. Men kan volstaan met het weer inschrijven in het ledenregister, maar de kerkenraad kan ook besluiten dat binnen de kerkenraad of in de eredienst een vorm gevonden wordt om dit herstel van de gemeenschap tot uitdrukking te brengen. De kerkenraad is daarin vrij.

5.7      Het jeugdwerk

Hoe betrek je jongeren bij de gemeente? Als dat kan via de catechese: prachtig. En er is vaak ook de kindernevendienst. Maar denk hierbij ook aan het jeugdwerk waar het in ord. 9-6,7 over gaat. Ook hier ligt een verantwoordelijkheid bij de kerkenraad (ord. 9-6-5). De kerkorde maakt onderscheid tussen het jeugdwerk dat gericht is op de jongeren in de gemeente (ord. 9-6) en een meer naar buiten gerichte medewerking aan de geestelijke vorming van de jeugd in onze samenleving (ord. 9-7). Uiteraard is het niet mogelijk en ook niet nodig hier een scherpe grens te trekken: gelukkig is kerkelijk jeugdwerk vaak ook in een bepaalde mate ‘open jeugdwerk’.

Voorop staat het willen luisteren naar de jonge leden van de gemeente

Een kerkenraad die zich bezint op het jeugdwerk doet er goed aan nota te nemen van de open wijze waarop ord. 9-6 inzet: voorop staat het willen luisteren naar de jonge leden van de gemeente; hun situatie vormt een belangrijk uitgangspunt voor het beleid van kerkenraad én gemeente. Alleen hier in ord. 9-6-1 is overigens in de kerkorde sprake van ‘beleid van de gemeente’; uiteraard wordt ook hier de eigen rol van de kerkenraad in het vaststellen van het beleid wel verondersteld. Dat beleid betreft meer dan alleen het jeugdwerk in engere zin, zoals blijkt uit de aandachtspunten in de volgende regels. Het gaat zowel om participatie in de eredienst als om missionaire, diaconale en pastorale activiteiten van en voor jongeren (ord. 9-6-2).

Bij het kerkelijk jeugdwerk kan een kerkenraad veel hebben aan de dienstenorganisatie van de kerk. Voorlichting en hulp (ord. 9-1-2) kan men verwachten van de afdeling JOP (Jeugdorganisatie van de Protestantse Kerk in Nederland). Ook kan hulp worden verwacht van de Hervormd-Gereformeerde Jeugdbond (HGJB). In een samenwerkingsovereenkomst (laatst gewijzigd in 2017) tussen HGJB, IZB en GZB enerzijds en de kerk anderzijds is vastgelegd dat de HGJB en de dienstenorganisatie het werk op elkaar afstemmen en structureel met elkaar overleggen om gezamenlijk de gemeenten zo goed mogelijk van dienst te zijn. De HGJB is daarmee een bijzondere partner waarmee de kerk zich verbonden weet. Als zelfstandige organisatie is het geen orgaan van de kerk, maar wel ten nauwste daarmee verbonden.

Uiteraard kan ook met andere organisaties contact worden gezocht (ord. 9-6-4,5), waarbij men kan denken aan Youth for Christ of de YMCA.

Social media, voor veel gemeenten een nog onontgonnen terrein

Daarmee is niet alles gezegd. Een apart lid (lid 4) wordt in art. XI van de kerkorde gewijd aan de betrokkenheid van de gemeente bij de leefwereld van de jongeren. Daarbij zal men snel denken aan de school (vgl. ord. 9-7-2), maar de kerkorde wijst ook op de andere sociale en culturele verbanden. Deze betrokkenheid krijgt een uitwerking in ord. 9-7, over de medewerking aan de geestelijke vorming van de jeugd. Al met al wordt hier een breed perspectief getekend.

Eerst komt in ord. 9-7-1 de thuissituatie in beeld. Verder gaat het om de wereld van het onderwijs en om de andere ‘sociale en culturele verbanden waarin de jeugd zich oriënteert’. Daar zal de gemeente trachten uitdrukkingsvormen voor het geloof te vinden. Een belangrijke toegang daartoe is in beginsel te vinden in de wereld van de media. Ord. 9-7-4 wijst op de mogelijkheid en noodzaak juist daar vragen van geloof en leven aan de orde te stellen. De vraag kan gesteld worden welke mogelijkheden een lokale gemeente hier eigenlijk heeft. Denk aan de lokale omroep of krant, maar meer nog aan de social media, voor veel gemeenten een nog onontgonnen terrein, waarbij de gemeente zich overigens niet hoeft te beperken tot de leefwereld van de jongeren! Het ligt voor de hand – en dat stelt ord. 9-7-4 dan ook – dat op dit terrein oecumenische samenwerking wordt nagestreefd.

Daarnaast betreft een belangrijk deel van die leefwereld uiteraard de scholen en andere onderwijsinstellingen. Samenwerking tussen kerk en school is daarom van belang, waarbij het met name zal gaan om betrokkenheid bij en het stimuleren van godsdienstonderwijs en andere vormen van geestelijke vorming op openbare scholen alsook om bredere contacten tussen de gemeente en het christelijk onderwijs.

Maar ook in het ‘gewone’ pastorale en diaconale werk zal men trachten deuren te openen naar jongeren. Ook daarbij is van een principiële beperking tot de ‘eigen kring’ geen sprake (ord. 9-7-5). Daarmee komt als vanzelf het leven van de gemeente ‘in de wereld’ in beeld.


Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken